J. S. BACH: Siehe, ich will viel Fischer aussenden (BWV 88)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Bach componeerde Cantate 88 in 1726, voor de vijfde zondag na Trinitatis, 21 juli. Sinds medio 1725 schrijft hij niet meer wekelijks nieuwe cantates en in het voorjaar 1726 voert hij zelfs diverse cantates uit van zijn verre neef, de Meininger Hofkapellmeister Johann Ludwig Bach (1677 - 1731). Wanneer Sebastian na Trinitatis (16 juni) 1726 weer flink aan de slag gaat schrijft hij zeven cantates waarvan de teksten ontleend zijn aan dezelfde, reeds uit 1704 daterende bundel cantateteksten die ook neef Ludwig gebruikte, en die waarschijnlijk werden gedicht door diens werkgever, Hertog Ernst Ludwig von Sachsen-Meiningen (1672 - 1724). Al deze teksten hebben eenzelfde, symmetrische structuur: het zijn cantates in twee delen, uit voeren vóór, resp. na de preek, waarvan elk deel met een bijbelcitaat begint: deel 1 uit het Oude Testament, deel 2 uit Nieuwe. De nieuw-testamentische tekst verschijnt daardoor in het centrum (deel 4) van de zevendelige cantate. Bijzonder aan BWV 88 is dat we weten dat ook Ludwig dezelfde tekst op muziek heeft gezet; fragmenten ervan werden aangetroffen op door een Frankfurter boekbinder gebruikt oud papier.

De cantate handelt over Gods zorg voor de mens. Centraal staan de aan de evangelielezing van deze dag (Lukas 5: 1-11) ontleende woorden van Jezus, gesproken tot de visser Simon Petrus bij diens verkiezing tot eerste discipel: “voortaan zult gij mensen vangen”, in de zin van bekeren en op het rechte pad brengen. De tekstdichter herinnert zich een soortgelijke uitspraak van God in het Oude Testament (Jeremia 16:16) waarmee de cantate begint: God besluit de uit hun land verjaagde en over verre streken verspreid geraakte Israëlieten door ‘vissers’ te doen opsporen en door ‘jagers’ terug te drijven naar hun thuisland. Met deze parallelteksten ondersteunt de librettist de visie dat het Nieuwe Testament de vervulling is van in het Oude gedane beloften.
BWV 88 - die ten onzent als ‘solocantate’ wordt bestempeld omdat de vier zangers slechts in het slotkoraal gezamenlijk optreden - heeft een uitzonderlijk grote instrumentale bezetting: behalve strijkers en continuo twee hobo’s d’amore en een althobo (taille) en twee hoorns in G.
DEEL I

1. ARIA (B)
»Siehe, ich will viel Fischer aussenden, spricht der Herr. die sollen sie fischen.
Und darnach will ich viel Jäger aussenden,
die sollen sie fahen auf allen Bergen
und auf allen Hügeln und in allen Steinritzen.«
Omdat de openingstekst God in de directe rede (“Ik zal ...”) sprekend opvoert begint de cantate (1) niet met een koor maar met een solo voor de bas, de gebruikelijke Vox Dei. Omdat het stuk geen expressie van menselijke affekten behelst noemt Bach het ook bewust geen ‘aria’.
Bach toont zich verguld met een tekst die hem twee duidelijke beelden aanreikt: vissen en jagen, en componeert een stuk dat - zeer ongebruikelijk en tegen de regels - uit twee contrasterende delen bestaat die direct in elkaar overgaan maar verschillen in tempo, maatsoort en instrumentale bezetting, en zelfs in toonsoort, D-groot (2#) en G-groot (1#).
De eerste halfzin (Fischer) opent met een lang, sfeerbepalend instrumentaal voorspel. De strijkers worden colla parte verdubbeld door de drie hobo’s: een charmante barcarolle in 6/8-maat, kabbelende lange (achtsten) en korte (zestienden) golven, een boot, vredig schommelend op het water. Er is geen bepaald thema dat - zoals in een aria - door de zanger kan worden overgenomen, hij herhaalt zijn tekst voortdurend op nieuwe muziek.
Maar na 100 maten verandert het idyllische zeegezicht plotseling in een opgewonden jachttafereel (Jäger). Twee schallende hoorns voegen zich bij de begeleiding die nu in een snelle alla-brevemaat  verloopt (Allegro quasi presto). Hier delen zanger en instrumentalisten wel eenzelfde thematiek want het beeld van voor de jagers vluchtend wild suggereert als vorm de fuga; dat woord is immers afgeleid van het Latijnse fugere, vluchten: achter elkaar aan jagende thema’s. De syncopes in het thema dat eerst door de bas wordt ingezet en later overgenomen door de hoorns en de strijkers (con hobo) tonen jagers in galop. Hoewel het fugathema geen hoofdrol speelt blijft het levendige stuk wel consequent polyfoon opgebouwd: er klinken er vrijwel steeds zeven onafhankelijke partijen. Bergen en Hügeln worden met grote,  octaaf- en septiemsprongen afgebeeld.
2. RECITATIEF (T)
Wie leichtlich könnte doch
der Höchste uns entbehren
und seine Gnade von uns kehren,
wenn der verkehrte Sinn
sich böslich von ihm trennt
und mit verstocktem Mut
in sein Verderben rennt.
Was aber tut sein vatertreu Gemüte?
Tritt er mit seiner Güte von uns,
gleich so wie wir von ihm, zurück?
Und überläßt er uns
der Feinde List und Tück?
In het eerste, louter door continuo begeleide recitatief (2) stelt de tenor zich enkele vragen aangaande Gods vasthoudende toewijding aan de mens; vragen die hij in de direct aansluitende (attacca!) aria met een pertinent “ Nein, nein!” zal beantwoorden. Terloops worden woorden als kehren (afwenden), verkehrte Sinn en List met lelijke verminderd-septiemakkoorden geaccentueerd.

