J. S. BACH:  Jesus schläft, was soll ich hoffen (BWV 81)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Bach schreef zijn cantate 81 voor de vierde zondag na Epifanie (Driekoningen), 30 januari 1724, dus in het eerste jaar na zijn aantreden als Thomaskantor in Leipzig. De cantate volgt, meer dan enig andere cantate, nogal nauwgezet de voor deze zondag voorgeschreven evangelielezing, Matteüs 8: 23 - 27, die verslag doet van een gebeurtenis waarover ook de andere, ‘synoptische' evangelisten Marcus en Lucas berichten: Jezus vaart met zijn volgelingen in een boot over het meer van Galilea als er een storm opsteekt. Maar terwijl Jezus rustig doorslaapt worden de discipelen bang, ze wekken Jezus die met een enkel woord de storm weet te bedaren en vervolgens zijn volgelingen vermaant met de woorden die in de cantate centraal staan (4) "Waarom zijn jullie zo bang, kleingelovigen?".
Bachs onbekende tekstdichter kan het verslag van de wederwaardigheden op het meer van Galilea omvormen tot een actuele preek door de ervaringen van de discipelen metaforisch te betrekken op de hedendaagse gelovigen. Dat gebeurt in drie fasen, met de drie aria's:
(1) Jezus slaapt / de gelovige ervaart zijn afwezigheid en vreest;
(3) het stormt / de gelovige wordt door de duivel, het kwaad en zonde belaagd;
(5) Jezus maant de storm te luwen / hij komt de christen te hulp.
Hoewel Bach zich in twee stormaria's een kundig operacomponist betoont en lijkt te spotten met de instructie (bij zijn aantreden) om "geen theatrale muziek" te schrijven, wordt de cantate niet echt dramatisch: Bach moet het drama vangen in, naar hun aard vrij statische aria's waarvoor de barokke estetiek een "eenheid van affekt" voorschrijft. Hij moet gebeurtenissen dus reduceren tot een reeks achtereenvolgende gemoedstoestanden of situatieschilderingen: Jezus slaapt maar wordt niet wakker, de storm komt niet op noch gaat hij liggen en Jezus' bedarend gebaar blijft zonder hoorbaar gevolg.
De cantate heeft een symmetrische structuur: de centrale tekst (4) wordt geflankeerd door twee stormachtige aria's, twee recitatieven, een slotkoraal en een openingsaria. In de eerste drie delen slaapt Jezus, in de laatste is hij actief (schema). Er is geen openingskoor en geen solorol voor de sopraan.

(4) Arioso B
Wees niet bang

Storm verzwakt het geloof
(3) Aria T
Aria B (5) Storm bedaart
Jezus zwijgt
(2) Recit T
Recit. A (6)
Jezus helpt
Jezus slaapt
(1) Aria A    Koraal (7)
Jezus beschermt
1. Aria (A)
Jesus schläft, was soll ich hoffen?
   Seh ich nicht
   mit erblaßtem Angesicht
   schon des Todes Abgrund offen?
In aria (1) zorgen laag spelende strijkers, de hen octaverende twee blokfluiten en rustgevende toonherhalingen van het continuo voor de sound van het slaapliedje; denk aan het Schlafe, mein Liebster uit het Weihnachtsoratorium. Ook de lange lage noten van de alt dragen daaraan bij. Maar dit is geen onschuldig slaaplied doch tegelijk een klaaglied: de hulpeloze alt, veelal verpersoonlijking van de zondige, lijdende en klagende mens, vreest, in afwezigheid van Jezus, haar dood. Snijdende dissonanten, verminderde intervallen, seufzermotieven (muziekvoorbeeld) en scherpe harmonieën verbeelden haar angst. Nu en dan stort zich het continuo over bijna twee octaven in de diepe Abgrund van de dood. Bij de gedachte aan haar dood resten de vereenzaamde alt slechts blokfluiten ter begeleiding. Haar laatste woorden,  Was soll ich hoffen vallen nooit - zoals het in een ordentelijke aria betaamt - in een harmonische afsluiting (cadens) maar blijven onbeantwoord in de lucht hangen.
