J. S. Bach: Was frag ich nach der Welt (BWV 94)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Leusink
en zijn Holland Boys Choir
Bach componeerde cantate 94 voor een negende zondag na Trinitatis, in dit geval 6 augustus 1724, en dat betekent dat deze cantate, zoals alle cantates die Bach in dit seizoen componeerde, een koraalcantate is, gebaseerd op een kerklied uit de Lutherse gezangenbundel.
De koraaltekst die aan deze cantate ten grondslag ligt werd in 1664 gedicht door de dichter-theoloog Balthasar Kindermann (1636-1706) onder het opschrift "Verschmähung der Welt"; de tekst werd vanaf 1679 gezongen op de melodie van O Gott, du frommer Gott die ook voor diverse andere liederen werd gebruikt. Het gezangboek plaatst het lied in de rubriek "von der Welt Eitelkeit und menschlicher Mühseligkeit".
De evangelietekst voor deze zondag is Lucas 16:1-9, de parabel van de onrechtvaardige rentmeester, een tekst die tot veel exegetisch getob heeft gezorgd, want wat is het geval? Jezus vertelt hoe een wegens wanbeheer ontslagen rentmeester nog snel even een wit voetje regelt bij schuldenaren van zijn heer door ze - op diens kosten - een forse schuldreductie te offreren. Tot ieders verbazing prijst Jezus deze rentmeester, voorbijgaand aan ‘s mans evident frauduleuze handelen, vanwege zijn snelheid, gewiekstheid en vooruitziende blik: "Maakt u vrienden met behulp van de onrechtvaardige Mammon", de "kinderen der duisternis" zijn slimmer dan de "kinderen des Lichts".
Bachs tekstdichter doet - bij zijn parafrasering van de binnencoupletten van het koraal tot recitatief- en ariateksten - geen moeite de evangelietekst erbij te betrekken, hoewel hij toch zeer lang van stof is. Van Kindermanns acht coupletten (die alle eindigen met het motto Was frag ich nach der Welt) handhaaft hij het eerste en laatste zoals gebruikelijk voor een openingskoor en een slotkoraal, maar terwijl hij ook het voorlaatste couplet in het slotkoraal betrekt - een besparende ingreep - werkt hij het zesde couplet om tot twee aria's waardoor de cantate toch acht delen heeft. Bovendien handhaaft hij de integrale tekst van de coupletten 3 en 5 (hieronder vet gemarkeerd) die hij uitbreidt met verklarende tekst, zodat een uiterst tekstrijke cantate ontstaat.
BWV 94 is in de chronologie van Bachs oeuvre interessant omdat het de eerste keer is dat Bach te Leipzig een virtuoze traversopartij schrijft. Gedurende zijn eerste Leipziger jaar gebruikte hij vooral blokfluiten; in het voorjaar van 1724 schrijft hij enkele eenvoudige traversopartijen die bovendien meestal colla parte met andere instrumenten gaan: risicoloos en geschikt om de betrouwbaarheid van een speler te toetsen. Maar nu heeft hij een zeer getalenteerde speler ontdekt, en wij weten vrij zeker wie dat is geweest: de tweedejaars student Friedrich Gottlieb Wild (1700–1762) die ook orgel- en compositieles bij Bach had. En Bach laat niet na zijn publiek te attenderen op zijn nieuwe aanwinst door het openingskoor van BWV 94 te beginnen met een opvallende virtuoze fluitsolo van twee maten, zonder enige thematische betekenis. Sommige kerkgangers zullen verbaasd hebben omgekeken naar het orgelbalcon: de traverso gold als een wufte en frivole uitvinding van de Franse hofcultuur.
Dit wijst ons meteen op een principieel probleem waaraan Bach zich in deze cantate niet kan onttrekken: de tekst strekt tot een afwijzing van alle werelds genot, van geld, macht, eer, spullen, pracht en praal. Nu kan Bach die wereld nog wel met zijn muziek in beeld brengen: een wuft instrument hier, een hoofse dans in nr.7, fraaie harmonieën elders. Maar de afwijzing daarvan, het negativum, laat zich in muziek niet uitdrukken. De schrijver heeft nog het middel van de ironie om te laten weten dat hij ‘t tegendeel bedoelt van wat hij schrijft, de componist ontbeert die mogelijkheid. Hij kan de zonde slechts schetsen als iets onweerstaanbaar aantrekkelijks.
1. KOOR

Was frag ich nach der Welt
Und allen ihren Schätzen
Wenn ich mich nur an dir,
Mein Jesu, kann ergötzen!
Dich hab ich einzig mir
Zur Wollust fürgestellt,
Du, du bist meine Ruh:
Was frag ich nach der Welt!

