J. S. BACH: Ich habe genung (BWV 82)

Beluister opnames van Klaus Mertens, Thomas Quasthoff, Harnoncourt/Huttenlocher,
 Rifkin, Herreweghe/Kooij, Richter/Dieskau, Norrington/Goerne, Rilling,
 All of Bach/Bauer, AmerBachSoloists of Leusink/Ramselaar
Of (BWV 82a) Hana Blazikova dan wel EmmaKirkby.
Tot de Mariafeesten die de lutherse liturgische kalender handhaafde behoort het feest dat op 2 februari wordt gevierd, Maria Lichtmis. Het begrip Lichtmis (Candlemas), waarop kaarsen worden gezegend, verwijst naar de voor-christelijke lichtfeesten die de lange winternacht begrenzen en ten onzent op de Vrije Scholen nog wel gevierd worden: 40 dagen vóór midwinter (Kerstmis), op St Maarten (11 november) gaan de kaarsen aan, 40 dagen erna, op 2 februari, is het weer zo licht dat ze uit kunnen. Het christelijke feest van 2 februari, Maria Reiniging (Festo Purificationis Mariae), gaat terug op de joodse traditie die, conform de wetten van Mozes, de vrouw die een kind heeft gebaard (i.c. Maria, de moeder van Jezus) gedurende 40 dagen als onrein beschouwt waarna ze zich voor een rituele reiniging in de tempel moet vervoegen, en waarbij een eerstgeboren zoon aan de priesters dient te worden voorgesteld: de presentatie van Jezus in de tempel. De evangelie-pericoop die op deze dag wordt gelezen, Lucas 2:22-32, maakt melding van een vrome jood, Simeon, die daarbij aanwezig was. Hem was beloofd dat hij niet zou sterven voor hij de verwachte Messias had gezien; als hij het kindje Jezus op zijn arm heeft gehad, herkent hij deze als de beloofde Heiland en uit zijn vreugde daarover in wat bekend staat als het ‘loflied van Simeon' (Canticum Simeonis), "Laat nu, Heer, uw dienstknecht gaan in vrede, etc", veelvuldig op muziek gezet, ofwel in zijn latijnse versie Nunc dimittis, ofwel in Luthers vertaling HERR, nun läßt du deinen Diener in Frieden fahren.
Geen van de cantates die Bach voor Maria Reiniging schreef (BWV nrs 83, 125, 158, 82 en 157) schenkt aandacht aan het reinigingsritueel, noch aan de presentatie van het kind Jezus maar alle concentreren zich op Simeon die - hoewel dat nergens in de bijbel staat - door de kerk altijd gezien werd als een oude, levensmoede man wiens "Laat mij nu gaan" werd geïnterpreteerd als "Laat mij nu maar sterven": Mit Fried und Freud ich fahr dahin (BWV 125); wanneer het Nunc dimittis in het romeinse missaal opduikt aan het eind van de completen heeft dat toch ook niet de betekenis "U kunt nu rustig sterven" maar veeleer "Nu kunt u het leven wel weer aan." Simeon echter werd de belichaming van de Lutherse doodsmystiek die het einde van het leven verwelkomt als een bevrijding uit alle aardse lijden en pijn, en als een onschuldige doorgang, een slaap, naar een beter, eeuwig leven hiernamaals.

De cantate Ich habe genung*) (BWV 82) getuigt van deze doodsaanvaarding; hij werd door een onbekende tekstdichter geschreven voor 2 februari 1727. Waarschijnlijk omdat Maria Reiniging in 1727 op een zondag viel waardoor Bach met zijn gebrekkige middelen gelijktijdig concertante muziek moest verzorgen in Thomas- èn Nicolaikirche, heeft BWV 82 een kamermuzikaal formaat: continuo, strijkers (een strijkkwartet volstaat), één instrumentale solist (hobo) en slechts één vocale solist, een bas. Er is, in tegenstelling tot andere zogeheten solocantates, zelfs geen slotkoraal: de cantate is strikt als Italiaanse cantate opgebouwd uit drie aria's en twee verbindende recitatieven. Omdat de cantate om deze redenen aantrekkelijk is voor solisten op concertpodia werd het één van Bachs meest uitgevoerde cantates. Bach moet er zelf trouwens ook zeer tevreden over zijn geweest want in 1731 vervaardigde hij een versie voor sopraan en traverso (BWV 82a, in e-klein), in 1735 werd een versie voor mezzo-sopraan en hobo in e-klein uitgevoerd, en in de tweede helft van de jaren ‘40 ontstond nog een versie voor bas en hobo da caccia. Recitatief (2) en aria (3) noteerde Bach (als enige stukken uit zijn cantate-oeuvre) in het Notenbüchlein voor zijn vrouw Anna Magdalena.
1. ARIA (B)
Ich habe genung,
Ich habe den Heiland, das Hoffen der Frommen,
Auf meine begierigen Arme genommen;
Ich habe genung!
Ich hab ihn erblickt,
Mein Glaube hat Jesum ans Herze gedrückt;
Nun wünsch ich, noch heute mit Freuden
Von hinnen zu scheiden.
Ich habe genung!

