Chr. GRAUPNER: Sey gerne
bey den
Alten (GWV 1141/41)
Zoals valt op te maken uit de nummering
in de Graupner Werken
Verzeichnis (GWV) behoort deze compositie tot het genre 11, Cantates, bestemd voor de 41ste zondag van het kerkelijk
jaar, d.w.z. Zondag Trinitatis (Drievuldigheidszondag,
één week na Pinksteren) en is hij gecomponeerd in 1741. Het is de twaalfde keer dat
Graupner (1683-1760) een cantate voor Trinitatis schreef, en hij zal
het hierna nog negen keer doen.
De titeltekst Sey gerne bei den Alten
is afkomstig uit het oud-testamentische geschrift JEZUS SIRACH
(6:35), een apocrief, of beter gezegd deuterocanoniek bijbelboek omdat
het ooit voor de bijbel genomineerd werd maar het uiteindelijk niet
haalde. De tekst vervolgt met und wo
ein weiser Mann ist, zu dem halte dich en sluit in dit pleidooi
voor wijsheid aan bij de epistellezing voor Zondag Trinitatis uit de
brief van de apostel Paulus aan de Romeinen (11:35-36) die de wijsheid
Gods bezingt, maar tevens de ondoorgrondelijkheid daarvan.
Het instrumentaal ensemble voor deze cantate omvat, behalve strijkers,
continuo, twee hobo's en twee trompetten maar liefst vier pauken;
opvallend vooral in ónze uitvoeringspraktijk, bij Graupner
treffen we ze aan in 29 van zijn ruim 1400 cantates. De paukenist wordt
hierdoor minder snel harmonisch buitenspel gezet, en kan nu en dan
zelfs melodisch aardig meekomen.
Het openingskoor (1) verloopt
aanvankelijk - overeenkomstig de tekst - in oude stijl: de eerste drie
regels gaan als drie koorfuga's, waarbij instrumenten uitsluitend de
koorstemmen verdubbelen; zelfs de trompetten en pauken participeren,
voorzover hun toonvoorraad dat toelaat, in dit colla parte spel.
De cantate, zoals gebruikelijk op tekst van Graupners zwager, de
predikant J.C. Lichtenberg, bevat vervolgens voor de bas en de sopraan
ieder een secco recitatief, en een da-capo aria, begeleid door
strijkers en één (sopraan) of twee (bas) oboi di selva (bos-hobo's), de
plaatselijke benaming voor de alt-hobo die bij Bach hobo da caccia (jachthobo) heet. De
bas vermaant (2,3),
de sopraan roept op tot bekering (4,
5) en tenslotte dankt de bas in een afsluitend recitatief (6) voor de geleerde les, waarbij
het koor (7) zich aansluit met
het korte, zevende vers van het koraal Jesu, Retter in der Noth, dat door
de instrumentalisten luidruchtig, maar zonder eigen thematiek, wordt
begeleid. (De Swaen, 25-27/6/2010)
Chr.
Graupner: Wisset ihr nicht das auf
diesen Tag
(GWV 1127/26)
Christoph Graupner (1683-1760)
was een
tijdgenoot van Bach die - in
tegenstelling tot Bach - wèl aan de Thomasschule in Leipzig werd
opgeleid maar in 1723 voor het cantoraat bedankte, waarna Bach werd
benoemd. Graupner was en bleef ruim 50 jaar hofkapelmeester voor de
landgraven van Hessen Darmstadt waar hij maar liefst 1400 cantates
componeerde, waarvan de meeste onuitgegeven bewaard bleven in de
universiteitsbibliotheek van het kasteel aldaar, waar De Swaen (Arwen
Bouw) ze aantrof en een aantal kopieerde voor een eerste heruitvoering
sinds 250 jaar. Omdat Graupner dit jaar twee-en-een-halve eeuw geleden
is overleden, is er - niet alleen bij De Swaen - thans veel van hem te
horen.
Voor Goede Vrijdag 1726 schreef Graupner de cantate Wisset ihr nicht das auf diesen Tag,
zoals
meestal
op
tekst
van zijn zwager, de theoloog Johann Conrad
Lichtenberg. De instrumentale bezetting is luxueuzer dan in de meeste
cantates van J.S.Bach: naast strijkers en continuo zijn er twee
traverso’s, twee hobo’s en twee trompetten met pauken. In de tweede
aria bespeelt één der solo-violsten een viola d’amore,
een zachter
klinkend en lager gestemde viool die behalve over 5 à 7
gestreken
snaren ook beschikt over een aantal mee-resonerende (sympathische)
snaren. Voor wie gewoon is bij Goede Vrijdag te denken aan de passionen
die Bach te Leipzig schreef en uitvoerde, is het opmerkelijk dat aan
het hof te Darmstadt niet alleen gewoon een cantate werd uitgevoerd
maar dat daaraan zelfs trompetten meededen, al schrijft Graupner wel
voor dat deze sordinato
(gestopt) moeten zijn, zoals hij ook op de strijkbas (violone) een sordino
vraagt. De struktuur van Graupners cantate gelijkt op die van vele
Bachcantates: een afwisseling van recitatieven en aria’s, voorafgegaan
door een grootschalig openingskoor en besloten met een koraalbewerking.
