J. S. BACH: Allein zu dir, Herr Jesu Christ (BWV 33)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Elk jaar op de veertiende zondag na Pinksteren (dus de dertiende na Trinitatis) leest de kerk uit het evangelie van Lukas (10: 23-37) de parabel van de Barmhartige Samaritaan: een niet-Jood die zich ontfermt over een arme, geplunderde en mishandelde man, nadat deze is gepasseerd door twee joodse geestelijken die het dienen van God als hun core-business beschouwen. Het is Jezus' interpretatie van het zogeheten dubbelgebod "Heb God lief, en uw naaste als uzelf". Naar aanleiding van deze bijbelpericoop componeert Bach voor 3 september 1724 ten tweeden male een cantate. In 1723 sloot hij direct bij het evangeliethema aan met BWV 77, Du sollt Gott, deinen Herrn, lieben; in 1724, als hij - na Pinksteren - al zijn cantates op koralen baseert, gaat hij uit van het lied Allein zu dir, Herr Jesu Christ van Konrad Hubert  (1507-1577), een lied uit de begintijd van het Lutheranisme (1540) dat echter slechts zijdelings raakt aan het thema van lezing en preek; het behoort niet tot de voor deze zondag aanbevolen liederen maar is een boetelied dat tot Christus bidt om bevrijding van de drückenden Sündenlast; die gedachte overheerst daarom in de eerste vier cantatedelen. Het koraal spreekt alleen in vers 3 van lieben dich, und meinen Nächsten gleich wie mich; die verwijzing naar het evangelie horen we terug in deel (5).
Huberts lied had oorspronkelijk drie coupletten; als vierde vers werd er later een algemene lofprijzing van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (de goddelijke ‘Drie-eenheid') aan toegevoegd. Bachs onbekende tekstdichter (wellicht de voormalige conrector Andreas Stübel) handhaafde zoals gebruikelijk de tekst van het eerste en laatste koraalcouplet voor een openingskoor en een slotkoraal, en breidde de twee resterende (binnen-)coupletten o.m. met enkele bijbelteksten uit tot twee recitatief/aria-paren, maar zonder de evangelietekst daarbij te betrekken.
1. KOOR
Allein zu dir, Herr Jesu Christ,
Mein Hoffnung steht auf Erden;
Ich weiß, daß du mein Tröster bist,
Kein Trost mag mir sonst werden.
Von Anbeginn ist nichts erkorn,
Auf Erden war kein Mensch geborn,
Der mir aus Nöten helfen kann.
Ich ruf dich an,
Zu dem ich mein Vertrauen hab.

Zoals de meeste koraalcantates in Bachs jaargang 1724/25 heeft het openingskoor (1) de vorm van een concertante koraalfantasie: het vierstemmig koor zingt de negen regels van het koraal in evenzovele vocale passages, die worden in-, uitgeleid en verbonden door instrumentale passages. De koorpartijen zijn ditmaal nogal eenvoudig, strak en homofoon, met gelijke ritmen in alle stemmen en geen bijzonder lange noten in de sopraan; bijna zo blokvormig als in een vierstemmig slotkoraal. Alleen:
- in regel 1 zetten de stemmen canonisch in met de karakteristiek dalende kwart/kwint-sprong van de koraalmelodie; deze figuur wordt vanwege de AAB-struktuur (Bar-vorm) herhaald in regel 3.
- Regel 2 schenkt uitgebreid aandacht aan het woord Erden, en dus gebeurt dat ook in regel 4 met het, wat minder belangrijke woord werden;
- onder de sopraanmelodie van regel 5 imiteren de onderstemmen elkaar met een assertief, hamerend motief op Von Anbeginn;
- en in regel 8 worden de woorden Ich ruf, als enige, met een tekstherhaling onderstreept.
De instrumentalisten, twee hobo's, strijkers en continuo openen het koor met een ritornel van twintig maten, dat na koraalregel 3 geheel wordt herhaald; tussen de overige koraalregels en aan het slot horen we er verkorte versies van.
In de eerste vier maten klinkt het eerste instrumentale thema achtereenvolgens (canonisch) in de 1e en 2e hobo en de 1e en 2e viool; hoewel heel snel (16de noten) lijkt dit thema toch afgeleid uit het begin van de koraalmelodie: een dalende kwartsprong gevolgd door een stijgende lijn (zie het muziekvoorbeeld). In het vervolg vallen syncopes (niet op de tel vallende accenten) en ritmische toonherhalingen op die het stuk een flinke motorische drive geven. Vergelijking met het slotkoraal laat ook zien dat Bach de vierkwarts-maat van Paul Hofhaimers (1459 - 1537) koraalmelodie heeft gewijzigd in een lichtvoetiger 3/4-maat. Dat alles zorgt voor een opvallend contrast tussen de qua tekst (een gebed) en muziek (onversierd koraal) nogal gedragen vocale partij en de levendige wervelwind van het orkest. Ingetogen boetvaardigheid tegenover optimistische Hoffnung en Vertrauen.
2. RECITATIEF (B)
Mein Gott und Richter,
willst du mich aus dem Gesetze fragen,
So kann ich nicht,
Weil mein Gewissen widerspricht,
Auf tausend eines sagen.
An Seelenkräften arm und an der Liebe bloß,
Und meine Sünd ist schwer und übergroß;
Doch weil sie mich von Herzen reuen,
Wirst du, mein Gott und Hort,
Durch ein Vergebungswort
Mich wiederum erfreuen.
Het sobere, slechts door continuo begeleide basrecitatief (2) laboreert aan dezelfde tegenstelling: op Gods duizend vragen blijf ik het antwoord schuldig (een citaat uit het bijbelboek Job 9:3), en mijn zonden zijn bovenmatig (übergroß, met een naargeestige harmonie) maar over zijn vergeving zal ik mij verheugen. Het recitatief gaat hier over in een arioso, met een ritmisch meemusicerend continuo dat in zijn begeleiding het vreugde-motief verwerkt (kort-kort-lang, figura corta) terwijl de bas zich uitleeft in een lang en virtuoos melisma op erfreuen. In dit en de volgende delen verwerkt de tekstdichter telkens twee regels uit het oorspronkelijke koraal (hiernaast vet gedrukt) die Bach echter geen aanleiding geven de koraalmelodie te citeren.
3. ARIA (A)
Wie furchtsam wankten meine Schritte,
Doch Jesus hört auf meine Bitte
Und zeigt mich seinem Vater an.
    Mich drückten Sündenlasten nieder,
    Doch hilft mir Jesu Trostwort wieder,
    Daß er für mich genung getan.












