J. S. BACH: Lobe den Herrn, meine Seele [II ](BWV 69)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Cantate 69 componeerde Bach in 1748 ter gelegenheid van de jaarlijkse raadswisseling in het Leipziger stadsbestuur (Ratswahl). Daar kwam trouwens weinig keuze (Wahl) aan te pas: slechts het regerend tiental van de 30 benoemde raadsleden wisselde. De inhuldiging van de ‘nieuwe raad' vond telkens plaats op de eerste maandag na St.Bartholomeus op 24 augustus; in dit geval op maandag 30 augustus. Het jaarlijks componeren van een nieuwe cantate voor deze ceremonie behoorde- in tegenstelling tot de wekelijkse cantate - tot de expliciete verplichtingen van een cantor. Bach moet dus ongeveer 27 Ratswahlcantates hebben geschreven waarvan wij er nog zes kennen, plus de teksten van enkele andere.
1748: dat betekent dat we hier te maken hebben met één van Bachs laatste aktiviteiten op het gebied van de cantates. Helaas bevat BWV 69 weinig belangwekkende nieuwe composities want Bach baseerde hem grotendeels op een gelijknamige cantate (BWV 69a) uit 1723, dus 25 jaar oud. Bach nam uit deze vrij algemene lof- en dankzeggende cantate vrijwel ongewijzigd het openingskoor en de twee aria's over (delen 1, 3 en 5); slechts de twee recitatieven componeerde hij nieuw, op teksten (van een onbekende librettist) die naar de raadswisseling verwijzen (delen 2 en 4), en hij verving het slotkoraal (6).
(De tabel vat de wijzigingen samen; ik bespreek die hieronder en volg overigens mijn commentaar bij BWV 69a.)
De instrumentale bezetting van de cantate is uitgebreid feestelijk, zoals bij alle Ratswahlcantates: behalve strijkers en continuo spelen er drie hobo's, waaronder een hobo da caccia, blokfluit, fagot en drie trompetten en pauken. En terwijl Bach zijn meeste kerkelijke cantates waarschijnlijk met slechts vier zangers (‘concertisten') moest uitvoeren, zal hij bij een gelegenheid als deze de beschikking hebben gehad over een aanvullend ripienisten-ensemble dat de primaire zangers versterkt in tutti-passages.


BWV 69a (1723), 12e na Trinitatis
BWV 69 (1748), Ratswechsel
1

KOOR
KOOR
2
recit. S
Ach, hätte ich 1000 Zunge (11m)
Wie groß ist Gottes Güte (17m)
3
aria
Tenor, C-groot, bl.fl / hobo da caccia
Alt, G-groot, viool / hobo
4
recit.
Alt, secco,
Gedenk ich nur zurück
(18m)
Tenor + str.,
Der Herr hat große Ding (26m)
5
aria  B
idem
idem
6
koraal
Was Gott tut das ist wohlgetan
instrumenten colla parte
Es danke Gott und lobe dich
trombae obligati
1. KOOR
»Lobe den Herrn, meine Seele,
und vergiß nicht, was er dir Gutes getan hat.«
De enige wijziging t.o.v. BWV 69a betreft het laatste woordje, "hat", dat Bach hier toevoegt.

Tot tekst voor het monumentale openingskoor dient het tweede vers van Psalm 103: de kortste tekst voor het langste deel van de cantate. Centraal in dit koor staat een uitgebreide dubbelfuga op twee thema's, één voor elk van de beide teksthelften, Lobe den Herrn ... en und vergiß nicht ... De fuga wordt in- en uitgeleide gedaan door een instrumentaal ritornel en een meer homofoon koorgedeelte, waardoor de volgende symmetrische structuur ontstaat.
1
24
46
127
141
sinfonia
koor
dubbelfuga
koor
sinfonia


46
78
95
fuga 1: Lobe den Herrn
fuga 2: und vergiss nicht
samen
SATB / ob.1,2,3,fag /  BTAS (+str) tr+ob1
TABS / VI.1,2,Va



