J. S. BACH: Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist (BWV 45)

Beluister opnames van Leonhardt, Rilling,
Richter (1959), Koopman, ChinRochester, Leonhardt Chapelle Royale, Gardiner, Leusink.
Zondag 11 augustus 1726 is het de derde keer dat Bach een cantate voor de achtste zondag na Trinitatis, negen weken na Pinksteren, ten doop houdt. Uitgangspunt voor een cantate op die dag dient te zijn de voorgeschreven evangelielezing, Matteüs 7: 15-23, het slot van de Bergrede van Jezus. In zijn eerste Leipziger seizoen had Bach voor die dag de cantate Erforsche mich, Gott (BWV 136, 1723) gecomponeerd, een waarschuwing tegen huichelarij en valse profeten die nauw aansluit bij deze evangelielezing; een jaar later, in het kader van zijn koraalcantatejaargang, schreef hij BWV 178 (1724), die meer betrokken is op het koraal Wo Gott der Herr nicht bei uns hält dan op de evangeliepericoop.
Als Bach in de zomer van 1726 BWV 45 componeert heeft hij enkele maanden geen nieuwe cantates meer geschreven maar (o.m.) achttien cantates uitgevoerd van zijn aan het hof te Meiningen werkzame neef Johann Ludwig Bach, cantates die allemaal zijn gebaseerd op een in 1705 gepubliceerde bundel cantateteksten van Ludwigs werkgever, Hertog Ernst Ludwig von Sachsen-Meiningen. Al deze cantates hebben eenzelfde, tweedelige en symmetrische structuur: een oud- resp. nieuwtestamentische bijbeltekst aan het begin van beide delen, gevolgd door een - gespiegelde - recitatief/aria-combinatie en een slotkoraal.
Als Bach medio 1726 zelf weer stevig gaat componeren, schrijft hij zeven cantates op teksten uit deze intussen twintig jaar oude bundel. Tot deze groep van tweedelige cantates, uit te voeren voor en na de preek, behoort BWV 45.
Als nieuwtestamentische tekst van deel (4), opening van de tweede cantatehelft, dienen de laatste twee verzen van de bijbellezing (Matteüs 7: 22-23), een veroordeling van degenen die het geloof slechts lippendienst bewijzen. In het Oude Testament vond de tekstdichter bij één der kleinere profeten, Micha 6:8, een samenvatting van Gods geboden die de nieuwtestamentische visie dichter benadert dan de tien geboden of de mozaïsche wetten.
DEEL I

1. KOOR
»Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist
und was der Herr von dir fordert, nämlich:
Gottes Wort halten und Liebe üben
und demütig sein vor deinem Gott.«

De strenge, dogmatische tekst uit het boek Micha waaraan de cantate zijn titel ontleent en waarop de gerijpte Bach het imposante openingskoor (1) componeert, bestaat uit twee zinnen, gescheiden door het woordje nämlich. De eerste zin, Es ist dir gesagt t/m fordert, is strikt genomen slechts de inleiding tot de feitelijke geboden. Om het gezag en de eerbiedwaardigheid van de geboden tot uitdrukking te brengen zal Bach deze tekst (A) ouderwets polyfoon behandelen, in een koorfuga. Voor de meer inhoudelijke vervolgtekst, Liebe & Demut (B) kiest hij een meer homofone stijl, met hergebruik van het fugathema. Deze tweeledige kern van het stuk wordt voorafgegaan door een ‘preludium’ en gevolgd door een reprise.
Het ‘preludium’ bestaat zelf ook weer uit twee delen, een instrumentaal en een vocaal deel. De instrumentale inleiding (‘ritornel’) bevat alle elementen die later als orkestbegeleiding en als intermezzo tussen de delen zullen terugkeren; het zal ook, geheel of gedeeltelijk worden herhaald met vocale partijen daarin ingebouwd, zie onderstaand schema. Het muziekvoorbeeld geeft het thema, dat later als fugathema zal dienen maar nu dus eerst louter instrumentaal klinkt, in de unisono spelende tweede viool, hobo en traverso, en vervolgens wordt verwerkt tot een 36 maten lang voorspel.


