J. S. BACH: Kommt, eilet und laufet, ihr flüchtigen Füße 
(Oster-Oratorium, BWV 249)

Bekijk & -luister opnames van
Karl Münchinger, Philippe Herreweghe,
 H Chr Rademann, Koopman of Gardiner.
Bachs Paasoratorium kreeg zijn uiteindelijke vorm pas na een voorgeschiedenis van wijzigingen en uitvoeringen die zich over bijna 25 jaar uitstrekt. Pas in Bachs geheel opnieuw uitgeschreven partituur van rond 1738 kreeg het de titel "Oratorium" die het deelt met de eveneens in de jaren ‘30 gecomponeerde Weihnachts- en Himmelfahrts-oratoria, maar het verdient deze benaming slechts ternauwernood, want aan dit elfdelige stuk ligt weliswaar een bijbelse handeling ten grondslag (de ontdekking van Christus' lege graf door de discipelen Petrus (T) en Johannes (B) en de vrouwen Maria Magdalena (A) en Maria, de moeder van Jacobus (S)) maar over dit gebeuren wordt niet (zoals in de Weihnachts- en Himmelfahrtsoratoria, en de verschillende passies) verslag gedaan door een Evangelist die de bijbeltekst in Luthers vertaling volgt, maar in vrij gedichte recitatief-teksten uit de mond van de vier handelende personen zelf, op basis van wat de verschillende evangeliën - soms tegenstrijdig - daarover berichten. Als werk waarin de handeling niet wordt verteld maar geacteerd door betrokkenen lijkt het daarom op een, naar de opera verwijzend, religieus Dramma per Musica en moet je het plaatsen in de oude, middeleeuwse traditie van de Passie- en Paasspelen, waar Luther trouwens niet zo van gediend was. Nog een opmerkelijk kenmerk: de verrezen Christus, die na zijn opstanding uit de dood toch - volgens de evangelisten - bij diverse gelegenheden zijn discipelen weer ontmoet, komt niet in het stuk voor.

De eerste versie van Kommt, eilet und laufet, ihr flüchtigen Füße werd uitgevoerd op 1 april 1725 en was toen een ‘parodie' (d.w.z. zelfde muziek, nieuwe tekst) van de dramatische gelukwenscantate Entfliehet, verschwindet, entweichet, ihr Sorgen, die Bach vijf weken eerder (23/2/25) uitvoerde als Tafelmusik voor de 44ste verjaardag van Hertog Christian von Sachsen-Weissenfels met wie Bach een vriendschappelijke relatie onderhield sinds de uitvoering van zijn Jagdkantate (BWV 208) ter gelegenheid van diens eerste verjaardag als regerend hertog in 1713. Entfliehet, verschwindet, het parodiemodel voor het Oster-oratorium, is een ‘dramatische' cantate omdat er handelende personages in figureren, in dit geval vier antieke herders (Doris, Sylvia, Damoetas en Menalcas) die hun kudde in de steek laten om de hertog te gaan feliciteren, reden waarom de cantate bekend staat als Schäferkantate (BWV 249a) maar bovendien een libretto dat zich moeiteloos liet omvormen tot een Oster-oratorium waarin twee vrouwlijke en twee manlijke volgelingen van Jezus zich naar het lege graf spoeden en zich in Christus opstanding verheugen. De veronderstelling ligt voor de hand dat Bach zijn tekstdichter Picander (met wie hij bij deze gelegenheid voor het eerst samenwerkt) bij voorbaat al de opdracht gaf tot twee metrisch en affektief congruente libretti, zodat Bach voor het Oster-oratorium slechts nieuwe recitatieven hoefde te componeren en het aan zijn kopiïsten kon overlaten om de tweede tekst onder de ongewijzigde muziek van aria's en koren te noteren. (De Schäferkantate werd in 1726 opnieuw geparodieerd tot verjaardagscantate Verjaget, zerstreuet, zerrüttet, ihr Sterne (BWV 249b) voor graaf Joachim Friederich Flemming, de gouverneur van Leipzig en één van Bachs machtigste supporters.)
1. SINFONIA

2. ADAGIO


Het Oster-oratorium opent met twee instrumentale delen die ongetwijfeld hebben behoord tot een door Bach in zijn vorige functie te Köthen gecomponeerd concert. Met trompetten en pauken ademt de vrolijke en triomfantelijke Sinfonia (1) de sfeer van het Paasfeest: drie instrumentale groepen - koper, houtblazers (hobo's, fagot) en strijkers - wedijveren ('concerteren') met elkaar.
Het langzame Adagio (2) schetst de pastorale sfeer waarin de volgende handeling zich zal gaan voltrekken: "een vredig kerkhof in de morgen, dauw op de bladeren en een licht briesje door de bomen". De obligate hobo trekt lange expressieve lijnen tegen een decor van ostinate gepunkteerde strijkersakkoorden. Dat Bach de solopartij in de jaren ‘40 aan de traverso toewees kan niet als ultieme verbetering maar slechts als praktische gelegenheidsoplossing worden beschouwd.
3. KOOR
Kommt, eilet und laufet, ihr flüchtigen Füße,
Erreichet die Höhle, die Jesum bedeckt!
Lachen und Scherzen
Begleitet die Herzen,
Denn unser Heil ist auferweckt.

