J. S. Bach: Du sollt Gott, deinen Herren, lieben (BWV 77)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Voor zondag 22 augustus 1723, de dertiende zondag na Trinitatis, componeert Bach, sinds een kleine drie maanden cantor aan de Leipziger Thomaskirche, zijn cantate 77, Du sollt Gott, deinen Herren, lieben. De titel van de cantate wordt - zoals gebruikelijk - gevormd door de eerste woorden van het openingskoor op de bekende tekst uit de evangelielezing voor deze zondag, Lucas 10, vers 27: "Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf.", het zogenoemde dubbelgebod: God liefhebben en je naaste.
BWV 77 is een tamelijk korte cantate die tussen het openingskoor en het slotkoraal slechts twee recitatief/aria-paren omvat, handelend respectievelijk over de liefde tot God en die tot de naaste.
Doordat we van deze cantate bij uitzondering de tekstbron kennen, een jaargang cantate-teksten uit 1720 van Johann Oswald Knauer (*1690) uit Gotha, kunnen we er een keer getuige van zijn hoe oneerbiedig en eigenzinnig Bach omspringt met de hem ter beschikking staande tekst: hij gebruikt slechts de tweede helft ervan, kiest een ander slotkoraal en wijzigt de tekst op allerlei punten, zoals bijvoorbeeld aan het eind van het bas-recitatief (2) waar Bach blijkbaar een versvoet extra prefereert:
Knauer:
Als wenn er das Gemüte
mit seiner Kraft entzünd,
Weil wir dann seiner Güte
erst recht versichert sind.
Bach:
Als wenn er das Gemüte
Durch seinen Geist entzündt,
Weil wir nur seiner Huld und Güte
Alsdenn erst recht versichert sind.

terwijl hij aan het slot van alt-aria (5) onmiskenbaar de zeggingskracht versterkt:
Hab ich oftmals gleich den Willen,
doch das Gute zu erfüllen,
fehlet mir zur jederzeit.
Hab ich oftmals gleich den Willen,
Was Gott saget, zu erfüllen,
Fehlt mir's doch an Möglichkeit.

1. KOOR
»Du sollt Gott, deinen Herren,
lieben von ganzem Herzen,
von ganzer Seele, von allen Kräften
und von ganzem Gemüte
und deinen Nächsten als dich selbst.«
BWV 77 mag dan een weinig uitgevoerde cantate zijn (opnames zijn alleen in de integrale reeksen te vinden), het openingskoor (1) is één van Bachs verbluffendste en spraakmakendste stukken: theologisch diepzinnig, compositorisch ingenieus en muzikaal overtuigend, zelfs voor wie geen weet heeft van de inhoud.
Bach betrekt bij de door het koor gezongen Lucas-tekst de parallelle tekst uit het Mattheus-evangelie (Matth.22:40) waar Jezus aan het ‘dubbelgebod' toevoegt "Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten". De "wet", dat zijn de oud-testamentische Tien Geboden ("Gij zult ....") en Bach introduceert deze notie tekstloos door middel van de melodie van het Lutherkoraal Dies sind die heil'gen zehn Gebot, waarvan de tekst bij alle toehoorders bekend kon worden verondersteld.
Dies sind jpgDe vijf regels van deze koraalmelodie klinken als canon - de meest wet-matige muzikale figuur - tussen de hoogste stem, de trompet, en de laagste, de orkestbas  (fagot, cello, contrabas, orgel); deze "canon van de wet" omsluit dus alles wat er verder gezongen wordt, God- en naastenliefde. De bas beantwoordt de trompet-inzetten niet alleen 2½ octaaf lager maar vooral in twee maal zo lange noten, als cantus firmus in augmentationem, waardoor de trompet voldoende tijd heeft om na elke regel nog eens een regel te herhalen, veelal de eerste Dies sind.... Zodoende zijn er - symbolisch precies - tien trompetinzetten, en bij zijn tiende inzet herhaalt de trompet nog eens de gehele koraalmelodie. Doordat de orkestbas nu een cantus-firmusfunctie vervult, een stem is in een contrapuntische constructie, is hij niet meer beschikbaar voor zijn gebruikelijke, harmonieën funderende continuofunctie; deze rol wordt in dit stuk overgenomen door een bassetchen, een soort surrogaat-bas, gespeeld door de laagste kinstrijkers, de alt-violen. De trompet die Bach hier voorschrijft is een tromba da tirarsi, een schuiftrompet; dat is dus géén trombone - waar immers twéé evenwijdige buizen in elkaar schuiven - maar een trompet waarvan het verlengde mondstuk in de rechte buis van het middenstuk op en neer geschoven kan worden.
In deze instrumentale, oude tien geboden hangt Bach de koorpartijen die, het nieuwe dubbelgebod illustrerend, telkens paarsgewijs elkaar imiteren op voortdurend wisselende afstanden. Hun thematiek, in het orkestvoorspel aangekondigd, is ook weer het Dies-sind-die-heil'gen-zehn-Gebot-thema maar dan achterstevoren (‘in kreeftgang') en op zijn kop, de vijf herhaalde noten na i.p.v. voorafgaand aan het stijgend tetrachord. De vijfde en laatste passage van het koor, met de tekst die het tweede lid van het dubbelgebod articuleert (und deinen Nächsten...) bestrijkt precies de periode waarin de trompet de koraalmelodie nog eens integraal herhaalt terwijl de orkestbas slechts een lange orgelpunt op de lage g laat horen, het onwrikbaar fundament.

