
Anonymus: Lobt
ihn mit Herz und
Munde (voorheen BWV 220)
De oude, negentiende eeuwse BachAusgabe liet deze cantate voor
Johannistag aarzelend toe in één van haar laatste
edities; de nieuwe verbande hem rigoureus naar Anhang II met
onbewezen
toeschrijvingen.
Deze apocrieve cantate begint met een eenvoudig vierstemmig koraal
(couplet 5 van het bekende Von Gott
will ich nicht lassen, (1))
en
eindigt
met
een homofone zetting van een bijbeltekst (Jesaja 61:10,
(5)); struktureel in elk
geval
precies andersom als veel van de echte
Bach-cantates. Daartussen staan twee da-capo aria's die een centraal
secco bas-recitatief (3)
omsluiten, de eerste (2)
voor
de tenor,
begeleid door strijkers en twee hobo's, de tweede (4) voor de alt met
een begeleiding van strijkers, traverso en hobo; deze laatste doet
nog
het meest aan Bach denken. (De Swaen,
17/23/24 juni 2007)
J. S. Bach: Orkestsuite no 2 in b (BWV
1067)
Van Bachs vier orkestsuites is de
tweede waarschijnlijk als laatste
ontstaan, omstreeks 1738/39; in juni hoort u hier ook nog de derde
suite.
De kern van een suite vormt een reeks Franse dansen, in tamelijk
gestileerde vorm. In zijn Franse en Engelse suites en partita's voor
clavecimbel houdt Bach zich nog vrij strikt aan de standaard-Franse
reeks allemande - courante -
sarabande - gigue;
in zijn orkestsuites maakt hij een veel vrijere keuze uit het
repertoire aan dansvormen. De dansen worden voorafgegaan door een
karakteristiek Franse ouverture: driedelig, met hoekdelen in een
langzaam tempo en gepunkteerd ritme, en een snel fugatisch
middendeel.
Bach noemde deze orkestcomposities, naar hun dominante eerste deel,
ouvertures.De
tweede
suite
eindigt
met een
badinerie
(‘geintje') wat geen dansvorm is maar meer een karakterstuk. De
traverso speelt een dankbare solorol, maar verdubbelt ook veelvuldig
de
eerste viool. Een meer oorspronkelijke versie van deze suite, in
a-klein voor soloviool, werd onlangs gereconstrueerd.(De Swaen,
30-31/12/2006)
J. L. Bach: Ja, mir hast
du Arbeit gemacht
In november hoorden wij hier al een
cantate uit de serie van 18 die
J.S.Bach medio 1726 van zijn verre achterneef Johann Ludwig
(1677-1731)
liet uitvoeren in zijn Leipziger kerken. Sebastian had blijkbaar
grote
waardering voor deze "Meininger" Bach, kapelmeester aan het hof van
Saksen-Meiningen, van wiens oeuvre vrijwel alleen kopieën in
het
handschrift van Sebastian resten.
Ludwigs cantates hebben een karakteristieke tweedelige vorm. Elk
deel
begint met een bijbelcitaat (resp. oud- en nieuwtestamentisch), dat
wordt gevolgd door een aria/recitatiefpaar; als slot klinkt een koor
c.q. koraal.
De cantate Ja, mir hast du Arbeit
gemacht is geschreven voor de laatste zondag voor de - ook
muzikale - vastentijd, zondag Estomihi
(naar de eerste woorden van de introïtus-antifoon van deze
zondag,
Esto mihi in Deum protectorem,
Wees mijn beschermer, God (Psalm 31 3-4)), ook wel genoemd Zondag Quinquagesima,
50
dagen
voor Pasen.
Carnavalszondag kortom.
In de titeltekst uit het oudtestamentische boek Jesaja (43:24-25)
bevestigt God dat ‘s mensen zondigheid hem voortdurend zorgen baart,
reden waarom hij uiteindelijk zijn zoon Jezus stuurt. In de
nieuwtestamentische tekst uit de evangelielezing van deze zondag (Sehet,
wir
gehen
hinauf
gen Jerusalem,
Lukas18:31-43) kondigt Jezus zijn discipelen aan naar Jeruzalem te
gaan, waar
hij zal moeten lijden en sterven. En de discipelen begrijpen
daar niets van.
Het tweede deel van de cantate heeft een extra
recitatief/ariosopaar.
Het slotkoor eindigt met de verzen 6 en 7 van het passiekoraal Herzliebster
Jesu,
was
hast
du verbrochen
die ook in J.S.Bachs Johannes-Passion voorkomen, en waarvan drie
andere
verzen in zijn Matthäus-Passion klinken. (De Swaen,
24-25/3/2007)
J.L. Bach: Cantate Mache dich
auf, werde licht.
