|
|
|
|
|
|
J. S. BACH: Am Abend aber desselbigen Sabbats (BWV 42) |
Beluister
deze
cantate alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| In het spoor
van de negentiende eeuwse Bachausgabe plachten wij een
onderscheid te maken tussen "solocantates" en cantates
waaraan een koor te pas komt, waarbij cantates zoals BWV
42 waar "het koor" slechts een slotkoraal te zingen heeft,
tot de solocantates worden gerekend. Wij weten inmiddels
dat deze onderscheidingen op Bachs uitvoeringspraktijk
niet van toepassing zijn. Zijn concertisten zongen aria's,
koren en koralen. Wanneer er - zoals vandaag - vier
solopartijen (aria's en recitatieven) zijn, verandert het
aantal zangers niet meer wanneer er een koor of koraal aan
wordt toegevoegd. Aria's, duetten, terzetten en koren
werden bij Bach door 1, resp. 2, 3 of 4 zangers
uitgevoerd; hij had niet de mogelijkheid, en
waarschijnlijk ook niet de behoefte, om voor een "koor"
ineens 20 of 80 zangers te laten opdraven. Er is dus ook
geen reden om te veronderstellen dat Bach, door geen
openingskoor te componeren in zijn, voor de zondag na
Pasen (8 april 1725) bestemde BWV 42, zijn "koor" zou
hebben willen ontzien na de inspannende Paasmarathon: de
Johannes-Passion (2e versie) op Goede Vrijdag, het
Osteroratorium en de cantates BWV 6 en 4 op de drie
Paasdagen. In BWV 42 moeten al Bachs concertisten
presteren, zij zingen alleen geen gezamenlijk koor. Het ongebruikelijk grote aantal kopiïsten dat - op nogal chaotische wijze - betrokken was bij het uitschrijven van de - nog steeds bewaard gebleven - partijen suggereert wel dat de cantate onder grote tijdsdruk tot stand kwam en Bach waarschijnlijk om die reden van een openingskoor afzag, ten gunste van een instrumentale sinfonia die hij vermoedelijk reeds in Köthen had gecomponeerd. |
|||||
| 1. Am Abend
aber desselbigen Sabbats, da die Jünger versammlet
und die Türen verschlossen waren aus Furcht
für den Jüden, kam Jesus und trat mitten ein. 2. Wo zwei und drei versammlet sind In Jesu teurem Namen, Da stellt sich Jesus mitten ein Und spricht darzu das Amen. Denn was aus Lieb und Not geschicht, Das bricht des Höchsten Ordnung nicht. 3. Verzage nicht, o Häuflein klein, Obschon die Feinde willens sein, Dich gänzlich zu verstören, Und suchen deinen Untergang, Davon dir wird recht angst und bang: Es wird nicht lange währen. 4. Man kann hiervon ein schön Exempel sehen An dem, was zu Jerusalem geschehen; Denn da die Jünger sich versammlet hatten Im finstern Schatten, Aus Furcht für denen Jüden, So trat mein Heiland mitten ein, Zum Zeugnis, daß er seiner Kirche Schutz will sein. Drum laßt die Feinde wüten! 5. Jesus ist ein Schild der Seinen, Wenn sie die Verfolgung trifft. Ihnen muß die Sonne scheinen Mit der güldnen Überschrift: Jesus ist ein Schild der Seinen, Wenn sie die Verfolgung trifft. 6. Verleih uns Frieden gnädiglich, Herr Gott, zu unsern Zeiten; Es ist doch ja kein andrer nicht, Der für uns könnte streiten, Denn du, unsr Gott, alleine. Gib unsern Fürsten und allr Obrigkeit Fried und gut Regiment, Daß wir unter ihnen Ein geruhig und stilles Leben führen mögen In aller Gottseligkeit und Ehrbarkeit. Amen. |
De uitgebreide
openingssinfonia
(1) is,
vergelijkbaar met diverse Brandenburgse concerten,
ontworpen als een groepsconcert voor twee instrumentale
koren: strijkers tegenover houtblazers (2 hobo's en
fagot), een bezetting die tot een stereofonische
opstelling uitnodigt. De twee groepen treden aanvankelijk
afwisselend op en introduceren eigen thematisch materiaal
dat echter gaandeweg wordt uitgewisseld. Na een kort,
contrasterend en lyrisch middendeel (cantabile) keert al
snel de oorspronkelijke thematiek terug, nog
vóór het da-capo
is begonnen. Deze warme en lieflijke sinfonia wil
ongetwijfeld herinneren aan de Paasgebeurtenissen; ze
ademt de contemplatieve rust van een landschap in
schemering, waarin de Emmausgangers - zes dagen eerder in
BWV 6, Bleib bei uns
den es will Abend werden - de voor hen