Pas in het derde deel van het Oster-oratorium (3) komt de titeltekst aan de orde; in dezelfde maatsoort als de Sinfonia haasten Jezus' volgelingen zich naar zijn graf. Veelvuldige toonladders illustreren hun snel geloop. Het stuk heeft een da-capostructuur, A-B-A. Het was aanvankelijk een duet, waarvan het gedeelte A de eerste maal door tenor en bas (Petrus en Johannes) wordt gezongen en in de herhaling door alt en sopraan (Maria Magdalena, c.q. Jacobi). Pas in de laatste versie (jaren '40) breidde Bach het A-gedeelte uit tot vierstemmigheid; het coloratuurrijk middendeel bleef tweestemmig. "Coro" betekende voor Bach slechts: alle vier de zangers. De oude Bachausgabe (19e eeuw) zaaide verwarring door beide versies te willen aanbieden zonder de hoekdelen tweemaal af te drukken, waardoor de indruk kon ontstaan dat het A-gedeelte alleen in de herhaling vierstemmig moet klinken, resp. dat de vierstemmige versie slechts één van de voormalige drie delen omvat.
4. RECITATIEF (A, S, T, B)
(Maria Magdalena)
O kalter Männer Sinn!
Wo ist die Liebe hin,
Die ihr dem Heiland schuldig seid?
(Maria Jacobi)
Ein schwaches Weib muss euch beschämen!
(Petrus)
Ach! ein betrübtes Grämen
(Johannes)
Und banges Herzeleid
(Petrus, Johannes)
Hat mit gesalznen Tränen
Und wehmutsvollem Sehnen
Ihm eine Salbung zugedacht,
(2 Maria's)
Die ihr, wie wir, umsonst gemacht.
In het secco recitatief (4) treden de vier bijbelse personages twee aan twee op: de vrouwen beklagen de mannen dat ze te laat komen, de mannen, discipelen die blijkens het middendeel van (3) al verwachten dat Jezus uit de dood zal zijn opgestaan, verwijten de vrouwen éénstemmig dat ze het lijk nog denken te kunnen balsemen.
5. ARIA (S)
(Maria Jacobi)
Seele, deine Spezereien
Sollen nicht mehr Myrrhen sein.
Denn allein
Mit dem Lorbeerkranze prangen,
Stillt dein ängstliches Verlangen.
Omrankt door een etherische traverso-solo realiseert zich Maria, de moeder van Jacob, in haar sopraan aria (5), Seele, deine Spezereien, dat ze beter met lauwerkransen dan met balsemolie had kunnen aankomen.
6. RECITATIEF (T, B, A)
(Petrus)
Hier ist die Gruft
(Johannes)
Und hier der Stein,
Der solche zugedeckt;
Wo aber wird mein Heiland sein?
(Maria Magdalena)
Er ist vom Tode auferweckt!
Wir trafen einen Engel an,
Der hat uns solches kundgetan.
(Petrus)
Hier seh ich mit Vergnügen
Das Schweißtuch abgewickelt liegen.
Petrus, Johannes en Maria Magdalena ontdekken in recitatief (6) het lege graf, waarin Petrus de zweetdoek herkent als teken dat Christus uit de dood is opgestaan.
7. ARIA (T)
(Petrus)
Sanfte soll mein Todeskummer
Nur ein Schlummer,
Jesu, durch dein Schweißtuch sein.
Ja, das wird mich dort erfrischen
Und die Zähren meiner Pein
Von den Wangen tröstlich wischen.
Met de zweetdoek als sleutelwoord bezingt hij in de Schlummer-aria (7) het troostrijke idee dat ook voor hem de dood slechts een voorbijgaande slaap is waaruit hij tot een eeuwig leven zal worden gewekt: een verstild pastoraal wiegelied, voor twee gedempte violen (con sordino) die octaverend worden verdubbeld door de twee blokfluiten, en een rustig kloppende continuobas.
8. RECITATIEF (S, A)
(2 Maria's)
Indessen seufzen wir
Mit brennender Begier:
Ach, könnt es doch nur bald geschehen,
Den Heiland selbst zu sehen!
Terwijl voor Petrus een zweetdoek volstaat, willen de beide Maria's Christus zelf zien; in recitatief (8) zingen zij de hoofdtekst tweemaal, in canon waarbij ze beurtelings het voortouw nemen.
9. ARIA (A)
(Maria Magdalena)
Saget, saget mir geschwinde,
Saget, wo ich Jesum finde,
Welchen meine Seele liebt!
Komm doch, komm, umfasse mich;
Denn mein Herz ist ohne dich
Ganz verwaiset und betrübt.
Maria Magdalena vertolkt hun beider verlangen in altaria (9); aanvankelijk energiek en hoopvol, met een opgewekt concertante begeleiding van hobo d'amore en strijkers, maar in het middendeel wat gereserveerder, met een rolwisseling tussen hobo en strijkers, uitlopend op een nadrukkelijk traag Adagio op de woorden betrübt en verwaiset, dat aan de oorspronkelijke versie zal zijn toegevoegd. Waarna het A-gedeelte (da-capo) wordt hernomen.
10. RECITATIEF (B)
(Johannes)
Wir sind erfreut,
Dass unser Jesus wieder lebt,
Und unser Herz,
So erst in Traurigkeit zerflossen und geschwebt,
Vergisst den Schmerz
Und sinnt auf Freudenlieder;
Denn unser Heiland lebet wieder.
In het concluderend recitatief (10) van bas Johannes wint de Freude het van pijn en droefenis, zodat het Paasoratorium met een uitgelaten lofzang kan eindigen.
11. KOOR
Preis und Dank
Bleibe, Herr, Dein Lobgesang.
Höll' und Teufel sind bezwungen,
Ihre Pforten sind zerstört.
Jauchzet, ihr erlösten Zungen,
Dass man es im Himmel hört.
Eröffnet, ihr Himmel, die prächtigen Bogen,
Der Löwe von Juda kommt siegend gezogen!