Aria (3) kun je beschouwen als een triosonate voor alt en soloviool con sordino (gedempt), begeleid door een continuogroep die voor deze gelegenheid is uitgebreid met de tweede en de altviolen die slechts ritmische pizzicato-nootjes spelen. Het affekt is gegeven met de eerste tekstregel: de furchtsam wankende Schritte (= angstig wankelende stappen) van de gekwelde zondaar. Het ritmische staccato van het orgel, de hele toonruimte doorkruisend, en het pizzicato van de lage strijkers vertolken het ‘stappen', de zoekende, gebroken lijn van de soloviool maakt deze stappen als misstappen hoorbaar: dwaze sprongen langs foute, niet in de harmonie passende noten en syncopische, naast de tel vallende accenten.
De aria is lang: een volledige da-capo-structuur (A-B-A) waarbij het A-deel integraal en ongewijzigd wordt herhaald. Toch verschilt de B-tekst niet sterk van het A-gedeelte: beide hebben een zelfde, in zich contrasterende structuur: ‘mijn zonden ...' (één regel, verleden tijd) - ‘doch Jezus ...' (twee regels, tegenwoordige tijd), waarbij elke laatste regel een koraalcitaat is. De alt ontleent de muziek van zijn/haar eerste tekstregel (Bitte, Sünden) telkens aan de hoekige melodie van de viool, maar volgt cantabiler lijnen in de twee volgende (Jesus). Bij de stijgende lijnen van Jesu Trostwort doet de bedrückende viool er geheel het zwijgen toe.
4. RECITATIEF (T)
Mein Gott, verwirf mich nicht,
Wiewohl ich dein Gebot
noch täglich übertrete,
Von deinem Angesicht!
Das kleinste ist mir schon
zu halten viel zu schwer;
Doch, wenn ich um nichts mehr
Als Jesu Beistand bete,
So wird mich kein Gewissensstreit
Der Zuversicht berauben;
Gib mir nur aus Barmherzigkeit
Den wahren Christenglauben!

So stellt er sich mit guten Früchten ein
Und wird durch Liebe tätig sein.


De tenor begint zijn recitatief (4) met een 'exclamatio‘, Mein Gott, gevolgd door een psalmcitaat (51:13) Verwirf mich nicht. Bach onderstreept het woord halten (= aanhouden, nakomen) met een ritmische continuogang, en berauben met een septiemsprong en een verrassende harmonische wending.
5. ARIA / DUET (T, B)
Gott, der du die Liebe heißt,
Ach, entzünde meinen Geist,
Laß zu dir vor allen Dingen
Meine Liebe kräftig dringen!
Gib, daß ich aus reinem Triebe
Als mich selbst den Nächsten liebe;
Stören Feinde meine Ruh,
Sende du mir Hülfe zu!

Alle voorbehouden en tegenstellingen zijn overwonnen in aria (5) die de wederzijdse liefde tussen God en mens bezingt. Twee duo's concerteren met elkaar: een vocaal duet van bas en tenor, begeleid door een instrumentaal duet van twee hobo's, en uiteraard begeleid door continuo. Het hoofdthema is - zoals het muziekvoorbeeld laat zien - met een
ritmische verschuiving afgeleid uit de vijfde regel van de koraalmelodie; het wordt door de duet-partners meestal voorgedragen in innige terts en sextparallellen (homofonie), de uit de Venetiaanse opera overgewaaide figuur die liefdesrelaties symboliseert. Dat de homofone passages worden afgewisseld met polyfone doet geen afbreuk aan het lieflijk, dansante karakter van het stuk. Bach illustreert het entzünde (= ontsteek) met levendig opflakkerende vlammetjes, Hij verdeelt de tekst - die niet tot een da-capo aria uitnodigt - over vier vocale passages; de regelmaat van hun homofone begin wordt in de vierde passage (bij stören) verstoord door canonisch inzetten van beide zangers, gevolgd door lange, rustige noten op Ruh.
6. KORAAL
Ehr sei Gott in dem höchsten Thron,
Dem Vater aller Güte,
Und Jesu Christ, sein'm liebsten Sohn,
Der uns allzeit behüte,
Und Gott dem Heiligen Geiste,
Der uns sein Hülf allzeit leiste,
Damit wir ihm gefällig sein,
Hier in dieser Zeit
Und folgends in der Ewigkeit.
De trinitarische lofprijzing die later werd toegevoegd aan Huberts nogal strenge boetelied, wordt in Bachs vierstemmige harmonisering (6) nog wat verder verlevendigd door beweeglijke onderstemmen. Het woord gefällig (= dienstbaar) wordt met een opmerkelijke (stem)buiging in de alt geïllustreerd. En zoals gebruikelijk duurt de Ewigkeit langer dan je verwacht.
omhoog


© Eduard van Hengel