3. ARIA (T)
Nein, nein! Gott ist allezeit geflissen,
uns auf gutem Weg zu wissen
unter seiner Gnaden Schein.
Ja, ja! wenn wir verirret sein
und die rechte Bahn verlassen,
will er uns gar suchen lassen.
Ten behoeve van de dramatiek begint de tenoraria (3) met het heftige afwijzend antwoord “ Nein, nein!”, zonder enige instrumentale inleiding en alleen door continuo begeleid en daardoor des te duidelijker verstaanbaar. Pas na 12 maten verschijnt als begeleidings-instrument en als symbool van Gods liefde de hobo d’amore, met een versierde versie van de tenormelodie. De triosonate die zo ontstaat is, als een dansvorm (menuet) in eenheden van 4 en 8 maten gestructureerd. In het tweede gedeelte, op de woorden “Ja, Ja!" wordt deze strakke structuur nu en dan verlaten (’verirret‘, de weg kwijt). Vanwege de symmetrie in de tekst (Nein! / Ja!) blijft ook deze aria (als (1)) tweedelig en volgt er geen da-capo: de B-tekst wordt tweemaal doorgenomen, en dan pas melden zich de strijkers en de tweede hobo voor het instrumentale ritornel dat we nog tegoed hadden, en tevens als een volwaardig besluit van het eerste deel van de cantate; in dit lange naspel speelt de 1e hobo de rol/partij van de tenor nu onversierd boven een staccatobegeleiding.
DEEL II

