J. S. BACH: Gott ist mein König (BWV 71)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Tweeëntwintig was Bach toen hij gedurende nauwelijks één jaar (juni 1707 - juni 1708) fungeerde als organist aan de Blasiuskerk te Mühlhausen, een functie die de verplichting inhield ceremoniële muziek te componeren voor de kerkdienst die jaarlijks werd gehouden in de grote Marienkirche, ter gelegenheid van de installatie van de nieuwverkozen stadsraad en de twee burgemeesters. De Marienkirche, een vijfbeukige gotische hallenkerk, is Thüringens één na grootste kerk. Mühlhausen was destijds een niet onder Thurings bewind staande maar direct onder de keizer ressorterende vrije rijksstad, vandaar dat Keizer Joseph I in de slottekst dankbaar wordt vermeld.
Bachs eerste Ratswechselkantate (hij zou er later in Leipzig meer schrijven) werd uitgevoerd op 4 februari 1708 en viel zodanig in de smaak dat zijn Ratsstück in opdracht van het stadsbestuur werd gedrukt, meer als zelf-felicitatie en voor representatief gebruik van de raad dan als eerbetoon aan de componist wiens naam overigens wel onderaan de voorpagina werd genoemd. Eén van Bachs oudste ons bekende cantates werd zo de enige cantate die bij zijn leven in druk verscheen, lang voordat er iets van Handel of Telemann was gepubliceerd. (Zie afbeeldingen onderaan.) Ook in 1709 schreef Bach de Ratswechselkantate en leidde de uitvoering ervan hoewel hij toen reeds naar Weimar was vertrokken; hiervan rest geen enkel spoor.
Zelf noemt Bach zijn compositie trouwens geen ‘cantate' maar een Glückwunschend Kirchen Motetto; het begrip ‘cantate' verwees toen nog uitsluitend naar seculiere, uit recitatieven en da-capo aria's opgebouwde muziekstukken in Italiaanse operastijl: elementen die pas later in Weimar een vertrouwd onderdeel van Bachs cantates gingen vormen.
Bach schrijft zijn Ratsstück voor de uitgebreidst denkbare bezetting, een omvang waarbij de composities van zijn voorgangers (en veel latere van hemzelf!) verbleekten. Tutti-passages staan op 19 balken genoteerd. De instrumentalisten zijn verdeeld in vier groepen (strijkers, koper, rietblazers en blokfluiten) die als evenzovele schemainstrumentale ‘koren' worden ingezet, en elk over een eigen basinstrument beschikken, zoals het schema laat zien en op het omslag van het manuscript staat vermeld. Ook zijn er twee vocale koren, een klein concertisten-ensemble en een grotere groep ripienisten (steun- of vul-zangers), terwijl het orgel niet alleen als continuo-instrument fungeert maar ook obligate, solopartijen speelt. Ongetwijfeld stonden zijn zeven ‘koren' als ware cori spezzati over de diverse balcons van de Marienkirche verdeeld opgesteld. (De uitvoering werd, zoals gebruikelijk, op de eerstvolgende zondag, in dit geval één dag later, in de Blasienkirche herhaald.)
Stilistisch echter blijft dit vroege meesterwerk ouderwets, 17e eeuws. Zoals gezegd: nog geen spoor van moderne Italiaanse verworvenheden als aria, arioso of recitatief en zelfs wanneer hier of daar tekst wordt herhaald is er geen sprake van een echt da-capo. Volgens het traditionele motet-procédé krijgt ieder tekstfragment zijn eigen, vaak tekst-illustrerende muziek, maar met als onvermijdelijk gevolg dat elk van de - formeel gezien - zeven delen weer uiteenvalt in een reeks afzonderlijke kleine muziekjes. De grote verscheidenheid aan klankkleuren die Bachs enorme uitvoeringsapparaat mogelijk maakt, kan niet verhullen dat deze aantrekkelijke reeks concertante miniaturen een overkoepelende struktuur mist.
De tekst van deze cantate, wellicht van de hand van de met Bach bevriende pastor Eilmar van de Marienkirche, heeft als ruggegraat Psalm 74. Vers 12 (deel 1) bezingt Gods eeuwig koningsschap, de verzen 16-17 (deel 4) zijn heerschappij over hemel en aarde, terwijl vers 19 (deel 6) een bede om bescherming vormt. Aan de hand van uitsluitend oud-testamentische bijbelteksten (uit de boeken Samuel, Deuteronomium en Genesis) verbinden de delen 2 en 3 de raadswisseling met de metafoor van oud en jong, wat in dit geval enigszins ironisch uitpakt omdat één van de nieuw aantredende burgemeesters, Strecker (1624-1707), voor de vijfde maal werd herbenoemd en inmiddels 83 jaar oud was; hij zou enkele maanden later, midden in zijn ambtsperiode komen te overlijden (en misschien componeerde Bach voor die gelegenheid wel zijn Actus Tragicus BWV 106). Alleen de delen 5 en 7 hebben vrij gedichte teksten.