Johann Ludwig Bach (1677-1731) was van
1711 tot zijn dood kapelmeester
aan het hof Saksen-Meiningen. Hij was een zeer verre achterneef van
Sebastian maar wel het door deze muzikaal meest gewaardeerde lid van
de
grote Bach-familie, getuige het feit dat Sebastian in 1726 te
Leipzig
maar liefst 18 cantates van de "Meininger Bach" heeft uitgevoerd in
plaats van eigen composities. Deze in het handschrift van Sebastian
overgeleverde kopieën zijn de enig resterende cantates van
Ludwig,
die vanwege dat handschrift lang als werk van Sebastian werden
beschouwd; één werd zelfs opgenomen in de Bach Werke
Verzeichnis voor hij werd ontmaskerd (BWV 15).
Ludwigs cantates hebben een karakteristieke tweedelige vorm. Elk
deel
begint met een bijbelcitaat (resp. oud- en nieuw-testamentisch) dat
wordt gevolgd door een aria-recitatiefpaar, in tegengestelde
volgorde;
als slot klinkt een koor c.q. koraal.
Mache dich auf werd door
Sebastian als eerste van zijn Ludwig-reeks uitgevoerd op 2 februari
1726, het feest van Maria Lichtmis (Duits: Mariä Reinigung)
maar
tegelijk
van de introduktie van de 40 dagen oude Jezus in de
tempel, een gelegenheid waarbij een man, Simeon, aanwezig zou zijn
geweest die daarop een lofzang aanheft (Canticum Simeonis)
‘Nu
ik het licht
heb gezien, kan ik verder leven' (Nunc
dimittis). Dat is de tekst van tenoraria (5)
uit Lucas 2:29-32 die de cantate ook geschikt maakt als
Adventscantate.
De begintekst is van de profeet Jesaja, de verzen 1-3 uit hoofdstuk
60;
hij wordt hier verdeeld over een aria (1)
en een duet (2).
Aan het slot horen we een eigenaardige vorm: een koor, beginnend met
een lyrische, vrij gedichte zin, gevolgd door twee coupletten (5 en
9)
van het koraal Durch Adams Fall ist
ganz verderbt, door het koor gezongen in eenvoudig
vierstemmige
harmonisering en door het orkest concertant omspeeld. (De Swaen
25-26/11/2006)
J. Chr. BACH: Wie bist du denn, o Gott, in Zorn auf mich
entbrannt
lamento voor
bas,
viool, 3 altviolen en b.c.
Johann Christoph Bach (1642-1703) was een volle neef van Johann
Sebastians vader, die als organist in Eisenach een paar straten
verderop woonde. Sebastian beschouwde hem als het grootste talent in
zijn uitgebreide muzikale voorgeslacht; hij waardeerde "der profunde
Onkel" als componist om zijn expressiviteit en inventiviteit. Veel
composities van "Bach" zijn - vaak ten onrechte - aan hem
toegeschreven, waaronder J.S. Bachs ‘negende motet', Ich lasse dich
nicht, du segnest mich denn.
Het klaaglied Wie bist du denn etc is illustratief voor Christophs
kwaliteiten, al was het alleen al door het donkere timbre van de
drie
altviolen.
J. Chr. Bach: motet Lieber
Herr Gott, wecke uns auf.
Johann Christoph Bach (1642-1703, de data zijn noodzakelijk want er
waren diverse J.Chr.'s Bach) was een volle neef van Johann
Sebastians vader die als organist in Bachs geboorteplaats Eisenach
een paar straten verderop woonde. Sebastian beschouwde hem als het
grootste talent in zijn uitgebreide muzikale voorgeslacht; hij
waardeerde der profunde Onkel" als componist om zijn expressiviteit
en inventiviteit. Veel composities van "Bach" zijn - vaak ten
onrechte - aan hem toegeschreven, waaronder J.S. Bachs ‘negende
motet', Ich lasse dich nicht, du segnest mich denn.
Het dubbelkorige motet Lieber
Herr Gott, wecke uns auf uit 1672 is waarschijnlijk tijdens
J. S. Bachs begrafenis uitgevoerd, waarbij de vocale partijen -
zoals gebruikelijk - door instrumenten werden verdubbeld. Bach zelf
schreef nog in het voorjaar 1750 de incipits van deze instrumentale
partijen uit, zodat zijn prefect het kon afmaken; het zijn de
laatste voorbeelden die we kennen van zijn intussen danig verstijfde
handschrift.
J.N.Bach: Missa sopra Allein
Gott in der Höh sei Ehr
Johann Nikolaus Bach (1669-1753) werd
evenals Johann Sebastian in
Eisenach geboren, maar was slechts een zeer ver familielid: zoon van
Sebastians ‘profunde Onkel'
Johann Christoph die in feite slechts een achterneef was van zijn
vader. Nikolaus' opvoeding vertoont alles wat Sebastian miste:
langdurige scholing door zijn vader, een universitaire studie en ten
slotte een Italië-reis. Hij was 58 jaar organist in Jena en
maakte
vooral naam als ontwerper van het luit-klavier (Lautenwerk),
een met darmsnaren bespannen toetsinstrument. Van zijn composities
bleef slechts een burleske cantate bewaard en de mis uit 1716 die u
vandaag gaat horen en die blijkens afschriften ooit door Sebastian
in
Leipzig is uitgevoerd.