4. RECITATIEF (T) / ARIA (B)
(T) Jesus sprach zu Simon:
(B) Fürchte dich nicht,
denn von nun an wirst du Menschen fahen.
Ook het tweede deel van de cantate, uit te voeren ‘na de preek’, begint met een tweeledig stuk (4) dat we een arioso zouden kunnen noemen. De tenor (4a) fungeert twee maten lang als ‘evangelist’ en geeft het woord aan de bas (4b) die met de nieuw-testamentische tekst (Lukas 5:10) optreedt als Vox Christi. Een strijkersbegeleiding moet ervoor zorgen dat de eerste vier woorden van het tweede cantategedeelte niet onopgemerkt blijven. De bas daarentegen wordt slechts begeleid door het continuo dat vrijwel voortdurend (41 van de 55 maten) op allerlei toonhoogten eenzelfde, ostinaat motief (zie hiernaast) herhaalt. De bas herhaalt de tekst die Jezus uitspreekt wanneer hij de verblufte visser Simon onder de naam Petrus werft als eerste discipel vier maal, waarvan twee keer op dezelfde noten (AA’AA’’, m.4-9 = 35-40); de woorden denn von nun an wirst du onderstreept hij met dwingende kwartnoten (m.4, 21, 35 en 44vv) en het fahen (vangen) met lange coloraturen.
5. ARIA / DUET (S, A)
Beruft Gott selbst, so muß der Segen
auf allem unsern Tun
in Übermaße ruhn,
stünd’ uns gleich Furcht und Sorg entgegen.
Das Pfund, so er uns ausgetan,
will er mit Wucher wieder haben;
wenn wir es nur nicht selbst vergraben,
so hilft er gern, damit es fruchten kann.
Aria (5) is een duet voor sopraan en alt, begeleid door de tot één stem verenigde, unisono spelende eerste en tweede violen en hobo’s d’amore. Waar de sopraan vaak optreedt als ideale, vergeestelijkte gelovige, de gläubige Seele, en de alt als de meer aardse, lijdende en mee-lijdende gelovige, symboliseert hun duo veelal de verzamelde gelovigen. In hun duet betonen zij zich overtuigd van Gods steun bij de vervulling van hun aardse plichten. De tekst Das Pfund  (...) begraben verwijst naar de parabel (Matteüs 25:14-30) waarmee Jezus degene veroordeelt die zijn gegeven talent slechts bewaarde door het te begraven; men dient met zijn talenten te woekeren en zal naar die maatstaf beloond worden.
De muziek is tegelijk streng en opgewekt. Streng vanwege zijn volgehouden polyfone karakter, de canonische inzetten, de zich herhalende thematiek en de gelijkwaardigheid van de stemmen, gezien ook het continuo deelt in de thematiek; en streng omdat het hier niet om een subjectieve uiting gaat maar om een theologische waarheid. Maar anderszijds dus opgewekt vanwege de zekerheid van Gods hulp.
 De overheersende polyfone textuur wijkt kortstondig (m.36-40) voor een nadrukkelijk homofone scandering, in tertsparallellen, van de woorden stünd uns gleich Furcht und Sorg’ entgegen (‘als wij bang en bezorgd zijn’), een passage die later (m.56-61) terugkomt op de woorden so hilft er gern.
Opmerkelijk is ten slotte dat ook hier - na alle voorgaande delen - een da-capostructuur ontbreekt. De acht regels tekst worden, gegroepeerd tot 3,1, resp 2 regels, achter elkaar behandeld, zoals in het ouderwetse motet; de verbrokkeling die daarvan het gevolg was wordt hier voorkomen door dezelfde muziek voor verschillende stukken tekst te gebruiken. Zie het schema.
6. RECITATIEF (S)
Was kann dich denn
in deinem Wandel schrecken,
wenn dir, mein Herz,
Gott selbst die Hände reicht?
Vor dessen bloßem Wink
schon alles Unglück weicht,
und der dich mächtiglich
kann schützen und bedecken.
Kommt Mühe, Überlast,
Neid, Plag und Falschheit her
und trachtet, was du tust,
zu stören und zu hindern,
laß kurzes Ungemach
den Vorsatz nicht vermindern.
Das Werk, so er bestimmt,
wird keinem je zu schwer.
Geh allzeit freudig fort,
du wirst am Ende sehen,
daß, was dich eh’ gequält,
dir sei zu Nutz’ geschehen.
In een lang en zeer expressief slotrecitatief (6) vat de sopraan de blijde boodschap nog eens uitgebreid samen. Met grote sprongen, vaak over overmatige of verminderde intervallen, en schrille akkoorden worden belangrijke woorden als Unglück, Mühe, Überlast, Neid, Plag, etc geaccentueerd.







7. KORAAL
Sing, bet und geh auf Gottes Wegen,
verricht das Deine nur getreu
und trau des Himmels reichem Segen,
so wird er bei dir werden neu:
denn welcher seine Zuversicht
auf Gott setzt, den verläßt er nicht.
Het zevende en laatste couplet van Georg Neumarks Wer nur den lieben Gott läßt walten (1657) fungeert als nauwkeurig bij het voorgaande passend slotkoraal (7). Strijkers en hobo's verdubbelen de koorstemmen; voor de hoorns is hier - wegens hun beperkte toonvoorraad - geen taak weggelegd.
Dit koraal is niet alleen één van Bachs geliefdste koralen en het vaakst door hem geharmoniseerd, dit zevende couplet is ook één van de voor deze vijfde zondag na Trinitatis voorgeschreven liederen, met als gevolg dat hetzelfde vers de cantate BWV 93 besloot die Bach twee jaar eerder voor deze zondag componeerde. Maar de harmonisering van dezelfde tekst is weer totaal verschillend: uiteraard verschoven naar een kruizen (#)-toonsoort die bij de voorafgaande toonsoorten past, maar ook ritmisch gewijzigd en de melodiestem (sopraan) anders versierd. Voor de liefhebbers zet ik hieronder beide versies naast elkaar.
klik voor vergroting
klik voor vergroting
omhoog


© Eduard van Hengel