2. Recitatief (T)
Herr, warum trittest du so ferne?
Warum verbirgst du dich zur Zeit der Not,
da alles mir ein kläglich Ende droht?
Ach, wird dein Auge nicht durch meine Not beweget,
so sonsten nie zu schlummern pfleget?
Du wiesest ja mit einem Sterne
vordem den neubekehrten Weisen
den rechten Weg zu reisen.
Ach, leite mich durch deiner Augen Licht,
weil dieser Weg nichts als Gefahr verspricht.
De tenor doorbreekt in zijn secco recitatief (2) de stilte voor de storm en de berusting van de alt met een dringende smeekbede tot God, bijbels gefundeerd met citaten uit Psalm 10 (Warum verbirgst du dich) en een verwijzing naar de ster die nog onlangs (Driekoningen) de wijzen de weg wees. Het beroep op Gods Augen refereert uiteraard aan de slapende Jezus. De tenorpartij heeft beeldende wendingen: een enorme sprong (een ‘none') omhoog op ferne, een droeve omlaag op kläglich, en een laddertje (Leiter) omlaag op leite mich.
Het continuo ondersteunt zijn appèl met de meest buitennissige wendingen en dissonante harmonieën: een reeks schrille (verminderde-septiem)akkoorden op Noth (2x), kläglich Ende, deiner en Gefahr. De cello speelt onder de woorden mir ein kläglich Ende de noten die - een terts omhoog getransponeerd - de naam B-A-C-H spellen, een wending waarmee Bach zijn persoonlijke betrokkenheid (mir) pleegt te tonen, en onder de zin leite ... Weg speelt hij een in halve tonen (chromatisch) stijgende lijn, een omkering van de bekende, dalende lamento-reeks, die meestal "zonde" betekent en hier dus de te vermijden route (Weg) in beeld brengt.
3. Aria (T)
Die schäumenden Wellen von Belials Bächen
verdoppeln die Wut.
   Ein Christ soll zwar wie *Wellen stehn,
   wenn Trübsalswinde um ihn gehn,  *
Felsen
   doch suchet die stürmende Flut
   die Kräfte des Glaubens zu schwächen.
Het natuurgeweld breekt los in de tumultueuze tenoraria (3). Stampende zestienden van de lage strijkers suggereren rommelende donder en beukende golven, in de flitsende eerste vioolpartij hoor je bliksemschichten en opkuivende en overstortende schuimkammen. Er is geen melodie te bekennen: zinloos geweld. De belaagde tenor tracht zich met halsbrekende toeren overeind te houden en bedient zich nu en dan van dezelfde virtuoze 32sten die de viool tegen hem inzet: verdoppeln. Tot driemaal toe geeft een korte stilte in de storm de tenor gelegenheid tot bezinning in een kort accompagnato recitatief, Adagio in 4/4-maat,  maar direct herneemt zich de storm; de tenor is letterlijk door woedende golven omgeven.
De adembenemende virtuositeit die van alle uitvoerenden wordt gevergd, zorgt ervoor dat de spanning die de musici zullen ervaren, "gaan wij dit redden?", wordt overgedragen op de toehoorder, als ware het de spanning aan boord van het wrakke scheepje op de woelige baren.