De trompettisten openen het instrumentaal ritornel met een eerste thema dat door de hoboïsten met een tweede wordt beantwoord (muziekvoorbeeld); het eerste thema wordt uitgesponnen tot lange zestienden-guirlandes die, waar Gods lof wordt gezongen, eigenlijk nooit gemist kunnen worden en een voorbode vormen van het eerste fugathema. De drie vierstemmige instrumentale ‘koren', koper, dubbelrietblazers en strijkers, verwerken deze thematiek tot zich (in maat 24) ook de vocale koor-stemmen zich daarover ontfermen, aanvankelijk met louter continuobegeleiding (a cappella) en paarsgewijs (A/T, S/B) canonisch en vervolgens met ondersteuning van strijkers en rietblazers waar zich pas voor het slotcadens het koper bijvoegt.. In maat 46 begint de dubbelfuga; de beide thema's verklanken de twee zinsdelen van de tekst: een uitbundige coloratuur op lo(be den Herrn) en een meer deemoedig, ingetogen und vergiß nicht .... De fuga die uit het eerste thema ontstaat is een uiterst strikte, een zogeheten permutatiefuga; daarin ontbreken de vrije, niet-thematische intermezzo's die fuga's meestal hebben, maar verschijnen de themainzetten met ijzeren regelmaat (hier: elke 2 maten) en volgen de stemmen/partijen elkaar even wetmatig in de contrapunten (tegenstemmen) die zij tegenover dat thema (en eerdere contrapunten) zetten. In dit geval beslaat de eerste halfzin acht maten: het thema en drie contrapunten.
Met louter continuobegeleiding worden vier themaexposities van de vocale stemmen (SATB) gevolgd door vier inzetten van de dubbelrietblazers (ob.2, ob.1, althobo, fagot) waarna een tweede themaexpositie door de vocale stemmen wordt opgebouwd, maar nu van laag naar hoog (BTAS) en met verdubbelende instrumenten. Iets vrijer wordt (vanaf maat 78) op de tweede halfzin het tweede fugathema ontwikkeld: a cappella inzetten van de zangers (TABS) en drie van de strijkers (Vi.1, Vi.2, Va) maar op het moment dat je tutti-inzetten van het tweede thema verwacht worden beide thema's in dubbelinzetten met elkaar gcombineerd, door de overeenkomstige stemmen van de vocale-, strijkers- en rietblazersgroepen:
(S+Vi.1+ob.2) tegenover (A+Vi.2+ob.3) en (B+cont/fag) tegenover (T+Va); zoals altijd kunnen de natuurtrompetten (en hun basinstrument, de pauken) wegens hun beperkte toonvoorraad niet aan een fuga deelnemen. Zij melden zich pas weer als (vanaf maat 111) beide fugathema's achtereenvolgens door alle - vocale en instrumentale - stemmen gaan, waarbij in m.117-120 de eerste trompet, het hoogste instrument, NB het continuo, het laagste,  verdubbelt in een jubelende coloratuur: de lof klinkt door de gehele toonruimte! Op de woorden Meine Seele wordt de fuga met een stralend kopersalvo afgesloten, waarna de thematiek van het inleidend koorgedeelte terugkeert, en ten slotte het ritornel in zijn geheel wordt hernomen. (De slechts door continuo begeleide koorpassages werden bij Bach waarschijnlijk slechts door de concertisten/'solisten‘ gezongen, de ripienisten voegden zich daar bij in de aansluitende tutti.)
2. RECITATIEF (S)
Wie groß ist Gottes Güte doch!
Er bracht uns an das Licht,
und er erhält uns noch!
Wo findet man nur eine Kreatur,
der es an Unterhalt gebricht?
Betrachte doch, mein Geist,
der Allmacht unverdeckte Spur,
die auch im Kleinen sich recht groß erweist.
Ach! möcht es mir, o Höchster, doch gelingen,
ein würdig Danklied dir zu bringen!
Doch, sollt es mir hierbei an Kräften fehlen,
so will ich doch, Herr, deinen Ruhm erzählen.
De tekst verschilt geheel van BWV 69a/2, maar merkwaardigerwijs handhaaft Bach nog wel de noten van de eerste regel.