In de koraalfantasie (1) zingt de sopraan zoals altijd in koraalcantates, de koraalmelodie maar deze keer - Bach blijft experimenteren - niet in lange maar in kwartnoten en de andere stemmen voegen daar nauwelijks meer aan toe dan in een slotkoraal. Deze rustige koraalregels zijn ingebouwd in een zelfstandige concertante orkestpartij die,thema 1 gezien de levendige traversopartij meer op een fluitconcert lijkt, waarin de hobo's slechts de violen verdubbelen en de verhoudingsgewijs welhaast saaie koorpartij slechts ruimte krijgt in de adempauzes van de traversist. Zo verhouden koor en orkest zich als de serene rust van Christus in een drukdoende wereld. Thematisch trouwens is het instrumentale thema onmiskenbaar afgeleid van de koraalmelodie, zoals het muziekvoorbeeld toont.
2. ARIA  (B)

Die Welt ist wie ein Rauch und Schatten
Der bald verschwindet und vergeht,
Weil sie nur kurze Zeit besteht.
Wenn aber alles fällt und bricht,
Bleibt Jesus meine Zuversicht,
An dem sich meine Seele hält.
Darum: was frag ich nach der Welt!

In scherp contrast met het feestelijke openingskoor is de eerste aria (2) - in lijn met de strekking van de cantate - sober of zelfs ascetisch geschreven voor de vocale en de instrumentale bas: een continuo-aria. Het hoofdthema (zie muziekvoorbeeld 2) blaast eerst een speels wolkje (Rauch) in de lucht maar stort vervolgens steil neer (vergeht, fällt, bricht). thema 2Alles vergeht en verbrokkelt in voortdurende vluchtige zestienden; alleen de woorden hält en besteht krijgen langere noten.
3. KORAAL & RECITATIEF (T)

Die Welt sucht Ehr und Ruhm
Bei hocherhabnen Leuten.
Ein Stolzer baut die prächtigsten Paläste,
Er sucht das höchste Ehrenamt,
Er kleidet sich aufs beste In Purpur,
Gold, in Silber, Seid und Samt.
Sein Name soll für allen
In jedem Teil der Welt erschallen.
Sein Hochmuts-Turm
Soll durch die Luft bis an die Wolken dringen,
Er trachtet nur nach hohen Dingen
Und denkt nicht einmal dran,
Wie bald doch diese gleiten.
Oft bläset eine schale Luft
Den stolzen Leib auf einmal in die Gruft,
Und da verschwindet alle Pracht,
Wormit der arme Erdenwurm
Hier in der Welt so großen Staat gemacht.
Ach! solcher eitler Tand
Wird weit von mir aus meiner Brust verbannt.
Dies aber, was mein Herz
Vor anderm rühmlich hält,
Was Christen wahren Ruhm und wahre Ehre gibet,
Und was mein Geist,
Der sich der Eitelkeit entreißt,
Anstatt der Pracht und Hoffart liebet,
Ist Jesus nur allein,
Und dieser solls auch ewig sein.
Gesetzt, dass mich die Welt
Darum vor töricht hält:
Was frag ich nach der Welt!

BWV 94 is één van de weinige cantates zonder volledig recitatief. De tenorsolo in (3) - evenals trouwens de bassolo in (5) - heeft een gemengd karakter: koraal + recitatief. De tenor zingt weliswaar vele, zéér vele regels recitativisch, metrisch vrij, maar deze zijn omkaderd en doorschoten met telkens twee regels koraaltekst (Arioso) die ritmisch worden in- en begeleid door twee hobo's. De koraalregels worden gezongen op een versierde versie van de koraalmelodie; in de uitgebreide moraliserende toelichting die de tekstdichter invoegt, treden de hobo's op als accompagnato. Het welvarende Leipzig kende sinds 1700 een grote bouwlust: de vooraanstaande families vestigden zich in grote luxueuze herenhuizen, met royaal gedecoreerde gevels en gestoffeerd met aanzienlijke kunstcollecties. Deze hocherhabnen Leute (r.2) met hun prächtigsten Paläste (r.3) zaten ongetwijfeld in hun persoonlijke loges in Bachs Thomaskirche.
4. ARIA (A)

Betörte Welt, betörte Welt!
Auch dein Reichtum, Gut und Geld
Ist Betrug und falscher Schein.
Du magst den eitlen Mammon zählen,
Ich will davor mir Jesum wählen;
Jesus, Jesus soll allein
Meiner Seelen Reichtum sein.
Betörte Welt, betörte Welt!