Alleen al de titel ervan: Missa
sopra "Allein Gott in der Höh sei Ehr" geeft te denken.
Het
woord Missa verwijst bij een
lutherse componist naar de gewoonte in veel lutherse kerken om het Kyrie
en Gloria uit het Ordinarium Missae op hoogtijdagen
met figurale muziek ("toeters en bellen") in het latijn uit te
voeren. Allein
Gott
in
der Höh sei Ehr
anderzijds verwijst naar Luthers pogingen om de latijnse mis geheel
te
vervangen door duitstalige kerkgezangen, een Deutsche Messe:
het is de vertaling
van het latijnse Gloria in excelsis
deo etc., vervaardigd door Luthers tijdgenoot Nikolaus Decius.
Door het ontbreken van een paus-achtige centrale autoriteit kon de Deutsche
Messe
zich nooit uniform vestigen in de autonome protestantse gebieden en
bleef de praktijk hybride. Nikolaus Bach voert deze hybride nog een
stapje verder. Hij volgt de gewoonte van katholieke componisten
(wellicht geleerd bij zijn Italiaanse leermeester Antonio Lotti) om
in
mis-composities een bekende profane of sacrale melodie te verwerken
en
zo'n mis daarnaar te vernoemen; denk aan Palestrina's Missa Regina
Caeli, Missa Nigra sum of L'Homme armé.
Maar
als
vergelijkbaar extern gegeven gebruikt Nikolaus in zijn Gloria
de tekst en melodie van het
lutherse, duitstalige Gloria-substituut.
In het driedelige Kyrie kiest
hij voor zijn tijd gebruikelijke vormen, die men globaal ook
in
Sebastians korte missen en Hohe
Messe kan herkennen: een homofoon, akkoordisch eerste Kyrie,
een
Christe eleison met solowerk en als
tweede Kyrie een ouderwets
contrapuntisch motet, waarvan het thema al klonk in de bas-inzet van
het eerste Kyrie.
Na een compacte zetting van de Gloria-intonatie
verdeelt Nikolaus de Gloria-tekst
in vier delen, parallel aan de vier zevenregelige verzen van het
Lutherse koraal. Men hoort dus telkens de latijnse Gloria-tekst
vierstemmig
gezongen
door de ‘concertisten', en
daarboven de Duitse tekst en melodie gezongen door de soprano in
ripieno, de
‘steun-zanger' die we ook uit het openingskoor van de Matthäus-Passion
kennen.
De drie laatste coupletten van het Lutherse koraal stipuleren de
driedeling Vader, Zoon en Heilige Geest die ook aan de
ordinarium-tekst
ten grondslag ligt. (De Swaen, 28-29/4/2007)
Heinrich Bach: Cantate Ich danke
dir, Gott
Heinrich Bach (1615-1692) was
een
oud-oom van Sebastian, broer van zijn
grootvader, en evenals hij stamvader van een lijn musici en
componisten
maar ook opa van Sebastians eerste vrouw Maria Barbara. De vandaag
uit
te voeren cantate is het enige werk dat we (nog) van hem kennen. De
tekst, vers 14 van Psalm 139, wordt zin voor zin, en zo nu en dan
zelfs
woord voor woord behandeld in snel afwiselende tutti en korte soli
in
diverse combinaties. De bezetting is karakteristiek 17e eeuws: een
vijfstemmig strijkerskoor (2 alt-violen) en vijf vocalisten (2
sopranen). (De Swaen, 28-29/10/2006)
G. Böhm: Cantate Ach Herr,
komme hinab
Georg Böhm (1661-1733) was
vanaf
1698 organist aan de
Johanniskirche te
Lüneburg, waar J.S.Bach als tiener, van 1700-1702 de
Michaëlisschool
bezocht. Onlangs in de Weimarer Amaliabibliotheek opgedoken
dokumenten
tonen dat Bach les heeft gehad van Böhm, naar wie hij zijn hele
leven
dankbaar bleef verwijzen. Böhm is bij organisten goed bekend
als
componist maar we kennen van hem ook een aantal cantates en een
Lukaspassion.
Böhm's cantate Ach Herr, komme
hinab und hilfe meinem Sohne
is ongetwijfeld gecomponeerd voor dezelfde 21e Zondag na Trinitatis
waarvoor ook Bachs cantate van vandaag was bestemd want zij
behandelt
de voorgeschreven evangelielezing voor deze zondag, Johannes
4:46-54,
het verhaal van de hoveling wiens zoon op sterven ligt maar door
Jezus
wordt genezen en citeert bovendien (in deel 3) het koraal Aus
tiefer Not dat Bach tot
cantate-thema verhief.
