Wanneer Bach - waarschijnlijk door het overlijden van zijn vaste
librettist - gedwongen wordt zijn, na Pinksteren 1724 begonnen jaargang
koraalcantates met Pasen 1725 voortijdig te beëindigen, voltooit
hij zijn tweede cantatejaargang met negen cantates op teksten van de
dan 30-jarige Leipziger dichteres Christiane Mariane von Ziegler. Maar
zijn cantateteksten wijken nogal af van de teksten die Von Ziegler drie
jaar later zelf publiceert; de verschillen, waarvan onderstaand enkele
voorbeelden, zouden het gevolg kunnen zijn van latere wijzigingen door
de dichteres in de versies waarover Bach blijkbaar kon beschikken.
Waarschijnlijker is echter dat Bach zelf, uit eigen behoefte, in haar
teksten ingreep.
Op de zondagen tussen Pasen en Pinksteren leest de kerk teksten uit het
evangelie van Johannes, waarin Jezus zijn volgelingen voorbereidt op de
periode na zijn kruisiging en hemelvaart. Voor de vijfde zondag na
Pasen, Zondag
Rogate waarvoor Bach in 1725
(6 mei) zijn cantate 87 schreef is dat Johannes 16 : 23 - 30. Mariane
von Ziegler stelt daarvan de verzen 24 en 33 centraal in haar
cantatetekst; omdat deze tot Jezus' afscheidsrede behoren, worden ze
door Bach in de delen
(1) en
(5) toegewezen aan de
Vox Christi, de bas.
Jezus formuleert de titeltekst van de cantate,
Bisher habt ihr nichts gebeten in meinem
Namen (Joh. 16 : 24) als onderdeel van een oproep om, naar
behoefte, via hem tot God te bidden, "en gij zult ontvangen." Von
Ziegler interpreteert deze tekst echter nogal somber, als een
bedreigende waarschuwing omdat mensen hebben nagelaten om vergeving te
bidden voor hun vele zonden. De hele cantate krijgt daarom een tamelijk
duister, grimmig karakter, met zes delen in mineur toonsoorten en als
enig lichtpuntje de tenoraria
(6)
in Bes-groot. Wat trouwens niet ten nadele van de muziek gaat! De
cantate wordt waarschijnlijk slechts zo weinig uitgevoerd omdat hij -
buiten het vierstemmig slotkoraal - slechts drie solisten vergt, en
geen vierstemmig koor. Onder de solisten ontbreekt de sopraan.
De acht woorden van de cantatetitel vormen de enige tekst voor het
eerste deel
(1) waarin de bas,
de
Vox Christi, wordt
begeleid door drie strijkers en drie hobo's die elkaars partijen
verdubbelen. Het stuk kan - aangezien het hier om een bijbeltekst gaat
- niet als ‘aria' worden aangeduid, en verloopt ook niet als zodanig;
het opent weliswaar met een uitgebreide instrumentale inleiding, die
1/3 van het stuk beslaat, maar die fungeert niet als een ritornel in
een aria: hij komt nergens meer terug, zelfs niet wanneer de bas zijn
laatste noot heeft gezongen. De tekst wordt vijfmaal herhaald waarbij
het accent achtereenvolgens valt op de woorden
Bisher,
in meinen Namen en
gebeten. De muziek is zoals de
nadrukkelijk vermanende tekst: ernstig maar niet onvriendelijk: de
aantrekkelijke, ritmische muziek verhult bijkans dat hier een streng
polyfoon stemmenweefsel wordt gesponnen tussen de hoge
instrumentalisten en de bassolist.
Dankzij het abrupte slot van
(1)
volgt terstond de verontrustende interpretatie die Von Ziegler aan de
openingstekst geeft in het alt-recitatief
(2): gij zult vergeving vragen.
En dat gebeurt in de lange en berouwvolle alt-aria
(3). De alt wordt begeleid door de
donkere sound van de twee alt-hobo's, de hobo's
da caccia (letterlijk:
jachthobo's); zij opereren niet polyfoon maar veelal in parallelle
tertsen en sexten. Hun belangrijkste motief is de klaaglijke
Seufzer, twee stijgend of dalend
gebonden achtste noten waaraan de alt het woord
Vergib zal verbinden. Maar ook een
langzaam omhoogstrevende reeks rollende zestienden die het
Geduld blijken te illustreren bij
het moeizame streven naar geconcentreerd gebed. Het continuo begeleidt
de alt en de caccia's met een hardnekkige figuur: het smekende gebaar
van een stijgend gebroken akkoord (
arpeggio).