De tekst heeft aanleiding gegeven tot diepe misverstanden vanwege het herhaalde Wellen, golven. Golvende stromen van Belial, een personifikatie van de duivel: dat valt te begrijpen. Maar daartegen moet de christen zich handhaven als Wellen? De oude Bachausgabe nam aan dat dit een vergissing is en wijzigde het in Felsen, rotsen, een geschikt symbool van standvastigheid. En zelfs de nieuwe Bachausgabe, die al dergelijke ‘verbeteringen' terugdraaide, handhaafde de Felsen, gecursiveerd. Terwijl er toch onmiskenbaar Wellen staat, niet alleen in Bachs handgeschreven partituur, maar ook in de door hem gecorrigeerde tenorpartij, en zelfs in het, van deze cantate toevallig bewaard gebleven, gedrukte tekstboek. Er is wel gesuggereerd dat hier het in oude woordenboeken voorkomende woord Wellen is bedoeld, een liggende cylindrische vorm, verwant met ons woord ‘wals', of een staande as waarom iets draait, en dat een zekere onwrikbaarheid uitstraalt. Mijn interpretatie: Wellen verwijst naar de golven van de Rode Zee die (volgens het bijbelboek Exodus 14:21) op bevel van God uiteenweken en als een muur terzijde stonden om het volk Israel onder leiding van Mozes doortocht te verlenen. Belials golven moeten hun energie dus ‘verdubbelen' (r.2) om in de eerste plaats deze ‘staande golven' te overspoelen en vervolgens het daaraan ten grondslag liggende geloof aan te tasten.
Formeel is er nog wel wat op te merken. De aria is duidelijk van het da-capo-type: de eerste twee regels (deel A) worden na het middendeel herhaald. Maar terwijl de eerste helft van het middendeel als recitatief wordt behandeld, gebruikt Bach voor het tweede deel (doch suchet) al weer de muziek van A. Als het om theater gaat, negeert Bach vormvereisten.
4. Arioso (B)
»Ihr Kleingläubigen, warum seid ihr so furchtsam?«
De centrale tekst (Matteüs 8:26) wordt in arioso (4) vertolkt door de bas, die hier als Vox Christi) optreedt en tegelijkertijd de discipelen en de gelovigen aanspreekt. Ter onderstreping van het duurzaam gezag van de tekst kiest Bach een strenge vorm, een fugatisch spel tussen bas en continuo. Twaalf maal klinkt het Warum?, éénmaal voor elke discipel. Aan het eind een harmonisch vraagteken, een ‘halfslot'.
5. Aria (B)
Schweig, aufgetürmtes Meer!
Verstumme! Sturm und Wind!
    Dir sei dein Ziel gesetzet,
    damit mein auserwähltes Kind
    kein Unfall je verletzet.
Voor aria (5) barst opnieuw de storm los maar nu intervenieert God. Weer spelen de strijkers slechts continuo motieven; ze octaveren het rollend motief dat zich opstapelende golven (aufgetürmtes Meer) illustreert en waarvan de eerste viool telkens de echo laat horen.
Maar nu zijn er ook twee hobo's d'amore, ongetwijfeld dezelfde musici als de blokfluitisten uit deel (1). Hun in canon vertolkt thema begint met de gebiedende kwartsprong waarmee even later de bas zal pogen de storm te bezweren. Enkele malen lijkt de storm inderdaad gehoor te geven aan Gods bevel Verstumme! Maar weldra herneemt hij zich en na een wat beheerster middendeel (damit mein Kind ...) weer in volle kracht tijdens het da-capo. Net voor het da-capo horen we van de bas een chromatisch lijntje omhoog, het lijdensmotief in omgekeerde richting: ‘opdat Hem niets overkomt'.
6. Recitatief (A)
Wohl mir, mein Jesus spricht ein Wort,
mein Helfer ist erwacht,
so muß der Wellen Sturm,
des Unglücks Nacht
und aller Kummer fort.
In het korte recitatief (6) betoont de alt, nog zo angstig in (1), zich nu gerustgesteld; wij worden verondersteld te weten dat de storm na het slotakkoord van (5) inderdaad is gaan liggen.
7. Koraal
Unter deinen Schirmen
bin ich für den Stürmen
aller Feinde frei.
Laß den Satan wüttern,
laß den Feind erbittern,
mir steht Jesus bei.
Ob es itzt gleich kracht und blitzt,
ob gleich Sünd und Hölle schrecken:
Jesus will mich decken.

De christelijke gemeente deelt haar vertrouwen in Gods bescherming in het vierstemmig geharmoniseerde slotkoraal (7), het tweede couplet van Johann Francks beroemde lied Jesu, meine Freude (1653).
omhoog


© Eduard van Hengel