Het vocale preludium van 18 maten behandelt nog uitsluitend de eerste vier woorden Es ist dir gesagt, de 'inleiding op de inleiding', en doet dat in drie zéér korte fuga’s, op de kop van het fugathema; deze minifuga’s, in wisselende stemmenvolgorde, eindigen telkens in een homofone scandering van het Es ist dir gesagt. Ze krijgen een onafhankelijke, concertante begeleiding van achtereenvolgens traverso’s, hobo’s en strijkers. De betreffende vier woorden klinken per minifuga negen keer, in totaal dus 27 keer: 3x3x3 of 33. Behalve dat deze fuga'tjes (als een soort driewerf “Hiep, hiep, hiep ....”) vooruitwijzen naar wat komen gaat, kan alle drievuldigheid ook verwijzen naar de drie geboden van de B-tekst.
(A) Pas in het hoofddeel op de volledige eerste tekstregel, de fuga op bovenstaand thema (m. 54 vv.) nemen alle instrumentalisten (tutti) deel aan de begeleiding, maar slechts colla parte de zangers volgend: de eerste violen, traverso en hobo met de sopraan, de tweede met de alt, altviolen met tenor en de continuogroep met de koorbas. Na de expositie van de fuga gaan de vocale stemmen colla parte met de instrumenten in een herhaling van het laatste deel van het ritornel: ‘koor-inbouw’ (m. 79).
(B) Na een kort instrumentaal tussenspel en een nadrukkelijk Nämlich wordt de tweede tekstregel (Gottes Wort halten etc.) tweemaal behandeld op een minder strakke, homofone manier. Eerst klinkt het fugathema nog in sopraan en alt, in mineur, boven korte canons van bas en tenor; de tweede maal is de koorzang wederom ingebouwd in de herhaling van het ritornel. Terloops blijken de lange noten die we ons al uit de instrumentale inleiding herinneren een illustratie te zijn van het halten (nl. aan Gods Woord) terwijl een dalend lijntje demütig verbeeldt. 
Reprise Na een wat langer ritornelfragment ten slotte keren alle woorden en motieven in een  nog eens gecomprimeerd terug; ook de minifuga’s worden herhaald maar de stemmenvolgordes en de instrumentale begeleiders zijn verwisseld. Ten slotte wordt het ritornel  integraal herhaald met ingebouwde koorpartijen; daardoor klinkt het fugathema ook nog weer eens in de alt (m. 186) en de sopraan (m.192).
Dit heel lange stuk, 228 maten,vijf minuten sprankelende en energieke muziek, combineert met zijn complexe architectuur een grote verscheidenheid van muzikale vormen met een heel beperkte hoeveelheid muzikale motieven. Een strenge boodschap, in opgewekte verpakking.

R E P R I S E
1 37 54
77 101 107 126 128 158 169 186 200
P R E L U D I U M Gottes Wort rit. Liebe, Demut rit. Liebe, Demut P R E L U D I U M Gottes
Wort
Liebe,
Demut
ritornel vocaal F U G A rit. inbouw homofoon homofoon ritornel vocaal inbouw

54  60 67 73
 S A T B


fuga S/A
canon T/B
inbouw
inbouw




colla parte
15 - 37 1 - 15 15 - 37

1  -  37
2. RECITATIEF (T)
Der Höchste läßt mich seinen Willen wissen
und was ihm wohlgefällt;
er hat sein Wort zur Richtschnur dargestellt,
wornach mein Fuß soll sein geflissen
allzeit einherzugehn
mit Furcht, mit Demut und mit Liebe
als Proben des Gehorsams, den ich übe,
um als ein treuer Knecht dereinsten zu bestehn.
In het alleen door continuo begeleide recitatief (2) erkent de tenor dat deze geboden hem tot richtsnoer voor het leven dienen. Hij beschouwt zich als ein treuer Knecht, die weet waarvoor hij verantwoording dient af te leggen, een verwijzing naar de heer/knecht-parabelen uit het evangelie van Lucas (12: 42-47; 16: 1-9).

