|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||
J. S. BACH: Wo soll ich fliehen hin? (BWV 5) |
Beluister
deze
cantate
alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
| Bach componeerde
zijn cantate 5 voor de negentiende zondag na
Trinitatis in 1724 (15 oktober); hij is dan bezig met zijn tweede
jaargang kerkcantates en heeft zich voorgenomen dit jaar uitsluitend
cantates te schrijven die zijn gebaseerd op tekst en melodie van een
lied uit de kerkelijke gezangenbundels, de ‘koralen'. Wo soll ich fliehen hin? is de
eerste regel van een koraal dat in 1630, temidden der verwoestingen van
de Dertigjarige Oorlog (1618 - 1648) werd geschreven door de pastor
Johann Heermann (1585-1646), en dat werd gezongen op een melodie die
ook werd gebruikt voor Auf meinen
lieben Gott, en die we met die tekst dus ook elders
(bijvoorbeeld in cantate 188) kunnen tegenkomen. Wo soll ich fliehen hin? was niet
specifiek voorgeschreven voor de 19e Zondag na Trinitatis, het gold als
een boete- en troostlied, en houdt dus slechts losjes verband met de
evangelietekst voor deze zondag, Mattheus 9: 1-8, waarin Jezus een
verlamde geneest met de woorden "uw zonden zijn u vergeven". Heermanns lied telt 11 coupletten, die een ontwikkeling volgen welke ook in de cantate terugkomt: van donker naar licht, van uitzichtloos zondebesef naar vertrouwen dat Jezus' lijden en sterven de gelovigen van hun zondenlast bevrijdt. Overeenkomstig het voor Bachs
illustreert; de tweede koraalregel wordt tot een vergelijkbaar dalend
motief gecomprimeerd. Deze verkorte koraalmotieven worden aangevuld met
een verward patroon van haastige, in alle richtingen vluchtende
zestienden die we ook kennen uit de koraalvoorspelen voor orgel (BWV
646 en 694) die Bach op dit koraal baseerde, en die onmiskenbaar een
muzikaal equivalent moeten schetsen van het doelloze Wohin? van de opgejaagde zondaar.
De drie lagere koorstemmen begeleiden de sopraan met een complex
weefsel van elkaar imiterende lijnen die eveneens voortbouwen op de -
stijgende en dalende - gecomprimeerde motieven die het orkest
introduceerde.Het intieme, slechts door continuo begeleide bas-recitatief (2) heeft nog de sfeer van de gekwelde zondaar: de begeleidende harmonieën springen van het ene om oplossing vragende septiemakkoord naar het andere. Maar de gelovige beseft inmiddels dat zijn onreine, van zonde doortrokken geest het antwoord op de Wohin?-vraag slechts kan vinden in een wending tot Christus, die werd gekruisigd ter vergeving van de zonden der mensheid. Dat wordt - hier en in volgende delen - uitgedrukt met de bloed-metafoor: Christus' lijden en sterven reinigt de gelovige van zonden. Enigszins paradoxaal bezingt de cantatetekst zowel de kracht van één enkele druppel, als de overvloedige stromen van dat zonden-afwassend bloed. Die stromen zijn de kennelijke inspiratiebron voor de instrumentale begeleiding in tenoraria (3). De identiteit van het begeleidende strijkinstrument is echter wat onduidelijk. De componist vermeldt hem niet maar laat de noten noteren in de eerste vioolpartij doch in de alt-sleutel, hetgeen er op wijst dat hier - mede vanwege zijn gedekte timbre - een altviool kan zijn bedoeld; het zou (naast deel 6 in cantate 199, Mein Herze schwimmt in Blut, sic!) de enige plaats zijn waar de altviool een solistische (obligate) rol speelt. Daartegen spreekt echter dat in deze partij de extra, lage C-snaar, die de altviool van de viool onderscheidt, ongebruikt blijft. De partij wordt ook wel bedoeld geacht voor een violoncello piccolo (die in de cantate van één week later, BWV 180, voor het eerst (?) in Leipzig zou optreden), een viola pomposa of een viola da spalla (‘schouder-cello'). De overvloedig stromende zestienden van de instrumentale solist vormen een versiering van de partij van de tenor, die echter met zijn woorden wallen (bruisen, borrelen) en strömen aangeeft welke betekenis de voortdurend dalende toonladderfiguren hebben. In de continuobas horen we, direct vanaf het begin en regelmatig terugkerend, een schuifelend dalende figuur die het sinken der drückenden Lasten zou kunnen uitdrukken. Qua struktuur is deze triosonate strict da-capo: het begin wordt ongewijzigd herhaald na een middendeel waarvan de sfeer niet noemenswaard afwijkt. Die sfeer is dankzij de majeur toonsoort (Es-groot) en de briljante figuraties van de strijker al wat extraverter en optimistisch, maar blijft gedekt en ingetogen door de combinatie van twee stemmen in het tenor-register, en het zachte karakter van een mol-toonsoort. Enigszins badinerend werd deze aria door de BBC ooit (2005) aangeduid als een ‘baroque washing machine'. De inhoudelijke kentering van de cantate voltrekt zich in recitatief (4). Het op zichzelf reeds hartveroverende en harmonisch rijke secco recitatief van alt en continuo krijgt, ter onderstreping van zijn centrale rol, buitengewone allure door de hobo die boven alles uit de melodie van het kerklied speelt. Dit tekstloze en ritmisch strakke koraalcitaat, waarbij Bachs kerkgangers wellicht primair de tekst van Auf meinen lieben Gott te binnen schoot, bevestigt de persoonlijke belijdenis van de alt met de universele en onwankelbare zekerheid van de kerk. Op de woorden Angst und Pein daalt de continuobas een kwint in smartelijke halve-toons stappen (chromatisch). In zijn heroïsche, opera-achtige aria (5) trekt de vastberaden bas ten strijde tegen het kwaad, de duivelse legermacht (Höllenheer). Hij wordt begeleid door het volledige orkest waarin de twee hobo's unisono spelen met de eerste viool: de gelederen gesloten. Ook de trompet, die vaak het hemelse symboliseert, komt te hulp. (De trompet is in dit deel niet de schuiftrompet van de delen (1) en (7) maar een natuurtrompet wiens beperkte toonvoorraad hem in het lagere octaaf slechts een begeleidende rol met strijdlustige, ritmische signalen toestaat en alleen in het hogere, clarino-register gelegenheid geeft voor melodische bijdragen; hier vallen vooral zijn triomfantelijke triolen op.) Het drie-noten commando Verstumme, gevolgd door een illustratieve rust, is voortdurend aanwezig, ook wanneer het niet door de bas wordt gezongen. Na een wat terughoudender middendeel (piano) waarin de bas zijn respect jegens Christus' bloed betuigt, volgt ook in deze aria weer een volledig en ongewijzigd da-capo. Het woord verzagt (bang) wordt een paar keer verrassend geharmoniseerd, juist omdat dat niet gebeurt. De sopraan brengt in recitatief (6) de kracht van het enkele druppeltje van Christus' bloed in herinnering, die ook in het spiegelsymmetrisch geplaatste recitatief (2) aan de orde kwam. Ze opent daarmee het uitzicht op de eeuwigheid waarmee de cantate in het slotkoraal (7) besluit. Alle koorstemmen worden door instrumentalisten ondersteund, de sopraan zelfs door alle blazers, in een nogal verticale, van weinig polyfonie en doorgangsnoten voorziene harmonisering.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||