G. M. Hoffmann: Schlage doch, gewünschte Stunde (olim BWV 53)

Opnames J.Kowalski Gerard Lesne, Andreas Scholl
De enkele altaria Schlage doch, gewünschte Stunde die de Bachgesellschaft in 1863 publiceerde, is uiteraard nooit als een volledige cantate beschouwd, maar zou tot een cantate behoord kunnen hebben. Dat hij niet in J.S.Bachs handschrift is overgeleverd pleit daar niet tegen, evenmin als zijn expliciete toeschrijving aan "Sigr J.S.Bach" ervóór pleit. Sinds 1955 (Karl Anton, Bach Jahrbuch, p.7) kunnen we ervan uitgaan dat het stuk van de hand is van Bachs tijdgenoot Georg Melchior Hoffmann (1679 - 1715). Bachs Werke Verzeichnis heeft het stuk nu verbannen naar Anhang II/23, Werke zweifelhafter Echtheit. Ook cantate BWV 189 bleek uiteindelijk van Hoffmann te zijn, benevens het Magnificat in a-klein dat lang aan J.S.Bach werd toegeschreven maar desondanks het hoofddeel van de BWV nooit heeft gehaald (BWV Anh. 21).
(Al deze, niet "alle", niet meer aan Bach toegeschreven stukken behelzen trouwens prachtige muziek, waarvan men begrijpen kan dat ze ooit voor composities van J.S.B. werden versleten en die het verdient uitgevoerd te worden.)
Hoffmann studeerde vanaf 1702 in Leipzig waar hij eerst lid was van het door Telemann opgerichte Collegium Musicum en na diens vertrek in 1705 de leider; hij was organist aan de Neukirche. Hij componeerde o.m. instrumentaal werk, missen, cantates en opera's voor de toen nog bestaande Leipziger opera waarvan hij ook directeur was. In 1714 was hij met J.S.Bach sollicitant voor de organistenpost te Halle waarvoor eerst Bach en uiteindelijk ook Hoffmann bedankte. Bij zijn overlijden op 36-jarige leeftijd was hij een beroemd componist.
ARIA (A)
           
Schlage doch, gewünschte Stunde,
Brich doch an, du schöner Tag!
   Kommt, ihr Engel, auf mich zu,
   Öffnet mir die Himmelsauen,
   Meinen Jesum bald zu schauen
   In vergnügter Seelenruh'!
   Ich begehr' von Herzensgrunde
   Nur den letzten Zeigerschlag!
De tekst van Schlage doch, gewünschte Stunde behelst een vertrouwde gedachte uit het toenmalig Lutherse gedachtegoed, die we in Bachs cantates veelvuldig tegenkomen: naar de sterfdag kan men verlangend uitzien omdat zij ons dichter brengt bij Jezus en het beloofde eeuwig leven. De aria is daarmee een onmiskenbare "Trauermusik"; Wollny (Bach Jahrbuch 1994) speculeert dat hij wel eens het restant zou kunnen zijn van de Trauermusik voor de, in 1713 overleden eerste Pruissische koning Friedrich I, waartoe Hoffmann de opdracht had. De aria heeft een gave da-capostructuur (A-B-A); de alt wordt.begeleid door strijkers, continuo en twee klokken (campanelle), de symbolen van het tijdelijke wier geluid in zoveel Trauermusiken (bijv. in de Trauerode BWV 198) wordt geïmiteerd, bijv. door strijkers-pizzicati of staccatonootjes van de fluiten; dat gebeurt in dit stuk ook al door door de strijkers, en dat maakt begrijpelijk waarom de componist, als contrast vraagt om echte, laag klinkende klokken. Maar uitvoerders moeten zich nu afvragen wat daarmee bedoeld kan zijn. Er staan twee klokken genoteerd, transponerend maar klinkend als B en E in het lage octaaf. Dergelijke klokken wegen tonnen en zijn niet op podia of in kerken beschikbaar, hoogstens in torens. Buisklokken, het moderne orkestinstrument dat in opnames vaak wordt ingezet, bestonden nog niet. Wel waren er orgels met een klokkenspel maar niet op die toonhoogte en dan meestal in een diatonische reeks, dus waarom de beperking tot (zoals bij pauken) twee tonen?
omhoog


© Eduard van Hengel