swaentjeBarokensemble De Swaen




D. Buxtehude: Mit Fried und Freud ich fahr dahin (BuxWV 76a)


Dieterich Buxtehude (1637 - 1707) werkte van 1668 tot zijn dood - dit jaar 300 jaar geleden - als stadsorganist aan de Marienkirche te Lübeck. Hij componeerde instrumentaal werk (klavecimbel, triosonates, orgelwerk) en liturgische cantates en werd vooral bekend door zijn oratoriumachtige Abendmusiken in de Adventstijd, die Bach in 1703 verleidden tot zijn voetreis van 400 km en ongeoorloofd verblijf van vier maanden vanuit Arnstadt.
In 1671 schreef Buxtehude voor de begrafenis van de Lübecker theoloog en superintendent Menno Hanneken de cantate voor sopraan, bas en drie instrumenten op het 1e en 3e couplet van het koraal Mit Fried und Freud ich fahr dahin, Luthers berijming (1524) van de vier verzen 27-32 van Lukas 2, die tesamen de ‘Lofzang van Simeon' vormen. Deze Simeon was beloofd dat hij nog bij zijn leven de voorspelde Heiland zou zien, en wanneer deze voorspelling wordt bewaarheid als hij er getuige van is dat Maria de veertig dagen oude Jezus in de tempel aan de priesters voorstelt heft hij zijn vaak getoonzette canticum Simeonis aan, in de Lucas-versie Herr, nun läßt du deinen Diener in Frieden fahren, in het Latijn Nunc dimittis. Buxtehude schrijft voor elk van beide coupletten een buitengewoon geleerd, akademisch stuk muziek, Contrapunctus I en II, vergelijkbaar met delen van Bachs Kunst der Fuge. Deze stukken zijn vierstemmig, de zanger zingt de koraaltekst op de originele lange noten, drie instrumentalisten begeleiden dat elk met een eigen figuratie (versiering) van de koraalmelodie maar die vier stemmen zijn niet alleen geheel onafhankelijk, zij zijn ook verwisselbaar (viervoudig contrapunt). Elke Contrapunctus herbergt dus op zijn minst vier stukken, die Buxtehude overigens niet allemaal laat uitvoeren; we krijgen van elk stuk één alternatieve versie (‘evolutio') te horen. In de evolutio van Contrapunctus I (vers 1) verschuift de melodie van sopraan naar bas terwijl alt- en tenorstem zijn verwisseld, en het geheel is bovendien van tonica naar dominant getransponeerd (volgt u het nog?). In de evolutio van Contrapunctus II (vers 3) gebeurt dat ook allemaal maar bovendien zijn de vier stemmen er gespiegeld: ze verschijnen nu in de ‘omkering' of inversie: elke sprong omhoog wordt vervangen door een even grote sprong omlaag, en omgekeerd. (De Swaen, 27-28/1/2007)


D. Buxtehude: Jesu meines Lebens Leben (BuxWV 62)

Beluister deze cantate
in de uitvoering van Anima Eterna
Dieterich Buxtehude (1637 - 1707), van 1668 tot zijn dood werkzaam als stadsorganist aan de Marienkirche te Lübeck, moet omstreeks 1670 de eerste versie hebben gecomponeerd van Jesu meines Lebens Leben, een vocaal muziekstuk met zelfstandige instrumentale begeleiding dat destijds "cantate" werd genoemd, maar nog niet de zeventiende eeuwse vorm heeft waaraan wij gewend zijn. Men kan het naar believen beschouwen als een ééndelig stuk, of een drie resp. zevendelig stuk waarvan de delen direct op elkaar volgen. De tekst wordt gevormd door de coupletten 1-4 en het slotcouplet van een passielied van Ernst Homburg uit 1659. De instrumentale begeleiding is in handen van continuo en een vijfstemmig strijkersensemble, waaronder de traditioneel zeventiende eeuwse gesplitste altviolen.
Het stuk heeft de strakke struktuur van een chaconne: na een inleidende sinfonia klinkt een reeks van acht basnoten (twee maten) die vervolgens 40 maal wordt herhaald. Per couplet worden 8 vocale maten a cappella (dwz met louter continuobegeleiding), gevolgd door vier maten instrumentaal intermezzo. Bij een latere bewerking voegde Buxtehude aan het slot een niet tot de liedtekst behorend Amen van 17 maten toe op dezelfde basnoten. De coupletten worden achtereenvolgens gezongen door (1) de sopraan, (2) een terzet van de drie andere stemmen, (3) de tenor en (4) een terzet van de drie anderen; alle vier stemmen tesamen zingen het slotcouplet en Amen. (De Swaen, 27/3/2011)