De tekst van aria (1) is een parafrase van Simeons lied uit het Lucas-evangelie en de bas fungeert hier dus als Vox Simeonis. De statische, meestal langzaam dalende baslijnen van orgel en continuo (die onderscheiden partijen hebben) zorgen voor zwaarmoedige, traag veranderende harmonieën die door de eerste viool aanvankelijk worden gevuld met schrijnende en zuchtende (seufzer-)figuren en vervolgens met wat lossere motieven. Daarboven speelt de solistische hobo lyrische, steeds weer veranderende melodische lijnen die echter regelmatig vertrekken vanuit een markant motief waarop de bas de woorden Ich habe genung zal gaan zingen, en dat we in Bachs werk vaker tegenkomen, o.m. in de alt-aria Erbarme dich uit de Matthäus-Passion: een stijgende sextsprong, voorafgegaan door een Schleifer, een rhetorische figuur (exclamatio) die opwinding en verontrusting uitdrukt.
Met lange pauzes geeft de bas uitdrukking aan zijn vermoeidheid met het aardse bestaan maar last op Freuden nog een vrolijk melisma in. Telkens wanneer hij zijn vocale passages besluit met Ich habe genung zwijgen de instrumenten eerbiedig.
2. RECITATIEF (B)
Ich habe genung!
Mein Trost ist nur allein,
Daß Jesus mein und ich sein eigen möchte sein.
Im Glauben halt ich ihn,
Da seh ich auch mit Simeon,
Die Freude jenes Lebens schon.
Laßt uns mit diesem Manne ziehn!
Ach! möchte mich von meines Leibes Ketten
Der Herr erretten!
Ach! wäre doch mein Abschied hier,
Mit Freuden sagt ich, Welt, zu dir:
Ich habe genung!

Hoewel recitatief (2) met dezelfde tekst begint, is het perspektief veranderd: we schakelen over naar de aktualiteit en de bas zingt nu als een gelovige waarnemer die zich met Simeon wil identificeren. De centrale woorden Laßt uns mit diesem Manne ziehen worden met een arioso onderstreept, waarin bovendien een korte canon tussen continuo en bassolist duidelijk maakt dat het om navolging gaat.
3. ARIA (B)
Schlummert ein, ihr matten Augen,
Fallet sanft und selig zu!
   Welt, ich bleibe nicht mehr hier,
   Hab ich doch kein Teil an dir,
   Das der Seele könnte taugen.
   Hier muß ich das Elend bauen,
   Aber dort, dort werd ich schauen
   Süßen Friede, stille Ruh.

De wat levendiger en beweeglijker aria (3), Schlummert ein, schetst de dood als een onschuldige slaap, een "wiegelied voor het eeuwig slapen gaan". Strijkers spelen een zangerige melodie waarop de bas zijn tekst zal declameren. Syncopes (het accent ná de tel) zorgen voor een wiegend ritme; regelmatig zetten fermates de beweging stil, suggererend dat de muziek is ingedommeld. De volgens een da-caposchema opgezette tekst heeft een zo uitgebreid B-gedeelte dat Bach daar middenin nog eens A invoegt; daardoor domineert het Schlummert-thema, als een vocaal en instrumentaal refrein, sterker dan in een eenvoudige da-capovorm. Zie het schema.
A
B
A
10
28
37
49
68
85
10
28
37
Rit.
1
Rit. 2
1
3
Rit. 1
Rit.
Alleen in de eerste (1727) versie ontbreekt in deze aria het soloinstrument (hobo), in alle volgende speelt het colla parte met de eerste viool mee, en hebben dus alle drie aria's een identieke bezetting.
4. RECITATIEF (B)
Mein Gott! wenn kömmt das schöne: Nun!
Da ich im Friede fahren werde
Und in dem Sande kühler Erde
Und dort bei dir im Schoße ruhn?
Der Abschied ist gemacht,
Welt, gute Nacht!

Recitatief (4) toont een mens die zich ongeduldig verheugt op een rusten in Gods schoot en moeder Aarde. De woorden in Frieden fahren verwijzen naar Luthers op het Canticum Simeonis gebaseerde koraal. In  het arioso slot bevestigt het continuo de anticipatie op de dood met een afdaling naar zijn allerlaagste toon.
5. ARIA (B)
Ich freue mich auf meinen Tod,
Ach! hätt er sich schon eingefunden.
Da entkomm ich aller Not,
Die mich noch auf der Welt gebunden.
In de afsluitende aria (5) komt ook het tweede deel van Luthers koraaltitel tot zijn recht: Mit Fried' und Freud' fahr ich dahin. De sfeer is nu welhaast uitgelaten. Hoewel de maat (3/8) identiek is aan die van de sombere eerste aria, is het tempo hier vlot en het ritme dansant. De bas negeert aanvankelijk het door de instrumentalisten voorgestelde muzikaal motief ten gunste van een steeds hoger stijgend Freuen. Ook in deze aria gaat de hobo (c.q. het soloinstrument) goeddeels colla parte met de eerste viool maar hij verzelfstandigt zich om het woord freue te illustreren met een giechelend figuurtje, en in het wat ingetogener middendeel; bij het woord gebunden verzorgt hij binding in de staccato begeleiding van de strijkers.

*) Bach schrijft "genung", een oude vorm voor "genug" (zoals "pfenning" voor "pfennig") die zich in Saksen lang handhaafde, en door de oude Bachgesellschaft werd ‘verbeterd'.


Onbekende tekstdichter: In de 2015 aflevering van het internettijdschrift Understanding Bach rapporteert Christine Blanken (Bach Archiv Leipzig) de vondst van een bundel cantateteksten uit 1728 van de hand van de latere pastor Christoph Birkmann (1703 - 1771) die van 1724 tot 1727 in Leipzig studeerde, zong en speelde onder Bachs leiding, en gaandeweg van wiskunde, natuurwetenschap en muziek overstapte naar theologie.
Hij zou nu in aanmerking komen als tekstdichter van o.m. de cantates BWV 169, 56, 49, 98, 55, 52, 58, 82 die Bach in het najaar van 1726 uitvoerde.  terug
omhoog


© Eduard van Hengel