3. ARIA (T)
Weiß ich Gottes Rechte,
was ists, das mir helfen kann,
wenn er mir als seinem Knechte
fordert scharfe Rechnung an?
Seele! denke dich zu retten,
auf Gehorsam folget Lohn;
Qual und Hohn
drohet deinem Übertreten!

Alle strijkers begeleiden de tenor in zijn aria (3). Hij geeft uitdrukking aan twee verschillende affecten, een bij Bach niet ongebruikelijke zonde tegen de regel dat een aria slechts één affect kan dienen. In de eerste plaats is er de schijnbaar luchtige, menuet-achtige dansvorm, in 3/8 maat, met sterk ritmiserende syncopes en opgebouwd in regelmatige eenheden van vier en acht maten; uitdrukking van tevredenheid te weten wat God van ons verlangt. De eerste noten van het continuo (die nog enkele malen worden herhaald) imiteren het Es ist dir gesagt (muziekvoorbeeld).
Maar anderzijds is er de niet te missen dreigende ondertoon: zal ik aan Gods hoge standaarden kunnen beantwoorden? Er zal streng worden geoordeeld, er dreigt Qual und Hohn. Niet voor niets kiest Bach een mineur toonsoort (cis-klein) die zich met zijn vier kruizen (zwarte noten op de piano) aan de grens bevindt van wat in de toenmalige getempereerde stemmingen als speelbaar werd beschouwd. En hij overschrijdt die grens van de welluidendheid door bijvoorbeeld op het woord scharfe (Rechnung) nog weer verder ‘omhoog’ te moduleren, naar de buitennissige toonsoort Gis-groot, met nog meer kruizen, die niet toevallig in het Engels ‘sharps’ heten; in het notenschrift vergt dat regelmatig ‘dubbele kruizen’ waarvoor destijds zelfs nog geen teken (dubbel kruis) bestond (Bach noteert doodleuk een kruis voor een noot die blijkens de voortekening aan de balk toch al verhoogd was). Een passage als in het tweede muziekvoorbeeld (m.55-58) vinden we ook weer bij Qual und Hohn. Wanneer die woorden nog eens worden herhaald (m. 124) laten zelfs de begeleidende strijkers de tenor in de steek; zij keren pas in maat 143 terug voor een ongewijzigde herhaling van het inleidende ritornel. In deze aria dus geen da capo, maar een tweeledige structuur.
DEEL II

4. ARIOSO (B)
»Es werden viele zu mir sagen an jenem Tage: Herr, Herr, Herr,
haben wir nicht in deinem Namen geweissaget,
haben wir nicht in deinem Namen Teufel ausgetrieben?
haben wir nicht in deinem Namen viel Taten getan?
Denn werde ich ihnen bekennen:
Ich habe euch noch nie erkannt,
weichet alle von mir, ihr Übeltäter!«