1.
Koor
Gott ist mein König von altersher,
der alle Hülfe tut, so auf Erden geschicht.
























2. Tenor & sopraan solo
Ich bin nun achtzig Jahr,
warum soll dein Knecht sich mehr beschweren?
Ich will umkehren,
daß ich sterbe in meiner Stadt,
bei meines Vaters und meiner Mutter Grab.

Soll ich auf dieser Welt
Mein Leben höher bringen,
Durch manchen sauren Tritt
Hindurch ins Alter dringen,
So gib Geduld, für Sünd
Und Schanden mich bewahr,
Auf daß ich tragen mag
Mit Ehren graues Haar.




3. QUATUOR
Dein Alter sei wie deine Jugend,
und Gott ist mit dir in allem, das du tust.













4. Bas-solo
Tag und Nacht ist dein.
Du machest, daß beide,
Sonn und Gestirn, ihren gewissen Lauf haben. Du setzest einem jeglichen Lande seine Grenze.



5. Alt-solo
Durch mächtige Kraft
Erhältst du unsre Grenzen,
Hier muß der Friede glänzen,
Wenn Mord und Kriegessturm
Sich allerort erhebt.
Wenn Kron und Zepter bebt,
Hast du das Heil geschafft
Durch mächtige Kraft!

6. Koor
Du wollest dem Feinde nicht geben die Seele deiner Turteltauben.








7. Koor
Das neue Regiment
Auf jeglichen Wegen
Bekröne mit Segen!
Friede, Ruh und Wohlergehen,
Müsse stets zur Seite stehen
Dem neuen Regiment.

Glück, Heil und großer Sieg
Muß täglich von neuen
Dich, Joseph, erfreuen,
Daß an allen Ort und Landen
Ganz beständig sei vorhanden
Glück, Heil und großer Sieg!
De omvang van het uitvoerend ensemble en de gelijktijdige inzet van allen op de eerste noot van het openingskoor (1) moet op de toehoorders een verpletterende indruk hebben gemaakt. De triomfantelijke, door fanfares ondersteunde proclamaties Gott ist mein König omlijsten en verbinden twee kleinschaliger polyfone passages, voor solo-koor en continuo op de nadere bepalingen von altersher en der alle Hülfe..... Zowel dit openingskoor als het slotkoor eindigen met enkele wegstervende nootjes van een paar instrumenten, een wending die de plotselinge stilte na het eigenlijke, massale slotakkoord lijkt te willen verzachten en die we ook kennen uit die andere, heel vroege en wellicht eveneens te Mühlhausen ontstane Actus Tragicus, BWV 106, delen /2 en /4.
De onverhoedse inzet van het koor, zonder voorafgaande sinfonia, roept vraag op waar de zangers hun tonen vandaan haalden. Een voor de hand liggend antwoord luidt: uit de fanfares door de trompettisten die ongetwijfeld hebben geklonken bij de entree van de hoge gasten. Het stedelijk elitekorps der Stadtpfeifer behoorde, als bespelers van de koninklijke en naar de hemel verwijzende instrumenten, niet tot de kerkmuzikanten; zij hadden hun eigen muziek die niet werd opgeschreven en zeker niet gepubliceerd, en buiten de bevoegdheid van de componist-van-dienst viel.
(Moderne, met de scheiding van kerk en staat opgevoede mensen zouden de tekst Gott ist mein König kunnen opvatten als een relativering van het werelds gezag: Gott, d.w.z. niet één of andere wereldlijke autoriteit. In Bachs tijd impliceerde deze tekst uiteraard het tegendeel: een onvoorwaardelijke loyaliteitsverklaring aan de overheid als afgezant Gods op aarde.)