Dat bij de inzegening van een nieuwe raad Gods lof wordt gezongen is niet ongebriukelijk; wel lijkt de tekst het bestuur van het welvarende Leipzig te willen beschouwen als bemiddelaar bij de distributie van Gods weldaden. En uiteraard moet de tekst toeleiden naar de volgende aria; dat gebeurt tamelijk onbeholpen, met het vooruitlopen op de begrippen Danklied, Ruhm en erzählen.
3. ARIA (A)
Meine Seele,
auf! erzähle,
was dir Gott erwiesen hat.
Rühme seine Wundertat,
laß, dem Höchsten zu gefallen,
ihm ein frohes Danklied schallen.
Oorspronkelijk een aria voor tenor, blokfluit en hobo da caccia die door Bach (waarschijnlijk al in 1727 voor een onbekende gelegenheid) een kwint omhoog werd getransponeerd, van C naar G-groot en voor alt, hobo en (een kwart omlaag) viool. Daarmee vervalt het contrast van de aardse, herderlijke instrumenten met de hemelse trompetten uit (1); de fagot blijft het aangewezen continuoinstrument. De wijziging zal Bach daarom niet op artistieke gronden hebben aangebracht; waarschijnlijk was er geen blokfluitist meer beschikbaar, in 1748 was dat instrument zeker verdwenen. Bovendien verschillen de laatste twee regels wat uiteraard gevolgen heeft voor details van de tekstplaatsing en stemvoering.
BWV 69/3/5,6
BWV 69a/3/5,6
Lass, dem Höchsten zu gefallen
Ihm ein frohes Danklied schallen!
Lasst ein gottgefällig Singen
Durch die frohen Lippen dringen!
Na het groots vertoon van het openingskoor een intiem en persoonlijk danklied. De 9/8-maat en het dansant ritme versterken het pastorale karakter. Bij het woord erzähle (vertel!) heeft de alt veel noten op zijn zang. De lange aria heeft een volledige da-capostructuur, A-B-A, van resp. 52, 20 en 52 maten, maar met een weinig contrasterend middendeel.
4. RECITATIEF (T)
Der Herr hat große Ding an uns getan;
denn er versorget und erhält,
beschützet und regiert die Welt;
er tut mehr, als man sagen kann.
Jedoch, nur eines zu gedenken:
Was könnt uns Gott wohl bessers schenken,
als daß er unsrer Obrigkeit
den Geist der Weisheit gibet,
die denn zu jeder Zeit
das Böse straft, das Gute liebet?
Ja, der bei Tag und Nacht
vor unsre Wohlfahrt wacht.
Laßt uns dafür den Höchsten preisen;
auf, ruft ihn an,
daß er sich auch noch fernerhin
so gnädig woll’ erweisen.
Was unserm Lande schaden kann,
wirst du, o Höchster, von uns wenden
und uns erwünschte Hülfe senden.
Ja, ja, du wirst in Kreuz und Nöten
uns züchtigen, jedoch nicht töten.
Nu de voorgaande aria aan de alt is toegevallen, komt de tenor in aanmerking voor recitatief (4). De tekst daarvan is niet alleen geheel nieuw maar ook veel langer dan in BWV 69a. En waar de alt daar nog een fagot in het continuo ontmoette, geeft Bach de tenor een strijkersbegeleiding mee, althans in twee van de drie delen waaruit dit recitatief bestaat. De tenor gaat namelijk secco, met louter continuobegeleiding van start maar zodra de Obrigkeit ter sprake komt krijgen zijn woorden het aureool van lange strijkersakkoorden mee. Wanneer ten slotte Gods hulp wordt ingeroepen krijgt het recitatief het karakter van een ritmisch arioso, met aktieve, polyfone strijkerspartijen. Voorhoudingen (appoggiatura's), voorschotjes op een komende harmonie, zorgen voor kortstondige dissonanten die, samen met onwelluidende verminderd-septiemakkoorden op Kreuz en Nöthen de weg moeten bereiden voor de komende, ongewijzigde basaria waar het ook om Kreuz und Leiden draait. Dit recitatief stijgt daardoor ver uit boven de plichtmatige Obrigkeitslof die op plaatsen als deze niet ongebruikelijk is. Ook in de uiterst levendige, geëmotioneerde tenorpartij zien we een gerijpte oude Bach aan het werk.
5. ARIA (B)
Mein Erlöser und Erhalter,
nimm mich stets in Hut und Wacht!
Steh mir bei in Kreuz und Leiden,
alsdenn singt mein Mund mit Freuden,
Gott hat alles wohl gemacht.

