Nee, niet "Goddank is dit jaar bijna
voorbij", een dergelijk cynisme is
de cantatedichter vreemd. Hij bedoelt: nu het jaar teneinde loopt is er
alle reden om God te danken voor het afgelopen jaar, en hem om
voorspoed in het nieuwe jaar te vragen. De tekst verwijst overigens
niet naar de voor deze zondag voorgeschreven
evangelietekst (Lucas 2: 33 - 40) waarin Jezus een verlossersrol wordt
voorspeld.
De tekstdichter is trouwens interessant. In de cantatenloze
adventsperiode van december 1725 werkte Bach aan zijn jaarlijkse
Weihnachtsoratorium avant-la-lettre:
maar liefst vijf feestelijke cantates voor drie Kerstdagen, Nieuwjaar
en Driekoningen / Epifanie op teksten van de Darmstadter hofdichter
Georg Lehms (1684-1717, hij schreef ook veel voor Graupner) toen hij
werd verrast door een zondag (30 december) tussen Kerst en Nieuwjaar
(dat was hem in Leipzig nog niet overkomen), een zondag waarvoor Lehms
geen tekst schreef. Daarom wijkt Bach uit naar een tekst van Erdmann
Neumeister. Deze theoloog (1671-1756) geldt wel als de uitvinder van de
‘gemengde cantate' waarin
ook recitatieven en aria's voorkomen maar in feite propageerde de
piëtistische Neumeister met zijn Geistliche
Cantaten statt einer Kirchen-Music (1702) slechts deze
gevoelsgeladen opera-genres in
de plaats van
de leerstellige bijbelteksten en koralen in de gebruikelijke
kerkmuziek; pas later en schoorvoetend accepteerde hij de vermenging
van al deze vormen. In 1714 dicht hij voor Telemann een
complete jaargang cantateteksten, Geistliche
Poesien mit untermischten Biblischen Sprüchen und Choralen auf
alle Sonn- und Fest-Tage durchs gantze Jahr. Daaraan ontleent
Bach de tekst van Gottlob! Nun geht
das Jahr zu Ende.
In sopraanaria (1) zetten
instrumentalisten vanaf maat 1 een toon van blijmoedige dankbaarheid:
de drie kinstrijkers en drie hobo´s (waaronder een taille oftewel althobo c.q. hobo da
caccia) functioneren als twee dialogerende driestemmige
´koren´. De sopraan roept aanvankelijk op tot een
bedachtzaam gedenken alvorens
zich met virtuoze melisma´s te voegen in de overheersende
dansante vreugde. (NB Dit zal het enige deel van deze cantate blijken
te zijn waarin de hoge strijkers en blazers concertant optreden.)
Bach symboliseert de in dit jaargetijde aktuele tegenstelling tussen
oud en nieuw muzikaal door na de aria met zijn moderne symfonische en
operatische technieken te vervolgen met een archaïserend
vierstemmig koraalmotet (2) in
oude polyfone stijl, stile antico:
geen zelfstandige maar slechts colla
parte meespelende instrumentale partijen, uitsluitend rustige
halve en kwartnoten waarmee de drie onderstemmen de cantus firmus van de sopraan -
frase voor frase - begeleiden. Zoals gebruikelijk zingen de
begeleidende stemmen motiefjes die nu eens vooruitwijzen naar de
komende sopraanmelodie en dan weer specifieke woorden illustreren:
schrijnende chromatiek op Sünd,
een glijvlucht van de Adler,
brede gebaren en een zelfverzekerde kwartsprong bij Der König schafft recht. Het
zelfstandig opererende continuo laat de reiche Trost stromen als uit een
hoorn des overvloeds. Conform de oude motet-traditie kan men - ad
libitum - de vocale stemmen ook nog versterken met koperblazers
(cornetto, trombones). Doordat de koraaltekst (Johann Gramann, 1530,
vers 1) maar liefst twaalf regels omvat ontstaat een zeer uitgebreid
motet, '174' maten noteert Bach aan het slot in de partituur, alsof hij
er zelf van opkijkt. Later bewerkte hij het, met de tekst van vers 5
tot het zelfstandige motet Sei Lob
und Preis mit Ehren dat nu als BWV 28/2a te boek staat maar
aanvankelijk samen met thans aan Telemann toegeschreven delen terecht
kwam in een onder Bachs naam gecompileerd (pasticcio) motet BWV 231 Jauchzet dem Herrn.
Met de oudtestamentische tekst van Jeremia (32: 41) kondigt de bas,
zoals gewoonlijk de Vox Christi,
Israëls verlosser aan (3)
boven een ostinaat continuo-motief. Bach onderstreept de tekst door
herhalingen (arioso).
De tenor (4), reagerend op
deze voorspelling, meet Gods goedheid breed uit, in een door strijkers
feestelijk versierd recitatief.
Scherp contrasterend met het bezonken koraalmotet (2) zingen alt en
tenor ten slotte in duet, als een Thomasvaer en Pieternel, een vrolijke
en lichtvoetige nieuwjaarswens (5),
boven een sobere continuo-begeleiding. Dat deze cantate hierdoor
evenzeer geschikt lijkt voor de eerste januari wordt nog onderstreept
door het - eenvoudig vierstemmig geharmoniseerde - slotkoraal dat als
vers 6 fungeert in het nieuwjaarslied Helft
mir Gotts Güte preisen (Paul Eber, 1580).
(De Swaen, 30-31/12/2006)