Terwijl Bachs cantates vrijwel steeds eindigen met de bekende
vierstemmige harmonisering van het koraal, bedt Graupner zijn veel
minder pretentieuze harmoniseringen altijd in in een uitgebreide en
zelfstandige instrumentale omgeving, met voor-, na- en tussenspelen. De
titeltekst Wisset ihr nicht
zou na Christus’ kruisiging door iemand in Jeruzalen gesproken kunnen
zijn, maar in de bijbel komt zo’n tekst niet voor. De drie aria’s
roepen achtereenvolgens op (alt) Christus’ sterven te beklagen (Hilft mir klagen!),
de eigen schuld daaraan te erkennen (bas) en Jezus te volgen (sopraan).
Zoals we ook bij Bach vaak zien wordt de navolging in beeld gebracht
door twee elkaar imiterende violen. (De
Swaen, maart 2010)
Chr. Graupner: Wo gehet
Jesus
hin? (GWV 1119/39)
Gedurende de halve eeuw dat
Christoph
Graupner (1683-1760) kapelmeester
was aan het hof te Hessen-Darmstadt schreef hij naast instrumentaal
werk 1440 cantates, waaronder 25 voor Zondag Estomihi, de laatste zondag voor de
vastentijd, die in Darmstadt trouwens niet tot muzikale onthouding
verplichtte.Vandaag hoort u twee van die Estomihi-cantates. Wo gehet Jesus hin? stamt uit 1739
en is zoals de meeste van Graupners cantates gebaseerd op een tekst van
zijn zwager, de theoloog J.C.Lichtenberg. De cantate bestaat, evenals Die Furcht des Herrn die u straks
zult horen, uit twee delen die worden afgesloten met identieke
zettingen van een koraalvers, resp. de eerste (3) en veertiende (7) strofe van het passielied Herzliebster Jesu, was hast du verbrochen (Johann
Heermann
1630
/
Johann
Crüger 1640). (3)
is een koraalfantasie waarbij de
melodie in de vocale en instrumentale bas ligt, terwijl de strijkers
hoofdzakelijk de polyfone begeleiding van de andere vocalisten
ondersteunen. (7) heeft een
vergelijkbare struktuur maar nu ligt de koraalmelodie in de, door de
altviool gesteunde tenor. Het door de bas voorgedragen Dictum (1) waarmee de cantate opent is
niet, zoals je zou verwachten een bijbelgedeelte maar een vrije tekst
naar aanleiding van de evangelielezing waarin Jezus aankondigt naar
Jeruzalem te gaan waar hij weliswaar juichend zal worden ontvangen
(Palmzondag) maar vervolgens zal lijden en sterven. In het daarop
volgende koor (2) heeft
Graupner, die op dat moment blijkbaar meerdere goede zangers tot zijn
beschikking had, duidelijk solo- en tutti-passages onderscheiden. In de
enige, en lange, da-capoaria (5)
wordt de sopraan door de strijkers begeleid. Haar bede Aanvaard mij wordt met een Adagiotempo onderstreept. (De
Swaen, febr 2010)
Chr. Graupner: Die Furcht
des
Herrn ist Zucht zur Weisheit (GWV 1119/33)
De titeltekst van deze
Estomihi-cantate
uit 1733 is ontleend aan het
oudtestamentische bijbelboek Spreuken 15:33. Ook dit is een tweedelige
lijdensmeditatie, nu gestruktureerd door de strofen 2 (4) en 5 (8) van het koraal Wenn meine Sünd mich kränken
(tekst Justus Gesenius, 1646 / melodie Michael Prätorius, 1609);
regelmatige bezoekers herkennen inmiddels dat de vocalisten een,
vergeleken met Bach, zeer eenvoudige en pretentieloze vierstemmige
harmonisering van het koraal zingen, maar dat de instrumenten die
inbedden in een zelfstandige concertante begeleiding.