Interessant is dat het koraal bij Böhm klinkt in een
gemoderniseerd,
tonaal jasje terwijl Bach juist grote moeite doet om de antieke,
'modale' kerktoonsoort te handhaven. De bezetting van Böhms
cantate is
nog identiek aan die van Heinrich Bach. Pas de 18e eeuw gaf de
voorkeur
aan instrumentale en vocale vierstemmigheid. (De Swaen,
28-29/10/2006)
J.A.Hasse: Miserere in c-klein
Johann Adolf Hasse (1699- 1783),
geboren te Hamburg, was Europa's
beroemdste componist van het midden van de achttiende eeuw. Hij
ontwikkelde zich aan het hof te Napels tot componist in het toen
toonaangevende genre van de Italiaanse opera seria. In de
bloeiperiode van
Saksen onder Friedrich August II (1733-1763) was hij kapelmeester
van
de Dresdense opera, een functie die hij wist te combineren met het
muziekdirectoraat aan het Venetiaanse Ospedale
degli Incurabili; de ‘ospedali' of ‘conservatoria' voor wezen
en
vondelingen te Napels en Venetië waren beroemd om hun
muziekonderricht en de vrouwenkoren die daaruit voortkwamen. Van
huis
uit protestant was Hasse terwille van zijn huwelijk met de
Venetiaanse
primadonna Faustina Bordoni tot het katholicisme bekeerd.
Behalve 63 opera's componeerde Hasse - vooral in zijn laatste jaren
-
veel kerkmuziek, maar o.m. ook 80 fluitsonates voor de beroemde
fluitist Frederik de Grote (Berlijn). De ironie wil dat toen
Frederik
in 1760 het beleg sloeg voor Dresden niet alleen de Saksische
Staatbibliotheek en de Kreuzkirche in puin gingen maar ook het huis
van
Hasse waar op dat moment al zijn composities persklaar lagen voor
wat
de eerste, door Breitkopf uit te geven, ‘verzamelde werken' van de
muziekgeschiedenis hadden moeten worden.
Hoewel Hasse door wederzijdse banden van waardering en vriendschap
met
Bach was verbonden, was hij stilistisch diens volstrekte tegenpool:
wars van de barokke harmonische complexiteit en contrapuntische
kunststukken was hij, met zijn eenvoudig toegankelijke muziek,
overzichtelijk notenbeeld en aan het italiaanse belcanto verwante
soepel zingbare vocale lijnen een wegbereider van de klassieken.
Bach
liet waarschijnlijk alleen in familiekring het achterste van zijn
tong
zien als hij, wanneer Dresden weer een nieuwe Hasse-opera had
geagendeerd tot zoon Friedemann placht te zeggen "wollen wir
nicht
die schönen
Dresdener Liederchen einmal wieder hören?"
Hasse componeerde zijn Miserere
in c-klein omstreeks 1730 voor het vierstemmig vrouwenkoor van het
Venetiaanse internaat, en bewerkte het na 1760 voor Dresdens
gebruik,
en voor wat wij nu ‘gemengd koor' noemen, maar in feite natuurlijk
een
mannen- en jongenskoor was. De tekst van een Miserere is
Psalm
51 (in de
katholieke Vulgata nr.50), een boetepsalm die liturgisch een plaats
heeft in de Stille Week voor Pasen, evenals trouwens de Lamentaties
die
u hier volgende maand zult horen. De relatie tussen tekst en muziek
in
dit Miserere van Hasse toont
dat we de barok ver achter ons gelaten hebben. Hier geen
gedetailleerde
muzikale illustraties zoals schrijnende harmonieën of gewaagde
chromatische gangen op kernwoorden als zonde, ongerechtigheid
of overtredingen. Hasse's muziek lijkt
slechts in dienst te staan van één overkoepelend
basisaffekt: de vertroosting die de boetvaardige mag verwachten. (De
Swaen, 26/2/2006)
J.D.Heinichen: Nisi Dominus
ædificavit domum (Psalm
127, Seibel 99)
Johann David Heinichen (1683-1729),
alumnus van de Leipziger Thomasschule onder Bachs voorganger Kuhnau,
was vanaf 1717 kapelmeester van de vermaarde Hofkapelle aan het
katholieke hof van Koning/keurvorst August der Starke te Dresden,
waar
hij, na sluiting van de opera, als protestant zijn compositorisch
talent in dienst stelde van katholieke kerkmuziek. Hij was bovendien
een vermaard theoreticus, auteur van het standaardwerk Der
General
Bass
in der Composition (1728). Tijdens zijn lange ziekte,
voorafgaande aan
zijn vroege dood (1729) en de langdurige vacature daarna verving
Zelenka hem, zonder daar overigens ooit voor te worden beloond.