Dit triomfantelijke slotkoor (11) is - afgezien van zijn compactheid - onmiskenbaar gemodelleerd naar het Sanctus van de HOHE MESSE waarvan Bach de eerste versie met Kerstmis 1724 dus enkele maanden geleden had voltooid: twee contrasterende delen, resp. een akkoordisch (homofoon) eerste deel in 12/8 maat, gevolgd door een fugato in 3/8. In dit fugato, met zijn fanfare-achtig thema, voegt de eerste trompet een onafhankelijke, vijfde stem toe aan de koorstemmen. Niet alleen de sfeer van de openingssinfonia keert hier terug maar zelfs de maatsoort.
Sommige uitgaven en uitvoeringen willen in dit oratorium toch graag een cantate zien, en voegen een slotkoraal toe. Zo niet Bach.



t e k s t v e r g e l i j k i n g
Schäferkantate (BWV 249a, 23/2/25)
Oster-oratorium (BWV 249, 1/4/1725)
3.
Entfliehet, verschwindet, entweichet, ihr Sorgen
verwirret die lustigen Regungen nicht!
    Lachen und Scherzen
    erfüllet die Herzen
    die Freude malet das Gesicht.

5. Hunderttausend Schmeicheleien
wallen jetzt in meiner Brust.
    Und die Lust
    so die Zärtlichkeiten zeigen,
    kann die Zunge nicht verschweigen.

7. Wieget euch, ihr satten Schafe,
in dem Schlafe
unterdessen selber ein!
    Dort in jenen tiefen Gründen,
    wo schon junge Rasen sein,
    werden/wollen wir euch wieder finden.

9. Komm doch, Flora, komm geschwinde,
hauche mit dem Westenwinde
unsre Felder lieblich an!
    Daß ein treuer Untertan
    seinem milden Christian
    Pflicht und Schuld bezahlen kann.

11. Glück und Heil
bleibe dein beständig Teil!
Großer Herzog, dein Vergnügen
müsse wie die Palmen stehn,
die sich niemals niederbiegen,
sondern bis zum Wolken gehn!
    So werden sich künftig
    bei stetem Gedeihen
    die deinen mit Lachen
    und Scherzen erfreuen.

Kommt, eilet und laufet, ihr flüchtigen Füße,
Erreichet die Höhle, die Jesum bedeckt!
    Lachen und Scherzen
    Begleitet die Herzen,
    Denn unser Heil ist auferweckt.

Seele, deine Spezereien
Sollen nicht mehr Myrrhen sein.
    Denn allein
    Mit dem Lorbeerkranze prangen,
    Stillt dein ängstliches Verlangen.

Sanfte soll mein Todeskummer,
Nur ein Schlummer,
Jesu, durch dein Schweißtuch sein.
    Ja, das wird mich dort erfrischen
    Und die Zähren meiner Pein
    Von den Wangen tröstlich wischen.

Saget, saget mir geschwinde,
Saget, wo ich Jesum finde,
Welchen meine Seele liebt!
    Komm doch, komm, umfasse mich;
    Denn mein Herz ist ohne dich
    Ganz verwaiset und betrübt.

Preis und Dank
Bleibe, Herr, dein Lobgesang.
Höll und Teufel sind bezwungen,
Ihre Pforten sind zerstört.
Jauchzet, ihr erlösten Zungen,
Dass man es im Himmel hört.
    Eröffnet, ihr Himmel,
    die prächtigen Bogen,
    Der Löwe von Juda
    kommt siegend gezogen!
omhoog