J. S. BACH: Jauchzet Gott in allen Landen! (BWV 51)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Onder de 200 nog resterende cantates van Bach is BWV 51 een heel uitzonderlijke. Het is een solocantate waaraan dus geen koor te pas komt, maar daarvan kennen we er wel twaalf, en zelfs voor sopraan bestaan er vier. Uniek aan BWV 51 is vooral de combinatie van solopartijen voor sopraan en trompet, die we bij Bach nergens elders aantreffen, maar wel bijv. bij Alessandro Scarlatti  (1660-1725) in Italië, en de extreme technische eisen die de zeer virtuoze solopartijen aan hun vertolkers stellen. Vanwege deze karakteristieken is BWV 51, met de bas-solocantates BWV 56 (Kreuzstab) en 82 (Ich habe genug), waarschijnlijk de meest gespeelde cantate, maar wel vooral op de grote concertpodia waar verder nauwelijks Bachcantates klinken, en dit al sinds de eerste helft van de vorige eeuw. Het is - daarom - ook de cantate waarvan de meeste opnames bestaan.
De vragen naar herkomst en bestemming - die voor de meeste cantates inmiddels moeiteloos beantwoord kunnen worden - hebben voor de populaire BWV 51 daarentegen nog steeds geen bevredigend antwoord. BWV 51 kreeg zijn thans bekende vorm in 1730, dus nadat Bach 90% van zijn cantates had voltooid maar het handschrift van de eerste drie delen is zo keurig dat daarvan waarschijnlijk een oudere versie heeft bestaan. Blijkens Bachs eigenhandige opschrift is hij bestemd voor de vijftiende zondag na Trinitatis (17 september 1730) maar de tekst houdt nauwelijks verband met de evangelielezing voor die dag (Mattheus 6:23-34, uit de Bergrede, "wees niet bezorgd over uw leven."); de cantatetekst behelst een vrij algemene lofprijzing die het begrijpelijk maakt dat Bach op het omslag toevoegde et per ogni tempo, ook voor algemeen gebruik. Het is bovendien tamelijk ondenkbaar dat BWV 51 op deze 17e september zal hebben geklonken in een Leipziger kerk, want daar werden alleen jongenssopranen getolereerd voor wie de sopraanpartij veel te moeilijk is. (Rifkin wees ooit op Bachs beste jongenssopraan aller tijden, Christoph Nichelmann (1717-1762), maar die verscheen pas september 1730 in Leipzig.) BWV 51 vraagt om een professioneel gekwalificeerde vrouwenstem of castraat*), dus klonk het stuk wellicht in Dresden waar we kunnen denken aan de beroemde castraat Giovanni Bindi (en niet aan de befaamde Venetiaanse operadiva en coloratuursopraan Faustina Bordoni, een goede bekende van Bach die echter pas in 1731 als echtgenote van de nieuwe hofkapelmeester J.A.Hasse in Dresden arriveerde.) Misschien ook schreef Bach BWV 51 voor een gelegenheid aan het hof te Weissenfels (waar hij titulair Hof-compositeur was) en was zijn vrouw Anna Magdalena, uit Weissenfels afkomstig, daar de solist.
Minder moeite kost de identificatie van de trompettist: Bach kon beschikken over Leipzigs destijds wereldberoemde senior-Stadtpfeifer Gottfried Reiche (1667-1734).
Blijkens gebruikssporen in het materiaal heeft Bach BWV 51 in later jaren nogmaals uitgevoerd, mogelijk met zijn studenten-ensemble Collegium Musicum, en bij een religieuze maar niet kerkelijke gelegenheid.
1. ARIA (S)
Jauchzet Gott in allen Landen!

Was der Himmel und die Welt
An Geschöpfen in sich hält,
Müssen dessen Ruhm erhöhen,
Und wir wollen unserm Gott
Gleichfalls itzt ein Opfer bringen,
Daß er uns in Kreuz und Not
Allezeit hat beigestanden.





2. RECITATIEF (S)
Wir beten zu dem Tempel an,

Da Gottes Ehre wohnet,
Da dessen Treu,
So täglich neu,
Mit lauter Segen lohnet.
Wir preisen, was er an uns hat getan.
Muss gleich der schwache Mund
von seinen Wundern lallen,

So kann ein schlechtes Lob
ihm dennoch wohlgefallen.



3. ARIA (S)
Höchster, mache deine Güte
Ferner alle Morgen neu.
    So soll vor die Vatertreu
    Auch ein dankbares Gemüte
    Durch ein frommes Leben weisen,
    Dass wir deine Kinder heißen.