Nisi
Dominus is de tekst van Psalm 127, één van de
vesperpsalmen en derhalve veelvuldig op muziek gezet; en zoals
gebruikelijk wordt de, hier uit 5 verzen bestaande psalmtekst
gevolgd
door de lofprijzing (‘doxologie') Gloria
Pater etc. Heinichen, die deze
tekst al eerder op muziek zette voor sopraan, bas, hobo en
kamerorkest,
componeert hem in 1723 als solo-motet, voor sopraan of tenor, hobo
en
basso continuo. (De Swaen 29-30/4/2006)
J.D.Heinichen: Concert in G-dur
Johann David Heinichen (1683-1729)
kreeg als leerling aan de
Thomasschule te Leipzig muziekonderwijs van Bachs voorganger Kuhnau.
Hij voltooide vervolgens een rechtenstudie (evenals Telemann,
Graupner
en andere daar en destijds befaamde musici). Als twintiger
componeert
hij voor de dan nog bestaande Leipziger opera, maar vertrekt in 1710
naar Italië waar hij - vergelijkbaar met Handel - groot succes
heeft als operacomponist, in het mekka van de Italiaanse opera,
Venetië. Pas in 1717 keert hij terug naar Duitsland, in het
gevolg
van de Saksische kroonprins, die op Grand Tour was in Italië,
en
samen met een stoet Italiaanse zangers, musici en componisten (als
Lotti en Veracini) met wie hij, als kapelmeester van de Dresdner
Hofkapelle de vermaarde Dresdner opera tot een hoogtepunt in de
europese kultuur zal opstuwen. Maar nog tijdens de compositie van
zijn
eerste opera voor Dresden krijgt hij zodanig ruzie met Italiaanse
zangers dat August der Starke de opera sluit (1720) en Heinichen,
als
protestant, de rest van zijn leven een enorme hoeveelheid katholieke
kerkmuziek schrijft, benevens concertmuziek voor het nog altijd
ongeëvenaarde ‘solisten-ensemble', de Hofkapelle. De
virtuositeit van dit ensemble, waarvan vele leden
niet alleen solist maar ook componist waren, wordt weerspiegeld in
een
reeks werken waarin de solisten van deel tot deel verschillen, zoals
het Concert nr 215 (volgens de indeling van Seibel) dat u vandaag
hoort. Heinichen sterft jong (1729) aan tuberculose, en wordt de
laatste jaren vóór zijn dood en de eerste erna
vervangen
door Zelenka (zie vorige maand).
Zijn grootste bekendheid bij tijdgenoten ontleende Heinichen
trouwens
aan zijn theoretische magnum opus Der
Generalbass in der
Composition (1728), een in eigen beheer uitgegeven pil
van 960
pagina's waarin hij het barokke basso-continuoprincipe met de ‘smaak
van de tijd' poogt te verenigen. Het boek is in Hamburg te
verkrijgen
bij Mattheson, en in Leipzig bij ‘kapelmeester Bach', een goede
vriend
van Heinichen die hem (Bach) in zijn boek overigens tot de antieke
contrapuntisten rekent. Op hetzelfde adres is ook Walthers
Musikalisches Lexikon
verkrijgbaar dat aan Heinichen driemaal zoveel
woorden wijdt als aan Bach. (De Swaen, 30/10/2005)
J.
Pachelbel: Was Gott tut, das ist
wohlgetan
Johann Pachelbel (1653-1706) bekleedde
diverse posten als organist
waarvan het belangrijkst was dat hij van 1678-1790 in Erfurt werkte
waar hij de leraar was van Johann Christoph Bach, de veertien jaar
oudere broer waar Sebastian in huis ging toen hun ouders in 1790
waren
overleden en Sebastian dus pas 5 jaar was. Pachelbel was vooral
beroemd
door zijn koraalvariaties en werd door Sebastian zeer bewonderd; hij
moet tot diens stilistisch voorgeslacht gerekend worden.
Waarschijnlijk in de jaren '80 componeerde Pachelbel zijn cantate Was
Gott
tut,
das
ist
wohlgetan op basis van de zes verzen van een
destijds nog tamelijk
nieuw koraal dat in 1674 werd gedicht door Samuel Rodigast,
assistent
aan de filosofische faculteit te Jena van wie geen verder dichtwerk
bekend is. Hij schreef het ten behoeve van zijn zieke vriend, de
universiteitscantor Severus
Gastorius die het vervolgens op muziek zette waarna het koraal reeds
in
1687 een plaats kreeg in een kerkelijk liedboek en bij Bach tot
diens
meest getoonzette koralen behoorde.
