Bach componeerde drie cantates met de
titel (en dus op basis van het koraal) Was Gott tut, das ist wohlgetan die
de BWV-nummers 98 - 100 kregen en de achtervoegsels I - III; pas 50
jaar geleden bleek dat ze resp. gecomponeerd zijn in 1726, 1724
en 1734. De eerste of - zo u wilt - de oudste, die u vandaag hoort werd
geschreven voor 17 september 1724, de vijftiende zondag na Trinitatis;
een beetje off season dus, maar wat wil je: in Bachs Leipzig was het de
zes weken voor Pasen tempus clausum,
muzikale vastentijd, dus componeerde Bach voor deze periode sowieso
geen cantates. En bovendien was zijn in juni (Trinitatis) gestarte
koraalcantateprojekt inmiddels tot een onverwacht einde gekomen,
vermoedelijk door het overlijden, eind januari, van Bachs tekstdichter.
Daardoor hoort u vandaag de laatste cantate van het model dat Bach 40
cantates lang voor ogen stond: ongewijzigde koraaltekst voor
openingskoor en slotkoraal, en vrije herdichtingen van de vier
tussenliggende strofen voor aria's en recitatieven.
De virtuoze fluitpartijen van cantate
99 tonen dat Bach sinds medio 1724 blijkbaar over een zeer
getalenteerde traversospeler beschikte, waarschijnlijk de toenmalige
rechtenstudent en latere Bach-leerling en musicus Friedrich Gottlieb
Wild (1700–1762).
We zagen afgelopen maanden al vaker dat in het openingskoor de
koorpartij (met de koraalmelodie in lange noten door de sopraan) zich
nogal onafhankelijk van het orkest beweegt, zonder dat
instrumentalisten en vocalisten muzikale motieven met elkaar delen. Dit
verschil in muzikale inboedel tussen koor en orkest is in het
openingskoor (1) van BWV 99
maximaal, dankzij twee bijzondere ingrepen
van Bach. Om te beginnen horen we een voorspel van strijkers en
continuo maar wanneer dat na 16 maten keurig met een rustgevend
slotakkoord op de tonica eindigt en wij de inzet van het koor
verwachten, krijgen we een optreden van de twee houtblazers, hobo
d'amore en traverso. Je lijkt in een concerto
grosso verdwaald, maar dat duurt slechts vier maten want dan
verschijnt toch plotseling de sopraan met het koraal. En ten tweede
maximeert Bach het kontrast tussen orkest en koor door tegenover de
levendige orkestpartij een uiterst gereserveerde koorpartij te
schrijven. Afgezien van de dubbellange noten van de sopraan is die
eigenlijk zo strak en onbewogen als een slotkoraal, zonder enige poging
tot tekstschildering of het zou het lange halten stille moeten zijn. Het koor
lijkt telkens quasi terloops door het instrumentale concert heen te
zingen. De zelfverzekerde onverstoorbaarheid van het koor -
gesymboliseerd in de parmantige kwartsprong waarmee de koraalmelodie
(evenals ons Wilhelmus) begint - weerspiegelt de atmosfeer van
ongeschokte geloofszekerheid van het koraal waarvan elk couplet (dat is
in deze cantate-versie niet waarneembaar) als in een litanie begint met
de woorden Was Gott tut, das ist
wohlgetan, wat er ook gebeurt.
De tekst van bas-recitatief (2)
is - zoals gezegd - een bewerking van
het tweede koraalvers, maar de tekstdichter gaat niet ver uit de buurt:
hij handhaaft bijvoorbeeld twee hele regels en de rijmwoorden betrügen/begnügen en Huld/Geduld. Het afsluitend arioso
illustreert het wenden
plastisch met een lange coloratuur.
Kontrasterend met de contemplatieve afstandelijkheid van de hoekdelen /
koraalverzen zijn de aria´s in deze cantate de plaatsen van
expressie en tekstuitbeelding. Voor tenor-aria (3) verrijkt de
tekstdichter de metafoor van God als Arzt
und Wundermann uit de koraaltekst met een Kreuz-verwijzing en de
tegenstelling bitter/süß
die Bach weer gelegenheid biedt het bitter
te illustreren met wrange en schrijnende chromatische gangen, langs
halve tonen die niet tot de toonladder behoren (extra kruizen, ##) en
het süß met milde,
open en ongecompliceerde harmonieèn. Terwijl de tekst de verzagte (moedeloze) ziel juist
aanspoort niet geschokt te zijn, brengt het telkens terugkerende erschütt're-motief dat juist
wel met een muzikale beving in beeld. En de show kan weer worden
gestolen door de virtuoze fluitist die hierna - hoogst ongebruikelijk
in één en dezelfde cantate - nog een derde keer een
solorol mag vervullen, in aria (5); Bach was blijkbaar erg verguld met
zijn nieuwe ontdekking.
Ook het tweede recitatief, voor de alt (4),
begint secco en eindigt arioso. Dat ´alle dagen hun
eigen plagen (lasten, problemen)´ met zich brengen is een
toevoeging die de tekstdichter ontleent aan het evangelie van deze dag,
Mattheus 6 : 23-34 : maakt u niet bezorgd over de dag van morgen, zoekt
eerst Gods Koninkrijk want elke dag heeft genoeg aan zijn eigen zorgen.
Aria/duet (5) is in feite een
kwintet waarin het continuo twee duetten
begeleidt: één instrumentaal (hobo d'amore/traverso) en
één vocaal (sopraan/alt). De dichter lardeert de
koraaltekst hier zelfs met twee verwijzingen naar het kruis en met de
dogmatische tegenstelling geest/lichaam die hij ontleent aan de
epistellezing van deze dag, de brief van de apostel Paulus aan de
Galaten 6:8. De instrumentalisten, die hier heel gelijkwaardige
partijen vertolken, introduceren elkaar imiterend een thema dat even
later door de zangers wordt overgenomen. Veel toonherhalingen
onderstrepen de aarzelingen en zwakheid van het ‘vlees', het onwillige
lichaam dat zich niet aan de geest wenst te onderwerpen. De strijd
ertussen veroorzaakt een heel muzikaal gewriemel maar eindigt met een
triomfaal wohlgetan. Voor de
tweede teksthelft introduceren de vocalisten een nieuw thema dat even
later door de instrumenten wordt overgenomen, maar zonder enig da-capo
krijgen de laatste woorden toch weer de muziek van het begin. (nicht ergötzet = not amused).
De cantate eindigt met één van de vele vierstemmige
harmoniseringen (6) die Bach
van dit buitengewoon populaire koraal heeft
gemaakt. (De Swaen
24-25/2/2007)
