J. S. BACH: Aus tiefer Not schrei ich zu Dir (BWV 38)

Beluister de opname van Harnoncourt, KarlRichter, Herreweghe of Leusink
Bach componeerde deze koraalcantate voor de 19e oktober 1724 op basis van één van de oudste en populairste koralen die Martin Luther samen met zijn muzikale compaan Johann Walther in 1524 in het Geystlich Gesangk Buchleyn te Wittenberg had publiceerd. Aus tiefer Not schrei ich zu Dir is een berijmde paraphrase van Psalm 130, die we ook in zijn Latijnse versie als De Profundis clamavi kennen. Het lied werd tijdens Luthers begrafenis gezongen. Het ligt ook ten grondslag aan de oudste cantate die we van Bach kennen, BWV 131, Aus der Tiefen uit 1707.
Dit lied uit de dageraad van de Reformatie behoorde standaard bij de 21e zondag na Trinitatis waarvoor Bach de cantate van vandaag schreef; de bijbehorende evangelielezing was Johannes 4:46-54, het verhaal van de hoveling wiens zoon op sterven ligt maar door Jezus wordt genezen. De cantate behandelt de centrale Lutherse notie dat voor de zondige mensheid genade uitsluitend bij God en dus niet in allerlei rituele verrichtingen te vinden is.
Zoals in koraalcantates gebruikelijk volgt Bach in het openingskoor en het slotkoraal letterlijk de koraaltekst; de tussenliggende  recitatief- en aria-teksten zijn bewerkingen van de ‘binnenverzen'.
Bij al die koraal-cantates van Bachs tweede jaargang zult u zich ongetwijfeld vroeg of laat afvragen waarom die binnenverzen, die toch al metrisch en berijmd zijn, zo nodig moeten worden om-gedicht. Zijn ze niet zonder meer geschikt voor recitatieven en aria's? In ‘technische' zin, d.w.z. qua metrum, rijm, verslengte en waar je nog meer op zou kunnen letten zijn de oorspronkelijke koraal-teksten voor recitatieven inderdaad niet minder geschikt dan de teksten die Bachs tekstdichters aanleverden. Maar ligt voor aria's al weer anders: de koraalteksten zullen zich in het algemeen niet lenen voor het hernemen van de eerste regels in een da-capostructuur. De ‘ongeschiktheid' blijkt echter vooral inhoudelijk van aard. De min of meer klassieke koraalteksten ontberen meestal het piëtistische sentiment en de affektgeladen inhoud waaraan Bachs tijd, zijn superieuren en toehoorders behoefte hadden. Dat blijkt het scherpst wanneer je de oudste koraalteksten, die van Luther zelf, vers voor vers vergelijkt met wat Bachs tekstdichter er van maakt. Dan zie je (in de tekst van vandaag) dat hij hoofdzakelijk Sündengreuel, ein geängstigtes Gemüte, Leiden, Trübsal, Ketten, Unglück, Satans Trug und List en een Nacht der Not und Sorgen toevoegt aan de van origine veel gedragener en theologisch diepergaande Lutherteksten. De oorspronkelijke teksten zijn, als ik mij een waardeoordeel mag permitteren, eigenlijk veel sterker.
1. KOOR
Aus tiefer Not schrei ich zu dir,
Herr Gott, erhör mein Rufen;
Dein gnädig Ohr' neig her zu mir
Und meiner Bitt sie öffne!
Denn so du willt das sehen an,
Was Sünd und Unrecht ist getan,
Wer kann, Herr, vor dir bleiben?



Voor de openingskoren op oude en eerbiedwaardige koraalteksten en -melodieën blijkt Bach stelselmatig (in cantates 2, 14, 38, 80, 121) de ouderwetse vorm (stile antico) van het laat-renaissancistische koraal-motet te kiezen, een polyfone a-cappella compositie waarin de instrumenten geen zelfstandige partijen hebben, maar slechts de vocale partijen meespelen (colla parte). Bach versterkt het archaïsch karakter van zijn openingskoor (1) - evenals van het slotkoraal (6) - door behalve strijkers en hobo's ook - ouder gewoonte - trombones met de zangstemmen te laten meespelen1).
Zonder de concertante voor-, tussen- en naspelen (ritornels) die in andere koraalfantasieën de vocale verwerking van de koraalzinnen motivisch bij elkaar houden leiden de zeven regels van het eerste couplet van Aus tiefer Not dus tot zeven, direct op elkaar aansluitende stukken muziek; elke nieuwe regel begint in het slotakkoord van de vorige, en ze hebben allemaal eenzelfde opbouw: de drie lage stemmen (tenor, alt, bas) introduceren - veelal in die volgorde - fugatisch elke nieuwe zin, waarna ze hun weg vervolgen met contrapunten (tegenstemmen) op hun collega's, en tenslotte verschijnt de sopraan die de koraalregel als cantus firmus in dubbel zo lange noten zingt. Onderwijl zingen de laagste stemmen motiefjes die de betreffende tekst illustreren: sprongen omhoog bij Herr Gott, erhöre mein Rufen, dissonanten (‘chromatiek') op Sünd' und Unrecht.en een langdurig bleiben. Het contrapunt op de Sünd-und-Unrecht-zin is een met halve toonsstappen dalend loopje, dat echter vervolgens ook stijgend (Un-recht!) klinkt.
De indruk van sobere, welhaast ascetische gestrengheid van het hele stuk wordt niet in de laatste plaats veroorzaakt doordat Bach de oude, voor-reformatorische kerktoonsoort (‘Phrygisch') handhaaft die Luther placht te gebruiken voor klaag- en boeteliederen. ‘Phrygisch' is de toonsoort die, zonder mollen of kruizen, alleen de witte toetsen op de piano gebruikt maar begint en eindigt op de E, d.w.z. voor tonaal-denkenden: e-klein zonder fis.
2. RECITATIEF (A)
In Jesu Gnade wird allein
Der Trost vor uns und die Vergebung sein,
Weil durch des Satans Trug und List
Der Menschen ganzes Leben
Vor Gott ein Sündengreuel ist.
Was könnte nun
Die Geistesfreudigkeit zu unserm Beten geben,
Wo Jesu Geist und Wort nicht neue Wunder tun?