Pachelbels koraalcantate is van het type per omnes
versus:
de tekst van alle zes strofen is ongewijzigd op zeer varierende
muziek
gezet. Het instrumentaal ensemble heeft de karakteristiek 17e eeuwse
dubbel-bezette altviolen. De aanduiding Geistliches Konzert
wijst op een
kerkelijk muziekstuk uit de tijd van vóór de
Italiaanse
invloeden. (De Swaen
24-25/2/2007)
J. Ph. Krieger: Ach Herr, wie
sind meiner Feinde so viel
Johann Philipp Krieger (1649-1725) werkte vanaf 1677 als
kapelmeester aan het hof in Sachsen-Weißenfels (100 km ten
zuid-westen
van Leipzig). Met ruim 2000 cantates, waarvan er nog 80 zijn
bewaard,
is hij zeker de vruchtbaarste en mogelijk één der
grootste Duitse
componisten uit de generatie vóór Bach. Hij was
één der eersten die na
1700 naar Italiaans model cantates schreef op basis van aria's en
recitatieven.
In zijn bundel Musicalischer
Seelen-Friede
van 1697 bevindt zich de cantate van vandaag, een kwartet voor bas,
twee violen en continuo op de tekst van Psalm 3, een gebed van de
bejaarde koning David voordat hij slag moet leveren met zijn
ambitieuze
zoon Absalom, die zichzelf inmiddels tot koning heeft laten kronen
maar
zijn revolte met de dood zal moeten bekopen.
Het door Krieger meegecomponeerde woord
sela
is onvertaald Hebreeuws; het duikt vaker op aan het slot van
psalmregels maar behoort niet tot de eigenlijke psalmtekst en is
waarschijnlijk een muzikale of liturgische aanwijzing (buigen?
pauzeren? herhalen? refrein?).
J. C. Schiefferdecker: Konzert nr.8 in F voor drie hobo's,
fagot,
strijkers en continuo
Als eigen bijdrage aan de opening van het Buxtehude-jaar serveert De
Swaen bovendien een instrumentaal werk van Johann Christian
Schiefferdecker (1679 - 1732). Deze werd in 1707 Buxtehudes
opvolger,
mede omdat hij bereid was, naar plaatselijke gewoonte, de dochter
van
zijn voorganger te trouwen, een conditie waarom Mattheson, Handel,
Telemann en naar verluidt zelfs Johann Sebastian Bach van de
aantrekkelijke post in Lübecks Marienkirche hadden afgezien.
Ook
Buxtehude was schoonzoon van zijn voorganger. Schiefferdecker, een
alumnus van de Leipziger Thomasschule, schreef aanvankelijk opera's
en
werkte aan de Hamburger opera maar concentreerde zich na 1707 op
kerkmuziek.
Francesco-Maria Veracini: Ouverture nr 6
Toen de Saksische keurvorst August I
‘der Starke' in 1697 katholiek en
koning van Polen was geworden, werd de Weense keizerskroon zijn
volgende ambitie. In elk geval diende er in Dresden een vermaarde
opera
en een toonaangevend centrum van katholieke kerkmuziek te worden
gevestigd. Daartoe was een krachtige Italiaanse connectie vereist.
Zoon
Friedrich August werd op ‘grand tour' naar Italië gestuurd met
de
instructie om, samen met leden van de Hofkapelle als concertmeester
Pisendel, bassist Zelenka en toekomstig kapelmeester Heinichen, een
verzameling katholieke kerkmuziek bijeen te brengen en Italiaanse
zangers en andere musici ten behoeve van de opera te ronselen. Onder
de
musici die in 1717 naar Dresden kwamen (en daar tot vier maal zo
hoog
gesalarieerd werden als autochtone musici) bevond zich de
excentrieke
Florentijnse vioolvirtuoos en componist Veracini (1690-1768). Toen
de
opera in 1720 - na conflicten - alweer was gesloten en de Italiaanse
‘operamaffia' merendeels was verdreven, bleef Veracini aanvankelijk
in
Dresden achter. Een tamelijk betrouwbare anecdote wil dat Veracini
toen
eens meende de Italiaanse zaak een dienst te bewijzen door van een
vioolconcert een zo slappe vertolking te geven dat hij zich na
afloop
bij de koning kon excuseren met de woorden "Tja, sire, begeleid door
Duitse musici zat er niet méér in". De geschokte
Pisendel
verzocht daarop de koning hetzelfde concert nog eens te mogen
spelen,
met als
solist een tutti-violist van een achterste lessenaar, een leerling
van
Pisendel met wie hij het stuk had ingestudeerd; deze produceerde een
dusdanig stralende uitvoering dat Veracini doordraaide, zich uit een
raam stortte en met gebroken voet en heup hinkend richting Londen
vertrok. (De Swaen, 27/11/2005)
Antonio Vivaldi: Laudate Pueri
(RV601)
Laudate
pueri (Looft, dienaren, de
Heer) is de tekst van Psalm 113 (112
in de katholieke bijbel), één van de vijf obligate
psalmen van de
Vespers. Vivaldi (1678–1741) componeerde er drie zettingen van,
waarvan
RV601 de laatste is, uit omstreeks 1730. Hij schreef het stuk voor
een
Italiaanse castraat die in dienst was bij de Dresdner Hofkapelle.