teleurstellende executie van Jezus bespraken, niet
vermoedend dat de met hen oplopende vreemdeling de
opgestane Christus was. De evangelietekst voor de zondag na Pasen, zondag Quasimodogeniti of Witte Zondag, is Johannes 20: 19-31 waarin wordt verteld hoe de discipelen, angstig bijeen achter gesloten deuren, plotseling Christus in hun midden vinden. Uitsluitend het eerste vers van deze tekst maakt Bachs onbekende tekstdichter tot thema van de cantate, door het te generaliseren tot een belofte voor alle tijden: wees niet bang voor bedreigingen uit een boosaardige buitenwereld want waar twee of drie in Christus' naam bij elkaar zijn, zal hij hen beschermen. De tenor draagt in secco recitatief (2) de titel- en thematekst voor. Het begeleidend continuo is gesplitst: strijkers (cello, violone) en clavecimbel spelen angstig sidderende zestienden terwijl fagot en orgel maten lang volharden in een onheilspellend dissonant septiemakkoord, totdat Jesus de spanning wegneemt. Voor de bemoedigende altaria (3) slaat de tekstdichter met behulp van de bekende tekst "waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn..." (Matth.18:20) een brug van de angstig voor de joden schuilende discipelen naar de in andere tijden en situaties met andere bedreigingen geconfronteerde christenen. Rust en vertrouwen keren terug. Tegen een harmonisch strijkersdecor trekken de twee hobo's veelzijdig gefigureerde lijnen; meestentijds imiteren ze elkaar maar waar Jesus binnentreedt vervallen zij in melodische unanimiteit. De rijke orkestratie (tutti) suggereert dat deze aria een bewerking zou kunnen zijn van het langzame middendeel van het concert waaraan de sinfonia werd ontleend. Wel zal Bach er het snellere, slechts door continuo begeleide middendeel aan hebben toegevoegd, wat, samen met de da-capo-struktuur deze mooie aria wel erg lang maakt. Het duet (4) voor sopraan en tenor is uitzonderlijk omdat het zijn tekst ontleent aan een bekend koraal, zonder dat de melodie daarvan ergens te herkennen valt. Jakob Fabricius schreef Verzage nicht etc in 1632, in het holst van de Dertigjarige Oorlog, een tijd van zware beproevingen. Opnieuw is het continuo gesplitst en weer is het doel: uitbeelding van bedreiging. Fagot en cello spelen hardnekkig (ostinaat) een hoekige, onheilspellende figuur vol dissonante voorhoudingen boven rustige harmonieën van het orgel en de (eventuele) rest van de continuogroep. Tegen die dominerende achtergrond klinkt de oproep tot standvastigheid van sopraan en tenor nogal weerloos en kwetsbaar. Als in een motet krijgt elk van hun zinsneden zijn eigen motief: op Häuflein maken ze zich homofoon klein, verstören gaat met stormachtige imitaties, bij suchen dolen ze acht maten lang in canon achter elkaar aan, op angst und bang schrikt de tenor tot driemaal toe met een adembenemende dalende septiemsprong. Maar opnieuw maakt angst plaats voor zelfvertrouwen in het belerend en weinig poëtisch bas-recitatief (5); in het arioso slot onderstreept het continuo het Wüthen der Feinde met een kort agressief motief. De bas vervolgt (6) met één van die uitgelaten aria's voor twee vrolijk achter elkaar aan hollende en imiterende soloviolen, in dit geval niet de aanvoerders van 1e en 2e violen maar (volgens de overgeleverde partijen, om welke reden dan ook) twee spelers van de eerste viool. De bas verkondigt, zelfverzekerd en als een fanfare, dat Jezus de zijnen beschermt. Tegelijk vormt zijn partij een vreedzaam rustpunt tegenover de tumultueuze strijkersbegeleiding; pas op Verfolgung laat hij zich verleiden tot een jachtige tekstillustratie. Alle twijfel is geweken wanneer koor en alle instrumentalisten het lange slotkoraal Verleih' uns Frieden (7) aanheffen waarvan Martin Luther rond 1530 tekst en muziek ontleende aan de voorreformatorische, Ambrosiaanse hymne Da pacem Domini, en daaraan een vervolg hechtte dat de zegen afroept over de wereldlijke autoriteiten. |
||||
|
© Eduard van Hengel | ||||