Neerslag van mijn mondelinge toelichtingen bij de cantates BWV 72, 138,
161 en 74, in de Kapel van Abdij Rolduc, tijdens het R-USKO-weekend,
o.l.v.
Jaap Hillen, 27 juni 2004
Eduard van Hengel
In dit rijke centrum van rooms leven
hoort u vanmiddag vier cantates
van de oer-protestantse lutheraan Johann Sebastian Bach, die als cantor
van de Thomaskirche in Leipzig sinds zijn benoeming in 1723 in enkele
jaren
een paar honderd van deze cantates componeerde, een voorraadje waar hij
25 jaar mee verder kon. Hij was daarbij, evenals de dienstdoende
predikant,
gebonden aan de evangelietekst die voor de desbetreffende zondag van
het
kerkelijk jaar was voorgeschreven. Deze tekst vormt dus steeds de
sleutel
voor het begrip van de cantatetekst en deze tekst op zijn beurt weer
voor
de muziek. Een cantate kon dus op zijn vroegst één jaar
later
opnieuw dienst doen; de verzameling cantates voor alle zon- en
feestdagen
van het kerkelijk jaar tesamen (65 stuks!) heet een jaargang, en
daarvan
produceerde Bach er naar schatting 4 à 5 waarvan wij er nog 3
kennen.
Cantate 72 werd voor het eerst
uitgevoerd op zondag 27 januari 1726,
het
is de nieuwste die u vanmiddag zult horen, Bach heeft er dan al zeker
150
geschreven, en het is de derde keer dat hij voor deze zondag een
cantate
componeert. De evangelietekst voor deze derde zondag na Epiphanie
(Driekoningen)
is Mattheus 8:1-13, waarin een melaatste naar Jezus komt en zegt 'Heer,
als gij het wilt kunt gij mij genezen' en Jezus strekte zijn hand uit
en
zei 'Ik wil het, wordt rein'. Het zal dus gaan over Gods almacht, en de
titel (en eerste zin) van de cantate luidt dan ook
Alles nur nach Gottes
Willen.
In het openingskoor (waarmee de Leipziger cantates meestal beginnen,
voorzover het geen solocantates zijn) ligt het accent op het woordje
Alles:
dat wordt in vrijwel elke maat uitgedrukt met de oktaafsprong in de
bassen
(celli, fagot, contrabas, bas-zangers): het oktaaf omvat immers alle
mogelijke
tonen: alles. En het koor onderstreept het met een opeenstapeling van
snelle
zestiende nootjes: meer kan echt niet.
In het daaropvolgende arioso van de alt wordt het tweede deel van deze
'spreuk van de dag' (Losung) geaccentueerd:
Herr, so du willt, als gij
het wilt, het wordt maar liefst negenmaal herhaald. In het
bas-recitatief
vervalt vervolgens de conditie ('
als'),
de Heer zegt stellig 'Ik wil het'
en dat levert ook de tekst voor de opgewekte zekerheid van de laatste
aria
(voor de sopraan)
Mein Jesus will es
tun; nadat het instrumentale ritornel
dat een aria pleegt te besluiten al heeft weerklonken, scandeert de
sopraan
nog maar eens ten overvloede deze tekst terwijl de begeleiding al klaar
is.
Vrijwel alle cantates, dus ook deze, eindigen met een koraal, een
muziekstuk
waarvan de tekst en de (door sopranen gezongen) melodie - die veelal
één
a twee eeuwen oud zijn - voorkomen in de aan alle kerkgangers bekende
liedbundel,
Bach is dus slechts verantwoordelijk voor de vierstemmige harmonisering
van deze liederen. Het koraal
Was
mein Gott will, das g'scheh allzeit is
een van de meer bekende; een jaar eerder componeerde Bach een hele
cantate
voor deze zondag op teksten en melodie van dit koraal.
Was droevige muziek niet de mooiste die
er is? U zult aan uw trekken
komen!
Cantate 138 schreef Bach voor 5 september 1723 (de 'vijftiende zondag
na Trinitatis'; Trinitatis is de zondag na Pinksteren), toen hij dus
net
drie maanden in Leipzig werkte. Later, nadat hij één
jaargang
cantates had geproduceerd (Trinitatis 1724) zou Bach besluiten een
gehele
cantatejaargang te baseren op de zojuist genoemde koralen. In de
cantate
die u nu gaat horen, zien we hem - wellicht broedende op dat idee -
alvast
experimenteren met wat er allemaal kan op basis van koraalteksten en
-melodieën.
De cantate heeft een zéér ongebruikelijke struktuur en
bevat
slechts één aria.