Het
is een buitengewoon virtuoos stuk, voor sopraan, strijkers en
continuo,
waarvan de solopartij (aan het slot van deel 3) tot een hoge d
reikt;
Vivaldi introduceert de verworvenheden van de Napolitaanse opera in
de
kerkmuziek.
Er zijn acht delen, afwisselend snel en langzaam, waarvan de eerste
zes
de negen verzen van de psalm behandelen, gevolgd door de
gebruikelijke
doxologie (lofprijzing) van de goddelijke Drieëenheid. Dat
‘Gloria' is
tweedelig: het eerste, waarin ook nog een traverso verschijnt,
ontbeert de woorden zoals het was in
den beginne enz.; die woorden klinken pas in het tweede
Gloria,
als de muziek van deel 1 (Laudate
pueri) weer is teruggekeerd, zodat het ook in de muziek wordt
‘als in den beginne'.
Opvallend zijn allerlei muzikale tekstillustraties: zeer lange noten
of
melisma's op saeculum (eeuwigheid,
deel 2), een langdurige zonsopgang en een plotselinge ondergang
(deel
3) gevolgd door allerlei vrolijkheid (laudabile
nomen Domini), hoge coelos (hemel)
tegenover lage terra (aarde)
in deel 4, en in deel 6 de opmerkelijke tweede-vioolpartij die
vrijwel
permanent een hoge g speelt, hoger dan de eerste viool,
overeenkomstig
de tekst die de lageren (pauperem,
inopem) bij de voornamen (principibus)
plaatst. (De Swaen, 27/11/2005)
F.W. ZACHOW: Cantate Ruhe,
Friede, Freud und Wonne
De literatuur bespreekt Friedrich
Wilhelm Zachow (1663-1712)
hoofdzakelijk
als leraar van Händel. Zachow (of: Zachau, daar deden ze niet
moeilijk
over) was 30 jaar lang organist aan de Liebfrauenkirche te Halle,
een
post
waarnaar Bach solliciteerde na Zachows dood. Zijn Pinkstercantate
'Ruhe,
Friede, Freud und Wonne' illustreert het hoge nivo van de kerkmuziek
te
Halle, één generatie vóór Bach, maar
vooral
ook het uitgebreide apparaat dat Zachow ten dienste stond: een
vierstemmig
koor van dubbele-rietblazers (twee hobo's, alt-hobo (of: 'taille')
en
fagot)
en een vierstemmig koor van kinstrijkers, waaronder twee alt-violen,
een
'ouderwetse' bezetting die zich in Duitsland lang wist te handhaven.
Regelmatig
zet Zachow deze twee instrumentale koren dialogerend tegenover
elkaar,
en tegenover het maar liefst zesstemmige vocale koor. (De Swaen,
29/5/2005)
De chalumeau
Het instrument dat chalumeau werd genoemd in de muzikale metropolen
van
het achttiende-eeuwse Duitsland (Hamburg, Wenen, Dresden, Darmstadt)
is
een houten blaasinstrument dat wordt aangeblazen met een enkel riet
dat
tegen een mondstuk trilt. Het is dus verwant aan de saxofoon en de
klarinet, waarvan hij als voorloper wordt beschouwd, en niet aan
dubbelriet instrumenten als hobo, fagot en schalmei (die in
Frankrijk
chalumeau wordt genoemd). In musea is nog een tiental exemplaren
bewaard gebleven. De chalumeau combineert een klarinet-achtig
mondstuk
met de buis van een blokfluit; hij verving in het laat-barokke
orkest
de allengs te zacht klinkende blokfluiten.
Strikt genomen is chalumeau (evenals klarinet) de naam van een
familie
van instrumenten; er hebben alt-, tenor- en basversies bestaan, die
in
orkestwerken wel 'chorisch', als groep zijn ingezet, alternerend met
strijkers of trompetten. Zo'n afwisseling met strijkers horen we in
deel 3 van de cantate. Omdat het instrument vrijwel alleen in zijn
laagste octaaf bespeelbaar is (geen 'overblazen') blijft het geluid
zacht en rond, met een weinig markante aanzet van de toon. Het is
daarom waarschijnlijk nooit erg populair geworden onder barokke,
naar
scherpe kontrasten strevende componisten, en ook snel verdrongen
door
de klarinet. Hoewel ook Vivaldi, Handel en Telemann er wel eens voor
componeerden is Graupner de absolute recordhouder, met 80 cantates
en
11 instrumentale werken die een chalumeau voorschrijven. (30/1/2005)
Violoncello piccolo
Van de violoncello piccolo is wel gedacht dat hij door Bach
zelf was
ontwikkeld. Allengs wordt duidelijk dat het instrument
waarschijnlijk
identiek is aan wat elders een viola pomposa werd genoemd.
