J. S. BACH: Falsche Welt, dir trau ich nicht (BWV 52)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Falsche Welt, dir trau ich nicht” is de titel en eerste tekstregel van Bachs cantate BWV 52 die werd geschreven voor en het eerst uitgevoerd op zondag 24 november 1726, in dat jaar de 23e zondag na Trinitatis, en daarmee ook de laatste van dat kerkelijk jaar want een week later zou, met Eerste Advent een volgend liturgisch seizoen beginnen.
BWV 52 is een solocantate voor de sopraan, vergelijkbaar met de veel bekendere maar later gecomponeerde BWV 51, “Jauchzet Gott in allen Landen”; cantate 52 heeft alleen een slotkoraal voor vierstemmig koor. De cantate behoort tot een reeks van solocantates waarmee Bach pas in zijn vierde ambtsjaar te Leipzig begon en waarvan wij inmiddels (sinds een publicatie in 2015) kunnen weten dat de teksten van een groot deel ervan (de BWV nrs 169, 56, 49, 98, 55, 52, 58 en 82) werden geschreven door de toenmalige student en latere pastor Christoph Birkmann (1703 - 1771) die van 1724 tot 1727 in Leipzig studeerde, zong en speelde onder Bachs leiding, en gaandeweg van wiskunde, natuurwetenschap en muziek overstapte naar theologie. Karakteristiek voor Birkmanns teksten is dat ze, naar piëtistische smaak, in de “ik”-vorm (Ich, mein, mir etc) zijn gesteld en dus bij voorkeur als - italianiserende - solocantate worden getoonzet.
De evangelielezing voor de 23e zondag na Trinitatis, die uitgangspunt voor een cantate dient te zijn, is Matteüs 22: 15-22, waarin geleerde joden (‘farizeërs’) Jezus de strikvraag stellen of je de romeinse keizer belasting mag betalen. (“Ja”: je bent een ongelovige,”Nee“: je bent een revolutionnair). Jezus geeft een slim antwoord (zie Cantate 163 voor deze zelfde zondag in 1715) maar in de huidige cantate gaat het alleen om de arglistigheid, de valsheid en onbetrouwbaarheid van de wereld die wordt gecontrasteerd met de betrouwbaarheid van God. Formeel lijkt de cantate daarmee op BWV 55, eveneens op een libretto van Birkmann, die Bach een week eerder uitvoerde en waarin de zondige mens tegenover de barmhartige God staat. Hier omkaderen de instrumentale inleiding en het slotkoraal een recitatief/ariapaar (2/3) over de falsche Welt en één (4/5) over de getreue Gott.
Tegenover de bescheiden vocale bezetting staat een uitgebreide, een feestdag waardige instrumentale: behalve een continuogroep (met fagot) strijkers, drie hobo’s en twee corni da caccia, jachthoorns. Allen (tutti) spelen in de hoekdelen (1) en (6), strijkers begeleiden de eerste, hobo’s de tweede aria.
1. SINFONIA Zoals in diverse solocantates vervangt een instrumentale Sinfonia (1) het openingskoor. De muziek ervan ontleent Bach meestal aan oudere, reeds in Weimar of Köthen gecomponeerde concerti. In dit geval horen we een stuk dat iedereen zal herkennen als de opening van het eerste, in 1721 aan de Markgraaf van Brandenburg opgestuurde concert; maar in feite is het een oudere versie daarvan (BWV 1046a), nog zonder de briljante violino piccolo.
Het stuk is letterlijk als een ‘concerto’ gestructureerd: een muzikale wedijver tussen drie groepen instrumentalisten: strijkers, drie hobo’s en de twee jachthoorns. Vooral de laatste spelen een opmerkelijke partij. Jachthoorns hadden nog pas kort een rol in de kunstmuziek gekregen en ze gedragen zich hier aanvankelijk nog hoorbaar onwennig, met hun triolen-ritmiek tussen de achtsten en zestienden  van de overige spelers. Lederhosen tussen pandjesjassen. Maar allengs voegen ze zich soepel in het concert.
De extraverte en positieve sfeer van dit instrumentale voorprogramma contrasteert nogal met de cantatetekst (Falsche Welt) die in de volgende nummers in een bedrukt d-mineur wordt aangesneden. En het is wel duidelijk waarom. Dit elegante, seculiere stuk, met zijn geur van de jacht en het koffiehuis representeert de uitnodigende en pronkzuchtige maar vergankelijke en onbetrouwbare buitenwereld waarvan de gelovige zich dient verre te houden. Dan hoef je nog niet eens te geloven dat het geluid van de jachthoorns wil herinneren aan de serpent, het veel oudere blaasinstrument waarvan vorm en naam verwijzen naar de slang (Schlange) die de wereldse verleidingen symboliseert.
2. RECITATIEF (S)
Falsche Welt, dir trau ich nicht!
Hier muß ich unter Skorpionen
und unter falschen Schlangen wohnen.
Dein Angesicht,
das noch so freundlich ist,
sinnt auf ein heimliches Verderben:
Wenn Joab küßt,
so muß ein frommer Abner sterben.
Die Redlichkeit ist aus der Welt verbannt,
die Falschheit hat sie fortgetrieben,
nun ist die Heuchelei
an ihrer Stelle blieben.
Der beste Freund ist ungetreu,
o jämmerlicher Stand!