Het secco-recitatief (2) voor de alt verwijst aan het slot naar neue Wunder, zoals ook sopraanrecitatief (4) van neue Zeichen spreekt: die begrippen komen in de koraaltekst niet voor, maar zijn een poging van de tekstdichter om de evangelielezing, zoals voorgeschreven,  in de cantate te betrekken.
3. ARIA (T)
Ich höre mitten in den Leiden
Ein Trostwort, so mein Jesus spricht.
    Drum, o geängstigtes Gemüte,
    Vertraue deines Gottes Güte,
    Sein Wort besteht und fehlet nicht,
    Sein Trost wird niemals von dir scheiden!


Het vriendelijke en opgewekte kwartet (3) voor tenor, twee hobo's en continuo, de enige echte aria in deze cantate, is met zijn aanstekelijke syncopes een verademing (Trostwort) na het zware serene openingskoor.
4. RECITATIEF (S)
Ach! Daß mein Glaube noch so schwach,
Und daß ich mein Vertrauen
Auf feuchtem Grunde muß erbauen!
Wie ofte müssen neue Zeichen
Mein Herz erweichen?
Wie? kennst du deinen Helfer nicht,
Der nur ein einzig Trostwort spricht,
Und gleich erscheint,
Eh deine Schwachheit es vermeint,
Die Rettungsstunde.
Vertraue nur der Allmachtshand
und seiner Wahrheit Munde!


De tekst van het sopraan-recitatief (4) heeft eigenlijk niets te maken met de koraaltekst en verwijst uitsluitend naar de evangelielezing; om de relatie met het koraal toch te leggen gebruikt Bach een in zijn oeuvre uniek middel: de continuo-bas speelt de gehele koraalmelodie, de eerste twee regels in A-Phrygisch, het vervolg in D-Phrygisch. Om die melodie tot zijn recht te laten komen moet het recitatief wel - ongebruikelijk - strak ritmisch, op de slag (a battuta) worden gezongen.
5. ARIA / TERZET (S, A, B)
Wenn meine Trübsal als mit Ketten
Ein Unglück an dem andern hält,
So wird mich doch mein Heil erretten,
Daß alles plötzlich von mir fällt.
Wie bald erscheint des Trostes Morgen
Auf diese Nacht der Not und Sorgen!


Het terzet (5) voor alt, tenor en bas met uitsluitend continuo-begeleiding bestaat uit twee door ritornels omlijste delen: Trübsal (beproevingen) met schrijnende halve tonen, en Trost met een vrolijke, stijgend gebroken drieklank, maar bij Nacht der Not und Sorgen keert het aanvankelijke Trübsal-motief weer terug. Hoewel de zelfstandige instrumentale inleiding anders doet verwachten verliest het continuo met de entree van de bas zijn zelfstandigheid. waardoor dit terzet eigenlijk een zuiver vokale compositie is die - ondanks zijn lyrisch karakter maar mede dankzij zijn imitatieve stijl - aan (1) herinnert.
6. KORAAL
Ob bei uns ist der Sünden viel,
Bei Gott ist viel mehr Gnade;
Sein Hand zu helfen hat kein Ziel,
Wie groß auch sei der Schade.
Er ist allein der gute Hirt,
Der Israel erlösen wird
Aus seinen Sünden allen.


Het slotkoraal (6), een eenvoudige vierstemmige harmonisering van het vijfde en laatste couplet van Luthers lied, is opmerkelijk vanwege het nadrukkelijke dissonante akkoord waarmee het begint.

Diverse uitvoeringen waaraan ik deelnam konden zich de inzet van een trombonekwartet niet permitteren, het gaat weliswaar slechts om stem-verdubbeling maar bepaalt wel het coloriet van 't stuk en dus vind ik dat erg jammer. Als represaille, en om mijn onafhankelijkheid als tekstschrijver inhoud te geven tracteer ik u daarom op een complementaire uitvoering van Deel 1 en Deel 6: we schrappen nu maar eens de strijkers en de hobo's, er klinkt louter koper, geweldig! (De uitvoering is door His Majestys Sagbutts and Cornetts o.l.v. Timothy Roberts (A Bach Album, Hyperion CDA67247). Dit biedt u bovendien de gelegenheid om het complexe openingskoor nog eens aandachtig te beluisteren want dat is exemplarisch voor wat ik altijd als de diepere betekenis heb beschouwd van Bachs gebruikelijke slotformule SDG (Soli Deo Gloria, Alleen ter ere Gods): wat in dit stuk allemaal gebeurt kan alleen Hij en geen gewoon mens, en zeker niet de éénmalige toehoorder, bevroeden.
omhoog


© Eduard van Hengel