|
|
|
|
|
|
J. S. BACH: Die Freude reget sich (BWV 36b) |
Beluister
deze cantate alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| Bestaan er behalve
B-films en B-wegen ook B-cantates? Nee,
achtervoegsels (a, b, c) achter BWV-nummers betekenen dat het
BWV-nummer verwijst naar een familie van soms slechts gedeeltelijk
overgeleverde cantates die, tengevolge van hergebruik van het muzikale
materiaal, grotendeels hetzelfde zijn. Familie BWV 36 is de grootste
die we kennen: Bach componeerde in 1725 een wereldlijke
huldigingscantate voor de verjaardag van een onbekende, oudere leraar
aan de Thomasschule (36c), hergebruikte de muziek van de aria's
waarschijnlijk in 1726 voor een verjaardagscantate voor de echtgenote
van zijn vroegere werkgever, Leopold von Anhalt-Köthen (36a),
breidde
de muziek - in twee fasen - met enkele koraalbewerkingen uit tot de
kerkelijke cantate BWV 36 voor 1e Advent 1731 (door Leusink uitgevoerd
onder bovengenoemde link), maar gebruikte de
huldigingsmuziek met alweer een nieuwe tekst nog eens in de cantate 36b
uit 1735 die u vandaag hoort. Ze is geschreven voor een onbekende
gelegenheid (verjaardag?), waarbij Bach met zijn Collegium Musicum
hulde bracht aan een lid van de vooraanstaande Leipziger familie
Rivinus (de familienaam valt in de tekst van de delen 2 en 4),
waarschijnlijk de rechtsgeleerde en hoogleraar Andreas Florens Rivinus
(1681-1755) die in 1735 rector van de Leipziger Universiteit was
geworden. De ‘familie BWV 36' getuigt van de continuïteit die er voor Bach en zijn tijdgenoten bestond tussen wereldlijke en goddelijke autoriteiten, en derhalve tussen beider huldigingsmuzieken. De muziek op de woorden wird Gottes Majestät verehrt (BWV 36/7) dient onveranderd voor een werelds verehrt man deine Gütigkeit (BWV 36b/7). De cantate bestaat uit een begin- en een slotkoor, met daartussen drie recitatief/aria-paren, voor achtereenvolgens tenor, alt en sopraan. Het centrale optreden van de alt wordt instrumentaal onderstreept: zijn/haar recitatief heeft strijkers-begeleiding terwijl de andere secco d.w.z slechts door continuo begeleid zijn, en de alt-aria wordt door strijkers en traverso begeleid, terwijl de andere aria's slechts trio's zijn. |
|||||
| 1.
KOOR Die Freude reget sich, erhebt die muntern Töne, Denn dieser schöne Tag läßt keinen ruhig sein. Verfolgt den Trieb, nur fort, ihr treuen Musensöhne, Und liefert itzt den Zoll in frommen Wünschen ein! 2. RECITATIEF (T) Ihr seht, wie sich das Glücke Des teuersten Rivins durch die gewohnten Blicke In dieser angenehmen Zeit Zu seines Hauses Wohl verneut. Der Segen krönet sein Bemühen, Das unsrer Philuris so manchen Vorteil schafft. Und dieser Segen macht durch seine starke Kraft, Daß Not und Ungemach von seiner Seite fliehen. 3. ARIA (T) Aus Gottes milden Vaterhänden Fließt seiner Kinder Wohlergehn. Er kann das Wahre, Gute schenken, Er gibt uns mehr, als wir gedenken, Und besser, als wir es verstehn. 4. RECITATIEF (A) Die Freunde sind vergnügt, Den Fest- und Gnadentag zu schauen; Sie können ihren Wunsch auf sichre Gründe bauen, Auf dessen Huld, der alles weislich fügt, Der manche Proben schon gewiesen, Daß dieser fromme Mann ihn tausendmal gepriesen. Allein! Wie? Dürfen wir auch froh bei seinem Glücke sein? Verschmähe nicht, du gütiger Rivin, Daß wir uns auch bemühn Und lassen itzt, dich zu verehren, Auch unsre Lieder hören. 