De begaafde fluitist speelt een obligate (solo-)rol in de altaria (4) waarin het continuo slechts een ondersteunende rol vervult. Wat in onze, aan Mahler en Strawinsky gewende oren fraai en harmonieus mag klinken, moeten Bachs kerkgangers - dat lijkt althans zijn bedoeling - als minder harmonieus hebben ervaren. Veel extra kruizen en herstellingstekens (chromatiek) in de partituur maken ons opmerkzaam op vreemde harmonische overgangen, en talloze verminderde en overmatige intervallen, waaronder de tritonus, de moeilijke sprong van drie hele tonen die als verboden en onwelluidend gold. De ongelijkzwevende stemming van de instrumenten zal het effekt van deze ‘verkeerde noten' slechts verscherpt hebben. Bach zet ze in ter illustratie van de betörte Welt, de falsche Schein en Betrug. Dat blijkt temeer waar deze effekten plotseling ontbreken in het korte Allegro-middendeel waar de gelovige alt (Ich) zijn/haar keuze voor Jezus verkondigt.
5.  KORAAL & RECITATIEF (B)

Die Welt bekümmert sich.
Was muß doch wohl der Kummer sein?
O Torheit! dieses macht ihr Pein:
Im Fall sie wird verachtet.
Welt, schäme dich!
Gott hat dich ja so sehr geliebet,
Dass er sein eingebornes Kind
Vor deine Sünd zur größten Schmach
um deine Ehre gibet,
Und du willst nicht um Jesu willen leiden?
Die Traurigkeit der Welt ist niemals größer,
Als wenn man ihr mit List
Nach ihren Ehren trachtet.
Es ist ja besser,
Ich trage Christi Schmach,
Solang es ihm gefällt.
Es ist ja nur ein Leiden dieser Zeit,
Ich weiß gewiß, daß mich die Ewigkeit
Dafür mit Preis und Ehren krönet;
Ob mich die Welt
Verspottet und verhöhnet,
Ob sie mich gleich verächtlich hält,
Wenn mich mein Jesus ehrt:
Was frag ich nach der Welt!

Zoals de tenor in (3), zo verbindt de bas in het recitatief+koraal (5) koraaltekst met uitgebreide toelichtingen. Hij wordt evenwel niet door hobo's ondersteund maar slechts door het continuo; zijn koraalteksten onderscheiden zich muzikaal eveneens door hun arioso-karakter: ze worden ritmisch door het continuo begeleid met opvallend in halve tonen (chromatisch) dalende en later stijgende figuren waardoor de variaties op de koraalmelodie die de bas zingt bijkans onherkenbaar worden, c.q. in een vreemd daglicht verschijnen. Het chromatisch dalende motief staat altijd voor pijn, lijden en treurnis en illustreert hier de Kummer der verachteten Welt; de lijn loopt omhoog, ‘bekeert zich' bij het dragen van Christus' smaad, de acceptatie van zijn kruisdood.
6. ARIA (T)

Die Welt kann ihre Lust und Freud,
Das Blendwerk schnöder Eitelkeit,
Nicht hoch genug erhöhen.
Sie wühlt, nur gelben Kot zu finden,
Gleich einem Maulwurf in den Gründen
Und läßt dafür den Himmel stehen.

Uit Kindermanns zesde couplet destilleerde Bachs tekstdichter de twee volgende aria's.
Hoewel de tekst Lust en Freude wegzet als Blendwerk schnòder Eitelkeit (begoochelende ordinaire pronkzucht) kan Bach aria (6) slechts uitwerken tot een buitengewoon lustig en freudig, lieflijk en dansant stuk voor tenor en strijkers, in een wiegende 12/8 maat die aan een pastorale herinnert. In het middendeel blijken de wiegende triolen het gewoel van de mol (Maulwurf) te verbeelden, op zoek naar gelben Kot, letterlijk ‘gele drek' maar hier natuurlijk metaforisch goud. (Er bestaan gekuiste uitgaven die hier eitles Gold schrijven.)
7. ARIA (S)

Es halt es mit der blinden Welt,
Wer nichts auf seine Seele hält,
Mir ekelt vor der Erden.
Ich will nur meinen Jesum lieben
Und mich in Buß und Glauben üben,
So kann ich reich und selig werden.