Zeker is dat
het om een vijfsnarig instrument gaat dat behalve over de
gebruikelijke
vier snaren van de cello beschikt over een hoge e-snaar; Bach
schrijft
het voor in een tiental cantates en in de zesde cellosuite. Het
houdt
dus het midden c.q. vult het gat tussen de violoncello en de
altviool,
is kleiner dan de eerste en groter dan de tweede en daarmee doemt de
vraag op of het tussen de benen (da
gamba) of op de schouder (da spalla) wordt bespeeld.
Waarschijnlijk kon dat allebei en hing het af
van de techniek die de bespeler gewend was; bij ons is dat de
altviolist, en dus klinkt het instrument da spalla.
Door zijn korter corpus klinkt de piccolo doordringender en minder
sonoor dan de gewone cello, maar gezien zijn bereik (ambitus)
kun je er ook gewone continuopartijen op spelen. Dat gaan wij ook
doen,
met als
tweede continuostrijker een basse de violon, gelijk gestemd
maar groter en meer sonoor dan
de cello. Deze keer in het continuo dus geen 16-voets instrument
(contrabas) maar twee instrumenten in hetzelfde register (octaaf),
met
verschillende sonoriteit. (De Swaen,
27-28/10/2007)
Vijf jaar De Swaen = Feest!
Het vijfde seizoen-programma van De Swaen was aanleiding een keuze
te
maken uit Bachs voor feestelijke en andere ‘feierliche' gelegenheden
geschreven cantates. We vatten dat ruim op want er kunnen niet elke
maand trompetten en pauken meedoen. Dus huldigingsmuziek (september,
november), een bruiloftscantate (februari), liefst twee
reformatie-cantates (oktober) en twee Magnificats (juni) maar ook
twee
Trauermusiken (januari en april) en Bachs eigen Antrittskantate
(mei).
In het voor- en/of na-programma contrasteren wij Bachs lutherse
muziek
veelvuldig met aan het Dresdense katholieke hof geschreven werken
van
interim-kapelmeester J.D.Zelenka, een huisvriend van Bach, en diens
voorganger Heinichen en opvolger Hasse. Een kleurrijk programma dus.
(De Swaen, 25/9/2005)
februari 2011
Dit
concertprogramma wordt verluchtigd met het portret van de brave
tienjarige waar uw tekstschrijver destijds "ik" tegen zei; die zat
toen
al wel twee jaar op pianoles. Hij woonde in de Mendelssohnstraat (in
de
oorlog omgedoopt tot Vivaldistraat) maar het zou nog zeker 15 jaar
duren voor Mendelssohn hem voor het eerst ontroerde. Zijn
achterburen
waren de Bachstraat, maar Bach betekende voor hem nog vooral ‘saai'.
Ik
was geschokt toen ik dat tien jaar later teruglas in een
middelbare-schoolopstel, en schaamde mij voor dat onbezonnen
oordeel.
Maar weer tien jaar later kon ik die puber eigenlijk wel gelijk
geven,
wetend dat hij zijn oordeel waarschijnlijk baseerde op de
‘naaimachine'-vertolkingen die toen de Bach-renaissance inluidden.
Toen De Swaen mij voor één keer tot concertprogrammeur
bombardeerde, en ik zag dat Bachs cantate BWV 22 één
van
de publieksfavorieten was waar omheen ik een programma zou kunnen
bouwen, wist ik het meteen: dit was mijn kans om een -
langgekoesterde
- wens te laten vervullen: reconstructie van de
sollicitatieprocedure
waaruit Bach als nieuwe Thomaskantor te Leipzig tevoorschijn kwam.
BWV
22 is namelijk één van de twee auditiecantates die
Bach
ter ondersteuning van zijn sollicitatie naar de vacature Kuhnau
mocht
schrijven en op 7 februari 1723 uitvoeren. We zouden zijn twee
auditiecantates (BWV 23 is de andere) combineren met die van de
andere
sollicitanten, Graupner, Telemann, Kauffmann en Duve, zodat het
publiek
zelf zou kunnen oordelen (en zich verbazen dat een tijdgenoot kon
concluderen wenn man eben nicht
die
besten kriegen könne, man eben die mittleren nehmen
müsse.)
Helaas
staan
-
zoals bekend - tussen droom en daad wetten in de weg en
praktische bezwaren: al deze auditiecantates in één
concert waarin ook nog een nieuwe compositie moet klinken: dat kan
natuurlijk niet. Maar in elk geval hoort u op 27 februari dus Bachs
twee auditiecantates, uit te voeren "voor en na de preek" en die
preek
is in dit geval een nog ongehoord stuk van Daniel Glatzel. (dat
echter
- naar thans blijkt - niet op tijd klaar zal zijn!)