De tenoraria (2) met koraal opent met de woorden Ich bin nun achzig Jahre die in het oud-testamentische bijbelboek Samuel (2 Sam. 19: 35 & 37) werden gesproken door de 80-jarige Barzillai, een trouw dienaar van koning David, die op zijn dringend verzoek verlof krijgt met pensioen te gaan; in Mühlhausen gingen weliswaar een aantal bestuurders met pensioen maar niet de burgemeester. De sopraan begeleidt de tenor met een versierde versie van de zesde strofe van Johann Heermanns koraal O Gott, du frommer Gott (1630). Het orgel speelt hier een opmerkelijke want niet eerder vertoonde rol. Primair neemt het deel aan de vertolking van de continuopartij, met veel naar beneden gerichte lijnen die het - veronderstelde - verval van de hoge leeftijd in beeld brengen. Maar het vervult ook een melodische, obligaat- of solo-rol met uitgeschreven noten voor de rechterhand die aanvankelijk echo's zijn van vocale noten maar allengs een zelfstandiger rol gaan spelen waardoor dit schijnbare trio een kwartet wordt.

Met de teksten uit Deuteronomium (33: 25) en Genesis (21:22), oorspronkelijk gericht tot Mozes en de 100-jarige Abraham, wordt in koorfuga (3) de afgedankte regenten een gezonde oude dag gewenst. Een louter vocale koorfuga zoals Bachs oeuvre er weinig kent: zonder (colla parte) ondersteunende instrumenten doch met uitsluitend continuo begeleiding, en met de bijna mathematische opzet van een permutatie-fuga: elke twee maten zet een nieuwe stem in,permutatiefuga en allen zingen achtereenvolgens het thema (I) en de contrapunten II en III (zie schema 2). Na een intermezzo van 3 maten (m.17-20) gebeurt wat je had kunnen voorspellen: die drie thema's die in alle opzichten gelijktijdig kunnen klinken, kun je net zo goed tegelijkertijd inzetten.

In het, door de oude Bachgesellschaft "arioso" gedoopte deel (4) begeleiden de twee houtblazers-koren de bassolist, in wie we de stem van de oude burgemeester mogen horen. Hij erkent de door God gestelde grenzen aan zijn macht, over de natuur (Sonn und Gestirn) en zijn territoir. Nacht wordt steeds van Tag onderscheiden door een sprong naar beneden, en Lauf loopt.
De alt-solist in "aria" (5) wordt strikt genomen alleen door continuo begeleid; het gezelschap koperblazers interrumpeert slechts met luid vertoon van Macht en Kriegessturm. Het pleidooi voor vrede was geen loze kreet: nog onlangs werd de regio opgeschrikt door verwoestende veldtochten van de Zweedse koning Karel XII.
Onbetwist hoogtepunt van deze cantate en een parel in Bachs oeuvre is het Turteltauben-koor (6). Een bede om bescherming met de woorden van Psalm 74:19 : lever de ziel van uw kwetsbare tortelduiven niet uit aan de vijand. Tegen een decor van vredig koerende tortels (de violoncello piccolo) zingt het Coro pleno slechts de vierstemmige harmonisering van een prachtige, omhoogstrevende en aanzwellende melodie van de sopranen. Wegens de begeleiding door strijkers en de beide houtblazerskoren spelen er drie continuoinstrumenten, en wel ieder een andere partij: per tel een pizzicato steuntoon van orgel en violone, een figuur van drie zestienden in de fagot en de genoemde permanent ‘koerende' zestienden van de cello. Uiteindelijk reciteert het koor de volledige tekst nog eens unisono op lange noten waarvan de afsluitende wending (cadens) aan een oude kerktoonsoort herinnert: de mediatio (midden-afsluiting) van de eerste psalmtoon.
Voor het slot (7) krijgt Bach een strofische tekst in twee coupletten voorgeschoteld, welke struktuur hij als ongeëigend voor een slotkoor negeert. Maar zijn alternatief illustreert perfekt het struktuurprobleem waarmee het 17e eeuwse motet-principe ("elke tekstregel zijn eigen muziekje") componisten achterliet: een grillige verzameling, op zichzelf aantrekkelijke, achtereenvolgende stukjes zonder orde of samenhang; zie schema 3, dat u mag overslaan.
De herhaling van het ietwat pompeuze Gluck, Heil und Großer Sieg suggereert dat zich daartussenin een substantiële kern bevindt: en inderdaad schrijft Bach opnieuw, nu in eenheden van vier maten een permutatiefuga op het tot de hoogste wereldlijke gezagsdrager gerichte tekstfragment. Na de fugaexpositie door het vierstemmig concertistenkoor vervullen ook violen en blokfluiten een thematische functie alvorens de ripienisten zich erbij voegen.

schema deel 7













voorpagina MSvoorpagina gedrukt






omhoog


© Eduard van Hengel