|
|
|
|
|
|
REFORMATIEDAG In Sachsen was het Reformationsfest (Hervormingsdag) op 31 oktober sinds 1667 één van de hoogtepunten van het kerkelijk jaar; op deze datum zou, aan de vooravond van Allerheiligen, Luther in 1517 zijn 95 stellingen tegen de aflaat op de deur van de slotkapel van Wittenberg hebben gespijkerd. Ook muzikaal placht men op deze feestdag flink uit te pakken, en wat ligt meer voor de hand dan dat te doen op basis van het door Luther zelf gecomponeerde, uitdagende strijdlied Ein feste Burg ist unser Gott, waarmee hij en zijn makkers triomfantelijk zingend naar de Rijksdag te Worms togen, waar Luther in de ban gedaan zou worden. "De eerbiedwaardige kathedraal van Worms schudde op zijn grondvesten en de torenkraaien vlogen ongerust uit toen er dit ongehoorde gezang weerklonk" (Michelet). ‘De Marseillaise van de Reformatie', aldus Heine. Bach heeft dit lied al zeker twee maal gebruikt voor een Reformationsfest-cantate, als hij in 1725 op geheel andere tekst BWV 79 componeert. Daarna hoort u de laatste versie van Ein feste Burg uit de late jaren '30. |
|||||
J. S. BACH: Gott der Herr ist Sonn und Schild (BWV 79) |
Beluister
deze
cantate
alvast in de uitvoering door Leusink en zijn Holland Boys Choir |
||||
| Programmatisch zou
je deze cantate
kunnen beschouwen als een appendix
bij De Swaens vorige seizoen want voor zijn Lutherse missen uit de
dertiger jaren (die wij toen allemaal speelden) hergebruikte Bach uit
BWV 79 maar liefst drie d.w.z. alle daarvoor in aanmerking komende
delen; hij was er zelf blijkbaar zeer tevreden over. Geschreven voor 31
oktober 1725 is de bezetting riant: behalve strijkers en continuo twee
hobo's, twee hoorns en pauken, waarbij opvalt dat de pauken nu eens
niet in het bijna onvermijdelijke gezelschap van trompetten verkeren.
Bij een heruitvoering kwamen er nog twee traverso's bij. De tekst van
deze cantate houdt geen verband met de lezingen voor Reformatiedag,
maar is een meer algemene lofprijzing en dankzegging. De titeltekst van
het martiale deel 1 komt - merkwaardig genoeg - uit de nogal pastorale
Psalm 84, waaraan ook Brahms het heel passend getoonzette Wie lieblich
sind deine Wohnungen in het centrum van zijn Deutsches Requiem
ontleende. Het omvangrijke en complex gestructureerde openingskoor (1)
begint met een lange, op zichzelf al weer driedelige instrumentale
inleiding, met een fuga als middendeel: de hoorns blazen een
triomfantelijke fanfare, gesteund door aandringende paukenslagen maar
trekken zich terug als strijkers en hobo's de paukenslagen verwerken
tot een aanvallend fugathema waarin men oprukkende troepen kan horen.
Na vijf fuga-inzetten keren de hoorns weer terug. Pas dan verschijnt
het koor dat de eerste twee zinnen tweemaal zingt, statig en
zelfverzekerd, met een pronte kwartsprong op Der Herr. Het wordt
begeleid door het militante fugamotief en telkens afgewisseld met het
hoornmotief. Op de laatste tekstzin Er
wird
kein
Gutes
... zet het
koor een langdurige fuga op, met het inmiddels vertrouwde thema. Pas
aan het eind daarvan komen de hoorns en het koor voor het eerst bij
elkaar: op de titeltekst wordt de openingssinfonia ongeveer herhaald,
met het koor er ‘ingebouwd'. Wat kan er nog volgen op zo'n spectaculair begin? Alsof hij zich dat bewust is begint Bach (2) met dezelfde tekst maar schrijft een volstrekt contrasterende, lieflijke dialoog tussen alt en hobo: het kan ook anders (en beter passend bij de sfeer van Psalm 84). Ter begeleiding van het koraal (3) keert muziek van deel 1 terug, maar alleen de dankbare hoornfanfares, niet de strijdlustige fugamotieven. Deze akkolade over de eerste drie delen geeft ze een zekere afgeslotenheid. Voeg daarbij dat de tekst van het nu volgende bas-recitatief (4) ‘Gottlob, wir wissen den rechten Weg' duidelijk niet verwijst naar iets voorafgaands in deze cantate, dan lijkt het waarschijnlijk dat BWV 79 in twee delen werd uitgevoerd, met de preek tussen (3) en (4). Zonder enige instrumentale inleiding beginnen bas en sopraan in duet (5) een lied-achtige samenzang, maar het aanvankelijk ontbrekende, energieke ritornel van de unisono spelende strijkers is desondanks nog vijf maal te horen. Het gebruikelijke, eenvoudig vierstemmig geharmoniseerde slotkoraal (6) wordt hier opgeluisterd door zelfstandige partijen van de twee hoorns en pauken, waardoor het in feite zes à zevenstemmig wordt. (De Swaen, 30/10/2005) |
|||||