Basaria (5) is - zoals gezegd - ongewijzigd uit BWV 69a overgenomen. De zorgeloosheid van altaria (3) wordt er door aangevuld met een wat introverter en theologisch dieper reikend stuk dat de onderlinge relatie van lijden, vreugde en Christus, de Erlöser, overweegt. Daarbij past het wat gedekter timbre van de hobo d'amore die veelal de eerste violen verdubbelt maar zich daar nu en dan virtuoos boven verheft. De mineur toonsoort (b-klein) past bij het karakter van de tekst, een gebed, "behoed en steun mij", maar de toon is zelfverzekerd, tot uiting komend in een energiek ritme dat aan een mazurka doet denken: destijds populaire import uit Polen sinds de Saksische keurvorst de Poolse troon had bestegen. De bas deelt met de strijkers/hobo eenzelfde thematiek. Hij illustreert het waken (Wacht) met lange liggende noten. De tegengestelde woorden Leiden en Freuden in één zin vormen natuurlijk een probleem voor een componist die in een aria - volgens de regels van het genre - slechts één affekt tot uitdrukking kan brengen. Bach lost dat op met, in de eerste doorgang van het middendeel (B1), een lang melisma op Leiden boven een chromatisch dalende reeks lange continuonoten, de zogeheten lamento-bas, plus een vrolijke coloratuur op Freuden; in de tweede doorgang (B2) passeren Kreuz und Leiden nogal terloops boven een chromatisch stijgende reeks basnoten, waarna Freuden opnieuw lang wordt uitgesponnen.
6. KORAAL
Es danke, Gott, und lobe dich
das Volk in guten Taten.
Das Land bringt Frucht und bessert sich,
dein Wort ist wohl geraten.
Uns segne Vater und der Sohn,
uns segne Gott der Heilge Geist,
dem alle Welt die Ehre tut,
für ihm sich fürchten allermeist;
und sprecht von Herzen: Amen!

Het slotkoraal (6) is geheel van 1748, behalve uiteraard de tekst en melodie, het derde couplet van Martin Luthers lied Es woll uns Gott genädig sein, een herdichting van Psalm 67 uit 1524. Bachs keuze is opmerkelijk: het is het koraal dat ook BWV 76 besloot, de tweede cantate die Bach 25 jaar geleden in Leipzig uitvoerde, en ongetwijfeld bedoeld als eerbetoon aan de toenmalige burgemeester Dr. Gottfried Lange, destijds pleitbezorger voor Bachs benoeming, zijn levenslange supporter en schutspatroon en de vermoedelijke librettist van Bachs eerste Leipziger cantates; Lange zou in 1748 komen te overlijden en was ongetwijfeld al ziek toen Bach zijn cantate schreef. Aan de nieuwe (1748) vierstemmige harmonisering voegt Bach drie onafhankelijke trompetpartijen toe die telkens aan de regeleinden de cadenzen overstralen, en het verzoek om zegen integraal meespelen.
omhoog


© Eduard van Hengel