De sopraan maakt in het secco recitatief (2) een dramatische entrée boven een schril verminderd-septiemakkoord, het meest dissonante (‘valse’) akkoord waarover Bach beschikte, het “Barabbam-akkoord”, en daarvan zullen er nog diverse volgen (Skorpionen, Heuchelei, ungetreu). Alle registers van de barokke rhetoriek gaan open en de sopraan getuigt met wilde sprongen over verminderde intervallen van haar beklagenswaardige situatie in een doortrapte wereld. De continuobegeleiding, die met kortaffe akkoorden het isolement van de sopraan kan onderstrepen, voert ons langs afgelegen en dus onwelluidende toonsoorten als Des-groot en bes-klein (5 ).
Joab en Abner (de oude Bachausgabe leest ‘Armer’) waren de commandanten van de concurrerende oudtestamentische koningen David en Saul, waarvan de eerste de laatste lafhartig vermoordde (2 Samuel 3:27).
3. ARIA (S)
Immerhin, immerhin,
wenn ich gleich verstoßen bin!
   Ist die falsche Welt mein Feind,
   o, so bleibt doch Gott mein Freund,
   der es redlich mit mir meint.
In haar eerste aria (3) wordt de sopraan begeleid door de beide violen; altviolen ontbreken maar er speelt wel een fagot in het continuo. De sopraan verklaart weliswaar (in het bescheiden middendeel) dat God nochtans haar vriend is maar de nadruk ligt nog op haar verlatenheid (verstoßen). De violen symboliseren de begrippen eenzaamheid en verbondenheid door nu eens unisono, dan weer in parallelle tertsen en soms geheel onafhankelijk (polyfoon) op te treden. Maar de verstoßenheit wordt vooral verbeeld door de korte afgebeten motieven (muziekvoorbeeld) waaruit geen melodische ontwikkeling voortkomt, een lege nihilistische wereld. (De, op de oude Bachausgabe gebaseerde klavieruittreksels - op deze site! - verbinden de brokstukken ten onrechte met lange (‘halve’) noten, een samenhang suggererend die er juist niet moet zijn.) Naast deze verbrokkelde motieven introduceert de instrumentale inleiding ook het voortdurend terugkerend drienoten-motief (muziekvoorbeeld 2) waarop de sopraan haar koppig Immerhin zal zingen, “maar toch, maar toch”, het wegwerp-gebaar waarmee ze zich van de falsche Welt distancieert. Pas in het middendeel klinkt éénmaal op Freund een lang melodieus melisma. Maar al snel keert de thematiek van het begin weer terig, in een gevarieerd da-capo, A-B-A’.
Dit was het laatste stuk in een mineur toonsoort want het tweede recitatief/aria-paar bezingt Gods trouw in optimistischer kleuren.
4. RECITATIEF (S)
Gott ist getreu!
Er wird, er kann mich nicht verlassen;
will mich die Welt und ihre Raserei
in ihre Schlingen fassen,
so steht mir seine Hilfe bei.
Gott ist getreu!
Auf seine Freundschaft will ich bauen
und meine Seele, Geist und Sinn
und alles, was ich bin,
ihm anvertrauen.
Gott ist getreu!
De woorden Gott ist getreu klinken alom in het secco recitatief (4), aan het begin, in het midden en tenslotte driemaal aan het slot, als ritmisch begeleid arioso en steeds op - uit de hemel - dalende lijnen. In tegenstelling tot recitatief (2) horen we nu louter primaire en consonante harmonieën, afgezien van een verminderd-septiemakkoord op Raserei. De Schlangen van (2) zijn hier Schlingen (strikken) geworden.

5. ARIA (S)
Ich halt es mit dem lieben Gott,
die Welt mag nur alleine bleiben.
    Gott mit mir, und ich mit Gott,
    also kann ich selber Spott
    mit den falschen Zungen treiben.
De houtblazers, drie hobo’s en de fagot, vormen een kwintet met de sopraan in aria (5), Ich halt'es mit dem lieben Gott. Een hoofse, polonaiseachtige dans in 3/4-maat, die in een opera niet zou misstaan, geeft hier uitdrukking aan het vastberaden Godsvertrouwen van de sopraan. De hobo’s trekken voortdurend gezamenlijk op, in parallelle (kwart-)sextakkoorden, de sopraan gaat motivisch haar eigen gang. In de hoge ligging van de hobopartijen zou je ook enig spotzuchtig gegiechel kunnen horen; spot met de wereldse hypocrisie die ook in enkele lange melisma’s van de sopraan een belangrijke rol speelt. In het B-gedeelte van de vrije da-capostructuur, also kann ich selber Spott mit den falschen Zungen treiben ontstaat tot tweemaal toe een korte canon tussen sopraan en continuo terwijl de hobo’s zwijgen (‘ich selber’). Bij nur alleine resteert er nog slechts één hobo.
6. KORAAL
In dich hab ich gehoffet, Herr,
hilf, daß ich nicht zu Schanden werd
noch ewiglich zu Spotte.
Das bitt ich dich,
erhalte mich
in deiner Treu, Herr Gotte.
Voor het slotkoraal (6) treedt het vierstemmig koor aan om, plaatsvervangend voor de gelovige gemeente, God om steun te bidden. Bach gebruikt voor zijn harmonisering tekst en melodie van het eerste couplet van Adam Reusners lied In dich hab' ich gehoffet, Herr , een vroeg-reformatorische (1533) berijming van Psalm 31. Alle instrumentalisten (tutti) begeleiden, colla parte met de koorstemmen; van de beide hoornisten zou een triomfantelijke bovenstem verwacht kunnen worden, die echter, vanwege het intieme, gebedskarakter van de tekst, achterwege blijft; het natuurtooninstrument van de tweede hoornist beschikt echter niet over alle tonen die nodig zijn om, conform zijn te verwachten rol, de altstem te ondersteunen, hij speelt een vijfde, tussenstem.
omhoog


© Eduard van Hengel