De evangelietekst voor deze zondag is Mattheus 6:24-34, een gedeelte
uit de 'Bergrede' van Jezus, waarin hij gelovigen maant onbezorgd te
leven
en zich niet te bekommeren om de dingen van alle dag; maak je geen
zorgen.
De titel van de cantate en dus de eerste regel van deel 1 stelt dit in
vragende vorm:
Warum betrübst
du dich, mein Herz; het is de tekst
van één van de koralen uit de toenmalige liedbundel.
In de instrumentale inleiding hoort u het
betrübst al geïllustreerd
met allerlei prachtige, schrijnende harmonieën. Daar doorheen
verschijnen
ineens de twee hobo's d'amore die de eerste regel van de koraalmelodie
blazen, uiteraard zonder de begeleidende tekst (die de toehoorders er
destijds
vanzelf bij zouden denken); deze tekst wordt vervolgens door de
tenorsolist
geïntroduceerd waarna het koor deze eerste regel in een tamelijk
eenvoudige
vierstemmige zetting zingt. En tot overmaat van schoonheid harmoniseert
Bach de koraalmelodie met de befaamde Lamento-bas, een in vijf
halve-toonsstappen
('chromatisch') dalende kwart waarop door de hele muziekgeschiedenis
heen
de prachtigste treurmuziek is geschreven, zoals Purcells klaaglied van
Dido voor de verdwenen Aeneas, en het Crucifixus in Bachs Hohe Messe.
Nu hebben we dus pas één regel van het eerste couplet
van het koraal gehad; op dezelfde manier krijgen we vervolgens de
tweede
en derde regel, maar dan stopt deze procedure plotseling: het
gemeentelied
maakt plaats voor een recitatief van de alt die, als individuele,
ontredderde
gelovige precies doet wat het koraal haar ontraadt: zich beklagen over
haar zorgen, in de boze wereld en haar ellendige omgeving. Maar nu
keert
het koraal (= de kerkelijke gemeente) terug en bezweert haar (zonder
verdere
inleidingen) op God te vertrouwen. Dan sluit de bas zich in zijn
recitatief
bij de alt aan: hem worden ipv wijn slechts bittere tranen geserveerd.
Ook tot hem wendt zich de kerkelijke gemeente met het tweede couplet
van
haar koraal, althans (weer) slechts de eerste drie regels ervan, want
nu
valt ook de sopraan de alt en bas bij met een prachtige tekst: God
zorgt
voor het vee, en dat de vogels hun voedsel vinden, maar ik heb niemand
die voor mij zorgt. Maar het koor herneemt, en lijkt het gezag van haar
twee koraalzinnen te willen verhogen door de sopraanmelodie te
begeleiden
in de vorm van het - destijds ouderwets maar eerbiedwaardig geachte -
motet:
tenoren, bassen en alten imiteren elkaar met een motiefje dat van de
koraalmelodie
is afgeleid (zg voor-imitaties). Nu keert de alt weer terug, en zij
wordt
beantwoord met weer een andere versie van de laatste twee koraalregels.
In de volgende drie delen spelen koraaltekst en -melodie geen rol,
we hebben dus niet te maken met een echte koraalcantate. In de enige
aria
van deze cantate blijkt de bas inmiddels overtuigd: hij bezingt
opgewekt
zich van Gods toewijding verzekerd te weten.
Het slotkoraal heeft nog een verrassing in petto: de eenvoudige
geharmoniseerde
versie van couplet drie van het intussen vertrouwde koraal wordt
afgewisseld
met levendige instrumentale voor-, na- en tussenspelen.
Cantate 161 is van aanmerkelijk vroeger
datum: vanaf 1714 schreef Bach
in Weimar maandelijks een cantate, waaronder - voor 27 september 1716 -
nr 161, Komm, du süße
Todesstunde. Het karakter van 'vroege
Bachcantate' blijkt o.m. uit het ontbreken van het koor in deel 1 en
het
gebruik van blokfluiten; bij een latere uitvoering in Leipzig verving
Bach
deze door dwarsfluiten (traverso's) en daarin volgen wij hem vandaag,
uit
praktische overwegingen.
De evangelietekst voor deze zestiende zondag na Trinitatis is Lucas
7:11-17, waarin Jezus de gestorven jongeling te Nain uit de doden
opwekt.
De destijds heersende interpretatie zag daarin geen vrolijke,
levensbevestigende
gebeurtenis maar juist het tegendeel, een rechtvaardiging van het
doodsverlangen:
ook wij zullen door Christus worden opgewekt, en dan maar liever zo
snel
mogelijk.