4. KORAAL
Sei Lob und Preis mit Ehren
Gott Vater, Sohn, Heiligem Geist!
Der woll in uns vermehren,
Was er uns aus Gnaden verheißt,
Daß wir ihm fest vertrauen,
Gänzlich uns lassn auf ihn,
Von Herzen auf ihn bauen,
Dass unsr Herz, Mut und Sinn
Ihm festiglich anhangen;
Drauf singen wir zur Stund:
Amen, wir werdns erlangen,
Glaubn wir aus Herzensgrund.


5. Alleluja!


BWV 51 opent met een spectaculaire bravura-aria (1) waarin sopraan en trompet met elkaar wedijveren als in een Italiaans instrumentaal concert, met incidenteel concertante bijdragen van de eerste viool. Het unisono begin herinnert aan Vivaldi. De sopraan vertolkt haar uitbundige vreugde met coloraturen die zich over twee octaven uitstrekken en - evenals in het laatste deel - eenmaal tot de hoge C (c''') reiken. Als gelijkwaardigen spelen vocale en instrumentale solist elkaar de contrapuntische bal toe. In het meer contemplatieve middendeel, dat zeven van de acht tekstregels verwerkt, komen Opfer, Kreuz und Not aan de orde: de dominante toonsoort C-groot wijkt voor het parallelle a-klein en de trompet blijft op de achtergrond tot het aanvankelijke Jauchzet weer terugkeert.
Na de luidruchtige openingsaria volgt een ingetogen recitatief (2) waarvan de tekst ontleend is aan de psalmen 138:2 en 26:8. Ondanks alle italianiserende aspekten aan deze cantate (NB Zelfs Bach noemt BWV 51 een "cantate", wat hij overigens nooit doet, de meeste ‘cantates' noemt hij concerto.) krijgen we géén echt secco-recitatief. Het eerste deel is accompagnato: rustig pulserende strijkersakkoorden begeleiden een intiem gebed. Maar de strijkers trekken zich terug wanneer de tekst spreekt van der schwache Mund en lallen (stamelen) waarna de sopraan haar laatste twee regels tweemaal arioso vervolgt, onder een ritmische continuobegeleiding die volhardt in een - op verschillende toonhoogten - herhaald (ostinaat) motief van acht noten, behalve bij de woorden ein schlechtes Lob: daar imiteert het continuo de sopraannoten gespiegeld, in de omkering. De sopraan illustreert het lallen tweemaal met een uitvoerig, hakkelend en  rafelig melisma.
De introspectieve aria (3) handhaaft de sfeer van het recitatief: hij staat eveneens in a-klein en heeft slechts continuo-begeleiding. De gehele cantate wekt daardoor een driedelige, symmetrische indruk: een verstild middendeel tussen twee uitgelaten hoekdelen. Het ingehouden karakter van dit gebed vraagt van de sopraan een geheel ander soort virtuositeit in haar uitgebreide, expressieve coloraturen. De voortdurend in 12/8-maat soepel omhoog stromende baslijn verandert alleen even in een repeterend figuurtje ter illustratie van de woorden alle Morgen neu.
Als andere cantates eindigt ook deze met een koraal (4) maar nu niet simpel vierstemmig geharmoniseerd doch in de vorm van een koraalfantasie waarin de sopraan - zoals gewoonlijk, maar heel moeilijk voor ambitieuze operadiva's - het koraal zingt in strakke lange noten boven een aanstekelijke triosonate voor twee violen en continuo. De twee soloviolen (de altviool ontbreekt hier) weven een kunstig fugatisch stemmenweb, zelfverzekerd elkaar uitdagend en speels over elkaar heen buitelend. Het koraal is het - later toegevoegde - vijfde couplet van Johann Gramanns Nun Lob', mein Seel', den Herren (Königsberg, 1549), een berijming van Psalm 103.
Het koraal gaat direct over in een - door Bach toegevoegd - afsluitend Alleluja. Met de altviool keert ook de trompet weer terug en daarmee de briljante sfeer en de ongeremde virtuositeit van het begin. En opnieuw reikt de sopraan tot haar hoge, driegestreepte C.

*) Zelfs Leonhardt die in zijn integrale cantateprojekt met Harnoncourt consequent jongenssopranen inzet, koos hier voor de gedenkwaardige opname met Marianne Kweksilber.
omhoog


© Eduard van Hengel