5. ARIA (A) Das Gute, das dein Gott beschert, Und was dir heute widerfährt, Macht dein erwünschtes Wohlergehn Vor uns auch schön. 6. RECITATIEF (S) Wenn sich die Welt mit deinem Ruhme trägt, Den dein gelehrter Fleiß stets zu vermehren pflegt, Wenn deine Frömmigkeit ein wahres Muster gibet, Wie man dem Nächsten dient und Gott dabei doch liebet, Wenn sich dein edles Haus auf deine Vorsicht stützt, Wodurch es auch den Armen nützt, So sehn wir dies nur mit Bewundrung an, Weil unsre Dürftigkeit nichts Höhers wagen kann. 7. ARIA (S) Mit zarten und vergnügten Trieben Verehrt man deine Gütigkeit. Erschallet aber einst ein Lied, Das dich der Sterblichkeit entzieht, So sind wir auch darzu bereit. 8. KOOR; RECITATIEF (S, A, T) (K) Was wir dir vor Glücke gönnen, Wünscht man dir noch zehnmal mehr. (T) Ja wohl! Du hasts verdient, Wer dich aus deinem Ruhme kennt, Des Unrechts Geißel nennt; Hingegen der Gerechten Schirm und Schutz, Der bietet Not und Unglück Trutz. (K) Dich soll kein Verhängnis quälen, Nichts an deinem Wohlsein fehlen. (A) Dein ganzes Haus Seh als ein Tempel aus, Wo man mehr Lob als bange Seufzer hört, In dem kein Fall die süße Ruhe stört. (K) Diese Lust ergötzt zu sehr, Mehr als wir entdecken können. (S) Drum wirst du, großer Mann, verzeihen, Daß wir dabei, nach unsers Lehrers Treu, Uns auch mit ihm bei deinem Feste freuen; Doch auch, daß unsre Pflicht Nichts mehr von neuen Wünschen spricht. (K) Was wir dir vor Glücke gönnen, Wünscht man dir noch zehnmal mehr. |
Het opgewekte, concertante openingskoor (1) neemt de tekst, die zelf uit twee zinsneden bestaat, in zijn geheel tweemaal door. Zangers en instrumentalisten volharden in hun eigen motieven; met name de triolen in het orkest komen niet voor in de vocale partijen. De kortaffe uitroepen Verfolgt den Trieb verraden hun herkomst op de tekst Doch, haltet ein in het oorspronkelijke BWV 36c van 1725. Philuris waarvan de recitatief-tekst (2) spreekt is de allegorische personificatie van Leipzig. Van de recitatieven is de muziek vanwege de sterke tekstgebondenheid uiteraard steeds origineel en niet aan een vroegere versie ontleend. De tenoraria (3) is het enige deel in een mineur toonsoort; de hobo d'amore, oorspronkelijk (in 36c) ingezet voor de woorden Die Liebe führt mit sanften Schritten past natuurlijk ook uitstekend bij Gottes milden Vaterhänden. Het centrale recitatief/aria-paar (4,5) is in alle voorgaande versies voor de bas geschreven, maar hier aan de alt toebedeeld, waarschijnlijk op louter praktische gronden: geen bas beschikbaar met concertante kwaliteit, hij zingt in deze hele cantate alleen ripieno-partijen (d.w.z. met allen tesamen). In de aria (5) vergezelt de traverso de eerste viool. Het recitatief van de sopraan (6) is weer onbegeleid (secco), haar aria (7) een trio met traverso en basso continuo. Het woord schallet is in alle versies zorgvuldig gehandhaafd - achtereenvolgens in de vormen es schallet, denn schallt, denn schallet en (hier) Erschallet - omdat het zo aardig geïllustreerd wordt met het echo-effect op twee staccatonoten tussen solist en instrumentalist. Als slotkoor (8) fungeert een in eenheden van acht maten lang uitgesponnen vrolijke gavotte die driemaal wordt onderbroken door recitatieven voor de drie concertisten. | ||||
|
© Eduard van Hengel | ||||