J. S. BACH: Der Gerechte kömmt um (BWV deest)

Beluister deze cantate alvast
in de uitvoering door Gardiner
en zijn Monteverdi Choir
Het prachtige rouwmotet Der Gerechte kömmt um, qua vorm en inhoud vergelijkbaar met Bachs O Jesu Christ, meins Lebens Licht (BWV 118), komt in de Bach Werke Verzeichnis niet voor (de-est = ontbreekt) omdat Bachs aandeel in deze compositie weliswaar niet meer omstreden maar wel beperkt is.
De overleveringsgeschiedenis is ingewikkeld; wie dat niet interesseert gaat door naar de volgende alinea. Het stuk dook op in het handschrift van een omstreeks 1757 uitgevoerde passions-pasticcio, een passie-oratorium (zoals de Matthäus-Passion) dat als een collage was samengesteld op basis van de Passionskantate Ein Lämmlein geht und trägt die Schuld van Carl Heinrich Graun (Berlijn, 1704 - 1759). De destijds niet ongebruikelijke pasticcio-praktijk impliceert dat bestaande stukken van uiteenlopende componisten, al dan niet gewijzigd, tot een nieuw geheel worden samengevoegd. Grauns cantate was hier (en waarschijnlijk niet dóór Graun) aangevuld met stukken van o.m. Telemann, Bach, diens Leipziger voorganger Kuhnau en Bachs schoonzoon Altnikol. Twee delen konden direct aan J.S.Bach worden toegeschreven: BWV127/1 en 1088, een derde heet te zijn van 'Bach/Kuhnau'. Het volgt, als deel 39, direct na de dood van Jezus, met als tekst Der Gerechte kömmt um. Het is een vijfstemmig motet, begeleid door continuo, strijkers die meestal colla parte met de vocale stemmen gaan, en twee zelfstandige hobopartijen.
De vocale partijen zijn herkenbaar als bewerking van een a-cappella (dus onbegeleid) motet Tristis est anima mea dat behoorde tot de nalatenschap van Bachs voorganger als Thomaskantor in Leipzig, Johann Kuhnau (1660-1722). Het  kan echter geen compositie van Kuhnau zelf zijn: de latijnse tekst komt uit de katholieke liturgie, de vijfstemmigheid was in Leipzig niet gebruikelijk maar juist wel in het katholieke Dresden, waar Kuhnau het motet gecopieerd zou kunnen hebben van de daar werkzame Antonio Lotti, wiens stijl men erin kan herkennen. De tekst van Tristis est anima mea, usque ad mortem (zie onder) is een compilatie van uitspraken van Jezus, voor hij in de hof van Gethsemane zal worden gevangen genomen, in Matteüs 26:38vv. O.m. Lassus, Monteverdi en Poulenc zetten deze op muziek. Hij fungeert als tweede responsorium in de liturgie van de 'donkere metten', de Tenebrae op Witte Donderdag in de Stille week voorafgaand aan Pasen.
Bach verving de tekst door de, affektief verwante, eerste twee verzen van Jesaja 57, Der Gerechte kömmt um etc (zie onder), een te Leipzig niet onbekende tekst die traditioneel op Goede Vrijdag in het latijn werd gehoord in Jacobus Gallus' motet Ecce quomodo moritur justus. Maar ook muzikaal heeft Bach aanzienlijk ingegrepen en het is interessant beide stukken (waarvan partituren en uitvoeringen op het internet te vinden zijn) te vergelijken. Hij heeft
- het stuk getransponeerd (van f- naar e-klein);
- er een onafhankelijke, niet met de koorbas samenvallende continuopartij aan toegevoegd, met een ostinaat, zwaar zuchtend ritme waardoor het motet een Lamento-karakter krijgt;
- hij voegde twee hobopartijen toe die, even ostinaat als het continuo een daaraan complementair syncopisch Seufzer-ritme spelen (muziekvoorbeeld); alleen in de achtste en laatste regel wijkt dit ritme voor de eeuwige rust;
- en hij voegde drie strijkerspartijen toe die doorgaans de drie hoge zangstemmen ondersteunen maar, tesamen met de andere instrumentalisten een instrumentale inleiding van acht maten spelen en een even lang intermezzo tussen de twee vierregelige tekstblokken. Dit intermezzo valt waar het Tristis-motet een pauze heeft tussen de twee inhoudelijk verschillende tekstdelen; bij Bach echter separeert dit intermezzo de laatste frase van het eerste Jesajavers waar het toe behoort.
Ook de zangstemmen neemt Bach hier en daar stevig onder handen. Het totaal aantal (vocale) maten blijft echter gelijk; het zijn klaarblijkelijk de harmonieën in het voorbeeld die Bach hebben geïnspireerd en die hij goeddeels onaangetast laat.
Bach moet dit ontroerende werk zelf ergens in de jaren '30 hebben uitgevoerd.
Over de betekenis van de tekst is allerlei verwarring mogelijk, zeker wanneer men er diverse, elkaar tegensprekende bijbelvertalingen op naslaat. Er bestaat hier blijkbaar een levensgroot vertaalprobleem, en misschien heeft zelfs Bachs Lutherbijbel het bij 't verkeerde eind. Maar wij kunnen die problemen omzeilen door ons te beperken tot de vraag: welke betekenis stond Bach voor ogen. Uit het feit dat Bach de laatste frase van Jesajavers 1 samenvoegt met vers 2 leid ik af dat hij twee contrasterende betekenissen wil zien: (1) het lijkt wel of rechtvaardigen en vromen anoniem uit het leven worden weggerukt maar (2) daardoor blijft hun onheil bespaard en rusten zij in vrede.


Der Gerechte
Tristis est anima
partituur Der Gerechte Tristis est anima
opnames
Rilling (video)
Gardiner (met noten)
Milaan (met plaatjes)
Tristis (mp3)
Tristis (video)
Tristis (video, Trinity)

(1) Der Gerechte kömmt um,
Und niemand ist, der es zu Herzen nehme;
Und heilige Leute werden aufgerafft,
Und niemand achtet drauf.

Denn die Gerechten werden weggerafft vor dem Unglück.
(2) Und die richtig vor sich gewandelt haben,
Kommen zum Frieden
und ruhen in ihren Kammern.



Tristis est anima mea
usque ad mortem:
sustinete hic, et vigilate mecum:

Jam videbitis turbam,
quæ circumdabit me:
Vos fugam capietis,
et ego vadam immolari pro vobis.
De rechtvaardige komt om
en niemand trekt zich dat aan.
en vromen worden weggerukt,
terwijl niemand er acht op slaat.

Want de rechtvaardigen wordt onheil bespaard.
Zij die de rechte weg bewandeld hebben,
gaan heen in vrede
en rusten op hun sterfbed.



Mijn ziel is bedroefd
tot stervens toe:
blijft hier en waakt met mij:

weldra zult ge de menigte zien
die mij zal omringen.
Ge zult op de vlucht slaan,
en ik zal mijzelf voor u offeren.
omhoog


© Eduard van Hengel