Terwijl de tenor een objectiverend perspectief kiest (Der Welt kann..., wühlt..., läßt...) keert de sopraan, bekend om haar niet aflatende Jezusliefde, in aria (7) terug naar het participerend, eerste-persoonsperspectief (Mir ekelt, ich kann..., ich will...) dat ook de alt innam en waarbij de gelovige gemeente zich straks in het slotkoraal kan aansluiten. De sopraan verkiest Jezus boven de wereld en het attribuut van haar Jezusliefde in deze triosonate is de hobo d'amore, die met zijn gedekt timbre zorgt voor de wat melancholieke, weemoedige sfeer waarin dit afscheid van verleidelijke wereldse geneugten plaats vindt. (Aanvulling)
8. KORAAL

Was frag ich nach der Welt!
Im Hui muss sie verschwinden,
Ihr Ansehn kann durchaus
Den blassen Tod nicht binden.
Die Güter müssen fort,
Und alle Lust verfällt;
Bleibt Jesus nur bei mir:
Was frag ich nach der Welt!

Was frag ich nach der Welt!
Mein Jesus ist mein Leben,
Mein Schatz, mein Eigentum,
Dem ich mich ganz ergeben,
Mein ganzes Himmelreich,
Und was mir sonst gefällt.
Drum sag ich noch einmal:
Was frag ich nach der Welt!

Dat er voor het slotkoraal (8) - zoals gezegd - nog twee coupletten van Kindermanns lied resteren, sluit uit dat er hier sterke tekst/muziek c.q. woord/toon-relaties te vinden zullen zijn.
Aanvulling Tijdens mijn mondelinge toelichting (Utrecht, 5/4/2009) zei ik over deze aria bovendien ongeveer het volgende.
Es halt es mit der blinden Welt, Wer nichts auf seine Seele hält betekent vrij vertaald ongeveer: Laat, wie niet geeft om zijn zieleheil, zich gerust hechten aan, verlaten op die blinde, uitzichtloze, visieloze wereld; laat hem die maar koesteren, [als ik maar niet hoef, mir ekelt = mij staat die wereld tegen, ik kies voor Jezus].
Die wens, "laat hem zich maar verlustigen in die wereld‘, is natuurlijk geen oprechte wens, integendeel, het is ironie: tongue-in-cheek, je zegt het één maar bedoelt het tegendeel. Wat doet Bach met deze dubbelzinnigheid?
1. hij gebruikt een Frans dansritme, een bourrée, alweer: symbool voor lichtzinnigheid en frivoliteit, en
2. laat sopraan de zojuist geciteerde tekst zingen op een onbekommerd, banaal liedje, uit de galante liedjesfabriek die Bach natuurlijk ook wel kende.
Nu kan muziek natuurlijk geen ironie uitdrukken, ze kan - anders dan de redenaar - niet zeggen "ik bedoel natuurlijk het tegendeel", ze kan iets uitdrukken, beuzelarij bijvoorbeeld, maar dat niet voorzien van een ontkenning, noch van mitsen en maren, weliswaar en desondanks, kwalifikaties en modaliteiten, context, voorbehoud, ze kan geen negativum uitbeelden.
Een jolig liedje is en blijft een jolig liedje, wulps, wellustig, oppervlakkig, maar door het in een kerkelijke context te zingen kan Bach wel (proberen te) bereiken dat zijn gehoor enigszins onbehaaglijk, gegeneerd luistert, denkt "dat kun je toch niet menen", is dit serieus? Ook hoboïst & continuo lijken enigszins geschrokken van dit oppervlakkige liedje, zij beperken zich beurtelings tot een nietszeggende lange noot, als om uit te drukken "hier willen wij niets mee te maken hebben, hiermee gaan wij niet akkoord", en gelukkig wordt er vervolgens op de rest v/d tekst wel serieus muziek gemaakt, de sopraan herhaalt haar galante liedje nog slechts één keer.
omhoog © Eduard van Hengel