Bach onderstreept deze strekking nog eens extra door in het eerste
deel (een alt-aria) dwars door het alt-gezang het orgel met een
uitkomende
stem de melodie te laten spelen van het koraal Herzlich thut mich verlangen
nach einem sel'gen End; ook van dit tekstloze citaat van een hun
bekend
stervenskoraal konden de toehoorders geacht worden de tekst meteen te
'verstaan'.
Omdat dat thans bij ons niet meer zo vanzelfsprekend is laten wij die
melodie,
op tekst, zingen door de sopranen. Wie Bachs Matthäus-Passion wel
eens hoorde zou er de melodie in kunnen herkennen van het O Haupt voll
Blut und Wunden, een lijdenskoraal dat in de
Matthäus-Passion wel
vijf keer klinkt. Maar deze associatie hadden de toenmalige Lutheranen
nog niet. En ook de associatie met het nederlandse kerstlied Hoe zal ik
u ontvangen is natuurlijk niet beoogd.
De tenor-aria is een liedje van verlangen, een doodsverlangen wel te
verstaan, om snel bij Christus te zijn; het woord Verlangen is in de kop
van het thema prachtig uitgebeeld, zonder tekst al bijna te verstaan.
Recitatieven moet u vooral niet plichtmatig laten passeren. Let eens
op hoe fraai in het volgende alt-recitatief het woord Schlaf (de dood is
slechts tijdelijke slaap) wordt uitgebeeld met almaar dalende, in slaap
vallende muzikale lijnen, en hoe vervolgens de opwekking weer met
omhoog
lopende lijnen wordt onderstreept. En: hoe aan het slot door de fluiten
de doodsklokjes tingelen.
Nu pas, in de optimistische fase van deze cantate, met het uitzicht
op onsterfelijkheid, komt het koor in actie, begeleid door twee
vrolijke
fluiters.
En ook hier herbergt het slotkoraal weer een verrassing. Het lijkt
een eenvoudige vierstemmige harmonisering van het vierde couplet van
het
(uit deel 1 inmiddels bekende) koraal maar door dit trage gezang klinkt
een veel snellere versiering door de twee fluiten, die hier unisono
spelen,
d.w.z allebei dezelfde noten, wat toch al een doordringend timbre
oplevert
omdat een perfect unisono natuurlijk niet bestaat. Maar er is meer aan
de hand. De koraalmelodie staat in een oude kerktoonsoort, het
phrygisch:
een melodie zonder kruisen of mollen maar die niet (zoals je zou
verwachten)
op een C maar op een E begint en eindigt. De fluiten echter fietsen
daardoorheen
met een moderne, tonale melodie. Zij omhullen het donkere koraal als
het
ware met het lichte aureool van de opstanding.
We besluiten met een vrolijke cantate,
geschreven voor Pinksteren 1725.
Op zulke feestdagen kon Bach over de meest uitgebreide vocale en
instrumentale
middelen beschikken: behalve de gebruikelijke strijkers en continuo
treden
er dan ook aan: drie hobo's da caccia (jachthobo's, hier gespeeld op
alt-hobo's),
drie trompetten, pauken en vier solisten die elk een aria hebben. Wer mich
liebet, der wird mein Wort halten. De evangelietekst voor deze
dag is vanzelfsprekend
het Pinksterverhaal over de uitstorting van de Heilige Geest: 'Als gij
mij liefhebt zullen de Vader en de Zoon bij u wonen'. Deze
woon-metafoor
treedt herhaaldelijk op: in deel 2 (woon in mijn hart), in deel 3 (mijn
woning is gereed).
Voor het openingskoor, waaraan alle instrumentalisten deelnemen,
recyclede
Bach een duet op dezelfde tekst van één jaar geleden:
zonder
echte ingrepen in de muziek voegde hij een derde trompet en de hobo's
toe,
en verving hij de twee solisten door een vierstemmig koor, hetgeen
verklaart
waarom het koor in nogal wat passages tweestemmig optreedt.
De tekst van de continuo-aria is een woord van Christus uit het
Johannes-evangelie
en zoals meestal treedt ook hier de bassolist op als Vox Christi. De
muziek
illustreert de tegenstelling tussen Jezus' heengaan, de Hemelvaart (ich
gehe hin, een muzikaal lijntje omhoog) en zijn terugkeer in de
gedaante
van de Heilige Geest (und komme wieder,
een dalend motiefje).
In de aansluitende tenor-aria keert het op-en-neer-motief weer terug,
versneld (eilet!) en nu
gespeeld door de strijkers, aangezien de tekst
spreekt van stimmet die Saiten
(snaren).
In de altaria is sprake van höllische
Ketten, in de virtuoze,
cirkelende 32-sten van de viool-soliste hoor je die ketenen rinkelen.
En we eindigen met een slotkoraal, in zijn meest eenvoudige,
vierstemmige
harmonisering.