|
|
|
|
|
|
J. S. BACH: O ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe (BWV 34) |
Beluister
deze
cantate
alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| De Pinkstercantate O
ewiges Feuer, o Ursprung der Liebe (BWV 34) werd voor het eerst
uitgevoerd op 1 juni 1727, 's morgens in de Nicolaïkirche,
's middags in de Thomaskirche. Afgezien van de beide recitatieven is de
cantate gebaseerd op een gelijknamige, zevendelige huwelijkscantate
(BWV 34a) die hij in het
voorjaar van 1726 schreef voor het huwelijk van een bevriende pastor,
en waarvan slechts vier vocale en drie instrumentale partijen zijn
overgeleverd. Er is slechts een partituur bewaard gebleven die Bach in de jaren 1746/47 vervaardigde als handreiking voor zijn oudste zoon Wilhelm Friedemann (1710 - 1784) die in April 1746 was benoemd tot organist en director musices aan de Marienkirche in Halle. (Daarom is lang gedacht dat Bach de cantate toen pas uit de twintig jaar oude huwelijkscantate had geparodieerd.) Zoals onderstaande tekstvergelijking uitwijst transformeerde Bachs tekstdichter (waarschijnlijk de destijds voor hem werkzame Picander) de respectieve delen 1, 5 en 4 van de huwelijkscantate met bescheiden tekstaanpassingen tot de delen 1, 3 en 5 van de Pinkstercantate; hij vervangt specifieke gelegenheidsbepalingen door algemenere noties. In de teksten van de twee recitatieven (die door Bach opnieuw gecomponeerd moesten worden) legt hij een relatie met de evangelielezing van Eerste Pinksterdag, en nauwelijks met de epistellezing uit het boek Handelingen (2:1-13) die toch de voor Pinksteren centrale gebeurtenis van de uitstorting van de Heilige Geest behandelt. In de evangelielezing, Johannes 14: 23-31, beschouwt Christus het hart van de gelovige als de plek waar God domicilie kiest; daarnaar verwijst de cantatetekst: het hart als Tempel in deel (1), als Heiligtum in (2), als Wohnung (3), als Hütte en Haus (4). Het voor de titel en het openingskoor centrale begrip Feuer kon ongewijzigd blijven maar ondergaat een betekenisverschuiving: van de vurige liefde tussen twee huwenden naar het vuur van de Heilige Geest dat, volgens de Handelingentekst, als lekkende vlammetjes, c.q. vurige tongen boven de hoofden van de discipelen te zien was. In een cantate voor een grote feestdag als Pinksteren kunnen vanzelfsprekend trompetten en pauken niet ontbreken; de beide grootschalige hoekdelen (1) en (5) staan dan ook in het juichende D-groot, de toonsoort der trompetten. Naast strijkers en continuo zijn er verder twee hobo's aktief, en twee traverso's in aria (3). Het zeer uitgebreide openingskoor (1) heeft een da-capostruktuur; na een middendeel waarin het koper pauzeert, keert het eerste deel weer terug. Niet alleen zorgen de blazers in overdrachtelijke zin voor muzikaal Feuerwerk, ook de eerste violen volharden in een onrustig zestienden-motief dat flakkerende vlammetjes verbeeldt. Een ander opmerkelijk motief is de twee maten lang aangehouden toon waarmee de trompet het stuk opent, en die hij enkele malen, eventueel voorzien van een triller, zal herhalen; dat optreden wordt telkens direct geïmiteerd door een eveneens twee maten lange liggende noot van de continuo en een roffel van de pauken, en wordt door de zangstemmen overgenomen: de uitdrukking van het woord ewig. Met het secco recitatief (2) stelt de tenor zijn hart voor God open, waarop de alt namens alle uitverkorenen zijn vreugde over de nieuwe bewoning kan uitzingen in de centrale aria (3). Het is een wonderbaarlijke pastorale idylle, door velen tot één van Bachs mooiste aria's uitgeroepen, niet het minst door zijn magische sound: twee traverso's octaveren de partijen van 1e en 2e, door sordino´s gedempte violen. Hun syncopische melodie, boven een pulserende bas en lange noten van de altviool zorgt voor een wiegende beweging, langs rijke harmonieën (none-akkoorden!). Het liefdeslied van een huwende zieleherder - wiens hartstocht in de oorspronkelijke versie wordt vergeleken met die van de oud-testamentische Jakob voor zijn nichtje Rachel - liet zich vlekkeloos transformeren tot een illustratie van de mystieke band van Christus als bruidegom met zijn kerk. De weldaden die de kerk als verzameling van Gods uitverkorenen, bereiken motiveren de bas, in zijn eveneens slechts door continuo begeleide recitatief (4) tot een zegenspreuk die hem echter door alle uitvoerenden, met twee majestueuze Adagio-maten uit handen wordt genomen: Friede über Israel, een oud-testamentische wens (Psalm 128) die het christendom betrekt op de kerk. Daarmee is het feestelijke slotkoor geopend. Een uitbundig danklied, waarin ook koperblazers en pauken weer deelnemen. De tekst bestaat uit twee delen; beide delen worden ingeleid door een instrumentaal stuk dat vervolgens herhaald wordt met de koorpartijen erin opgenomen. Een karakteristiek stijgend achtsten-loopje herinnert aan het woord eilt uit de oorspronkelijke versie. ![]() |
|||||