De tweede helft van de cantate, uit te voeren tijdens de communie na de preek, begint (4) met de nieuwtestamentische bijbeltekst, het slot van de evangelielezing, Matteüs 7: 22-23. Het stuk is gecomponeerd als een solo voor de bas, die hier de Vox Christi belichaamt, en Bach betitelt dat - zoals vaker - als ‘arioso’ omdat het geen pas geeft zo’n tekst, als ware het een aria, te beschouwen als een subjectieve gevoelsuiting. Maar Bachs uitgebreide zetting heeft verder alle kenmerken van een aria, want de evangelietekst is allerminst affectneutraal: kernwoord is het verachtelijk weichet! jegens alle Übeltäter, de hypocrieten, valse profeten en de onoprechten die slechts lippendienst bewijzen. De opgewonden figuren van de eerste violen, die de gehele begeleiding domineren, gebruikt de bas dan ook stelselmatig voor lange melisma’s op de woorden weichet en alle. Ook deze ‘aria’ is tweedelig: de lange eerste zin wordt tweemaal doorgenomen, waarbij het driewerf Herr eerst in stijgende en dan in dalende lijn wordt gearticuleerd, en het ausgetrieben wordt geaccentueerd met een figuur (zie hiernaast) die ook regelmatig in de basso continuo optreedt. Fragmenten van de instrumentale inleiding (ritornel)  van twaalf maten dienen ter begeleiding van de bas, maar het ritornel wordt ook integraal herhaald met de solopartij daarin ingebouwd, vanaf m. 25 en aan het slot (m. 57-69).
5. ARIA (A)
Wer Gott bekennt
aus wahrem Herzensgrund,
den will er auch bekennen.
   Denn der muß ewig brennen,
   der einzig mit dem Mund
   ihn Herren nennt.
Na alle dreigende taal in het voorafgaande heerst er een vredige sfeer in aria (5): een intieme persoonlijke belijdenis van de gelovige alt, corresponderend met een kamermuzikaal format. De alt wordt slechts begeleid door een serene traverso boven een in regelmatige achtsten voortstappende continuobas: een triosonate, contrasterend met de ruime bezettingen tot hiertoe. Hoewel ook deze tekst nog dreigende vooruitzichten schetst (ewig brennen), is daarvan in de muziek weinig te merken, al wordt het woord ewig tot viermaal toe met weinig variatie door een kort melisma onderstreept. Alt en traverso delen geen thematiek; de lange zestiendenguirlandes van de traverso worden door de alt beantwoord met lange coloraturen op bekennen. Deze aria heeft een volledige da-capostructuur: het A-deel wordt na het B-deel enigszins gewijzigd herhaald, zodat het B-deel, over de huichelaars, niet meer dan een kwart van de aria in beslag neemt.
6. RECITATIEF (A)
So wird denn Herz und Mund
selbst von mir Richter sein,
und Gott will mir den Lohn
nach meinem Sinn erteilen:
Trifft nun mein Wandel nicht nach seinen Worten ein,
wer will hernach der Seelen Schaden heilen?
Was mach ich mir denn selber Hindernis?
Des Herren Wille muß geschehen,
doch ist sein Beistand auch gewiß,
daß er sein Werk durch mich
mög wohl vollendet sehen.
In de tekst van het slotrecitatief (6) zijn alle dreigementen verdwenen. De alt realiseert zich dat ze door Gods wil te negeren alleen haar eigen ziel schaadt, waarop de secco begeleiding van de continuogroep enig blijk van medeleven geeft. Maar God wil haar wel helpen.
7. KORAAL
Gib, daß ich tu mit Fleiß,
was mir zu tun gebühret,
worzu mich dein Befehl
in meinem Stande führet!
Gib, daß ichs tue bald,
zu der Zeit, da ich soll;
und wenn ichs tu, so gib,
daß es gerate wohl!
Waarna in het slotkoraal (7) die hulp namens de gelovige schare ook inderdaad wordt ingeroepen. Tekst en melodie zijn het tweede couplet van O Gott, du frommer Gott, een lied uit 1630 van Johann Heermann (1585-1647), dominee te Köben, het thans Poolse Chobienia; zijn werkzame leven viel grotendeels samen met de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Hij was de belangrijkste lieddichter in de periode tussen Martin Luther en Paul Gerhardt. Bachs vierstemmige harmonisering wordt colla voci door de instrumenten meegespeeld, waarbij de sopraanmelodie door alle blazers en de eerste violen wordt gesteund.
omhoog


© Eduard van Hengel