2. RECITATIEF (B)
So muß es sein!
Gott will das Herz vor sich alleine haben.
Gott will das Herz für
Man muß den Herrn von ganzer Seelen
zu seiner Lust erwählen
und sich nicht mehr erfreu’n,
als wenn er das Gemüte
durch seinen Geist entzündt,
weil wir nun seiner Huld und Güte
alsdenn erst recht versichert sind.

3. ARIA (S)
Mein Gott, ich liebe dich von Herzen,
mein ganzes Leben hangt dir an.
Laß mich doch dein Gebot erkennen
und in Liebe so entbrennen
daß ich dich ewig lieben kann.

Na een kort secco-recitatief voor de bas (2) bezingt de sopraan in een lieflijk kwartet met twee hobo's en continuo (3) de liefde tot God waarvan het dubbelgebod in de eerste plaats gewag maakt. De oprechte eenvoud van dit zonnige stuk kontrasteert maximaal met de contrapuntische complexiteit van het voorafgaande openingskoor. De niet aflatende terts- en sextparallellen van de hobo's symboliseren uiteraard de innige verbondenheid met God. In de derde regel van Knauers tekst Laß mich doch dieses Glück erkennen vervangt Bach, nauwelijks drie maanden Thomaskantor, het voor zijn superieuren mogelijk aanstootgevende want te modern-hedonistische  "Glück" door het meer orthodoxe "dein Gebot".
4. RECITATIEF (T)
Gib mir dabei, mein Gott! ein Samariterherz,
daß ich zugleich den Nächsten liebe
und mich bei seinem Schmerz
auch über ihn betrübe,
damit ich nicht bei ihm vorübergeh
und ihn in seiner Not nicht lasse.
Gib, daß ich Eigenliebe hasse,
so wirst du mir dereinst das Freudenleben
nach meinem Wunsch, jedoch aus Gnaden geben.
In het accompagnato-recitatief voor de tenor (4) onderstrepen strijkersakkoorden het gebedskarakter van de tekst; hun statische akkoorden komen pas bij Freudenleben in beweging. Het Samariterherz verwijst naar de barmhartige Samaritaan uit de gelijkenis die Jezus  in de evangelielezing uitspreekt, voorafgaand aan de formulering van het dubbelgebod.
5. ARIA (A)
Ach, es bleibt in meiner Liebe
lauter Unvollkommenheit!
Hab ich oftmals gleich den Willen,
was Gott saget, zu erfüllen,
fehlt mirs doch an Möglichkeit.
De da-capoaria Ach, es bleibt (...) lauter Unvollkommenheit (5) is een trio voor de alt en - zeer uitzonderlijk - de trompet. Dit hoogste instrument, symbool van Gods volmaaktheid, zorgt nu eens niet voor een feestelijke en juichende stemming zoals we gewend zijn, maar speelt een ingetogen en bedachtzame, hier en daar lichtelijk gevarieerde melodie waarnaast de alt slechts een nederige bekentenis van ‘s mensen onvolmaaktheid past, eenvoudig en onopgesmukt, meer een geestelijk  lied dan een aria.
6. KORAAL
Herr, durch den Glauben wohn in mir,
laß ihn sich immer stärken,
daß er sei fruchtbar für und für
und reich in guten Werken;
daß er sei tätig durch die Lieb,
mit Freuden und Geduld sich üb,
dem Nächsten fort zu dienen.

Tekstschrijver Knauer voorzag als slotkoraal een vers van Luthers Dies sind die heil'gen zehn Gebot. Bach heeft die suggestie al verwerkt in zijn openingskoor en herhaalt deze melodie niet in zijn slotkoraal, zoals hij het volgend jaar in zijn jaargang koraalcantates juist wel steeds zal gaan doen. Hij schrijft een vierstemmige zetting van de koraalmelodie Ach Gott, vom Himmel sieh darein (6) waarvan de woorden echter verloren zijn gegaan. Helaas werden er in Leipzig vele koralen op deze melodie gezongen. De Neue Bach Ausgabe kiest voor de tekst Herr, durch den Glauben wohn in mir, strofe 8 van het koraal O Gottes Sohn, Herr Jesu Christ van David Denicke (1657); men kan hier dus ook andere teksten uitgevoerd of afgedrukt vinden.
omhoog


© Eduard van Hengel