Alle tekstuitbeeldende figuren zijn vervat in opvallend rijke
harmonieën. Het woord
sprüchwortsweis
is geciteerd uit de evangelielezing (Joh. 16 : 25) waarin Jezus
verklaart tot dan toe "in beelden" te hebben gesproken maar zich
weldra directer belooft te uiten. (
Geheiß
= vermaning)
In recitatief
(4) bekent ook
de tenor schuld, en vraagt om troost. Zijn recitatief wordt door
strijkers begeleid die met name zijn kronkelig
suchen van kleurrijke (
chromatische) harmonieën
voorzien. De tekst werd door Bach zelf in het libretto van Mariane von
Ziegler ingevoegd, waarschijnlijk om alvast enige muzikale troost te
bieden tussen de sombere aria
(3)
en de ascetisch getoonzette, belerende evangelietekst
(5).
Het tweede Jezus-woord (Joh. 16 : 33) waarom de cantate draait
(5) wordt opnieuw aan de
Vox Christi toevertrouwd. Alle
aardse luister ontbreekt in de sobere continuobegeleiding die
voortdurend eenzelfde figuur herhaalt.
Angst wordt met schrijnende halve
noten onderstreept, en ook de smartelijke harmonieën op
Ich habe die Welt überwunden
illustreren hoeveel strijd en pijn die overwinning kost. Alleen bij
aber seid getrost wordt even naar
een majeur-toonsoort gemoduleerd. Met twee achtereenvolgende grote
sprongen (none omlaag, decime omhoog) naar een lage G wordt de
Welt ten slotte in zijn
afgrondelijkheid weggezet door de bas. Ondanks een herhaling van het
instrumentaal ritornel aan het slot heeft deze driedelige zetting van
een Christuswoord wederom niet het karakter van een aria; het wordt
door Bach aangeduid als
basso solo.
Met de troostende tenoraria
(6),
het enige in een majeur toonsoort staande deel, is de toon weliswaar
aanmerkelijk opgeklaard, maar de vreugde blijft gereserveerd en
ingetogen: hier heerst de vredige acceptatie van
Schmerz,
Trauer en
Sorgen, in het bewustzijn van
Christus' hulp en bemoediging. Louter strijkers begeleiden de tenor, op
het gracieuze 12/8-ritme van de siciliano dat een pastorale stemming
schept, al ontbreken de dissonanten niet.
Tot slotkoraal
(7) dient vers
9 van Heinrich Müllers weinig bekende lied
Selig ist die Seele (1659), dat
werd gezongen op de veel bekender melodie van
Jesu, meine Freude. De gemeente
bevestigt de conclusie dat Christus' liefde het lijden tot een vreugde
maakt. Met het donkere coloriet van de lage houtblazers en de mineur
toonsoort keert de bedachtzame sfeer van het begin weer terug. Maar het
slotakkoord is D-groot. (NB In het veelgebruikte klavieruittreksel op
basis van de oude Bachausgabe zijn, zonder goede reden, de regels
über Honig süsse,/ tausend
Zuckerküsse/ drücket er ans Hertz vervangen door
nichts als lauter Wonne,/ seiner Liebe
Sonne/ füllet mir das Herz.)
| tekstvergelijking: |
Mariane
von Ziegler
2. O Wort! Das Geist und Hertz
erschreckt,
Ach
Menschen=Kinder! Merckt,
was wohl
darhinter steckt;
Ihr habet
das Gesetz
vorsetzlich
übertreten,
Und
dißfals möcht ihr Tag und Nacht,
In
Buß und Andacht beten: |
Bach
2. O Wort, das Geist und Seel
erschreckt,
ihr
Menschen, merckt den Zuruff,
was
dahinter steckt!
Ihr habt
Gesetz und Evangelium
vorsetzlich übertreten,
und
dißfals möcht ihr ungesäumt
in
Buß und Andacht beten. |
|
|
6. Ich will leiden, ich will
schweigen,
Jesus wird
mir Hülff erzeigen
Denn er
tröst mich nach dem Schmertz.
Weicht ihr
Sorgen! Flieht ihr Klagen!
Seele, du
darffst nicht verzagen,
Fasse dich
betrübtes Hertz. |
6. idem
....
....
Weicht,
ihr Sorgen, Trauer, Klagen!
Denn warum
solt ich verzagen?
fasse dich
betrübtes Hertz! |