Graupners vooral instrumentaal gerichte experimenteer- en
vernieuwingslust blijkt uit de begeleiding bij de tweede aria (6), voor de sopraan; deze kent
slechts twee stemmen: een melodische door unisono spelende twee
traverso's en de eerste viool, en een ritmisch/harmonische basis van
unisono en pizzicato spelende tweede viool, altviool en octaverende
violone, c.q. basviool. In het daaraan voorafgaande secco-recitatief
voor de sopraan (5) wordt de
centrale boodschap onderstreept door een overgang naar een ritmisch
arioso voor alle vier de zangers. In alle aria's schrijft Graupner een
streng, niet gevarieerd of bekort da-capo. (De Swaen, febr 2010)
Chr.
Graupner: Viel sind berufen, aber
wenig sind
auserwählet (GWV 1117/13)
Deze cantate stamt uit het begin
van
Graupners vijftigjarig
dienstverband aan het hof van Hessen-Darmstadt, nog voordat zijn
zwager, de theoloog Johann Conrad Lichtenberg hem 25 jaar als bezoldigd
tekstschrijver terzijde stond. De tekst voor deze cantate komt uit een
bundel van de Darmstadter hofdichter en -bibliothecaris Georg Christian
Lehms (1684-1717), een bundel waaruit ook J.S.Bach bij gelegenheid
putte.
De cantate is bestemd voor Zondag Septuagesima, de negende zondag voor
Pasen, maar de evangelietekst waarmee Lehms opent, en die de cantate
zijn titel geeft, behoort niet tot de evangelielezingen voor deze
zondag maar is uit Matthäus 22:14, waar Jezus een parabel besluit
met zijn moraal: dat weliswaar iedereen tot het Rijk Gods is
uitgenodigd maar slechts diegenen er zullen binnengaan die Christus
aanvaarden.
Het voltallig vierstemmig koor, dat wordt begeleid door een orkest
waarin we naast twee hobo's ook drie trombones aantreffen, treedt niet
alleen op in het openingskoor (1) en slotkoraal (6) maar ook in deel
(3) omdat daar opnieuwe een bijbeltekst wordt geciteerd, een passage
uit Paulus' brief aan de Romeinen (3: 21 - 24), waarvan vooral Luthers
adagium Wir sind allzumal Sünder beroemd is geworden; de koortekst
is daarvan een parafrase.
De eerste da-capo aria (2) voor de sopraan wordt begeleid door
strijkers en hobo's, die in het hoofddeel colla parte de violen volgen
maar in het middendeel (Man muß die guten Werke lassen)
afzonderlijk opereren. In de tweede da-capo aria (4) voor de bas neemt
zelfs de eerste trombone aan de begeleiding deel, ter versterking van
de altviool, en ook hier dunt Graupner in het middendeel de begeleiding
uit, tot een enkele hobo. Een door strijkers begeleid (accompagnato)
recitatief van de bas leidt naar het slotkoraal (6) voor allen (tutti)
waarin voor de soloviool ad libitum nogal opgewonden figuraties zijn
geschreven die enigszins detoneren met het gebedskarakter van de tekst.
(De Swaen, jan. 2010)
Chr. GRAUPNER: Herr unser
Gott,
groß sind deine Wunder (GWV 1174/17)
Christoph Graupner (1683-1760) componeerde zijn cantate Herr unser Gott, groß sind deine
Wunder voor de Tweede Kerstdag 1717. Hij is dan al 8 jaren in
dienst van Landgraaf Ernst Ludwig van Hessen-Darmstadt.
De cantate bestaat uit twee recitatief/aria-paren, omkaderd door
een openings- en een slotkoor. In de twee hoekdelen wordt het
vierstemmig koor begeleid door strijkers, twee trompetten en pauken; de
teksten zijn respectievelijk ontleend aan Psalm 40:6 en Psalm 20:1. Het
eerste van de beide bas-recitatieven verwijst aanvankelijk, zoals te
verwachten, naar de geboorte van Gods Zoon maar schakelt vervolgens
direct over op een tweede verjaardag, de vijftigste (een ‘Jubeljaar',
recit. (4) van vorst Ernst
Ludwig. Opmerkelijk daaraan is niet zozeer dat de geboorten van vorst
en Heiland vergelijkbare gebeurtenissen zijn, als wel dat de vorst op
26 december verjaart, terwijl hij op 15 december (1667) is geboren. De
verklaring vormt de kalenderhervorming die, in 1582 door Paus Gregorius
afgekondigd, in de protestantse gebieden zodanig vertraagd werd gevolgd
dat hij pas in 1700 het Lutherse Duitsland bereikte; daarbij gingen
tien dagen verloren, en vierde men zijn verjaardag - blijkbaar - tien
dagen later.
In da-capoaria (3) begeleiden
een hobo en unisono strijkers de alt. De bas wordt in zijn aria (5) begeleid door de
zacht-getimbreerde, van resonantiesnaren voorziene viola d'amore en de
eveneens wat gevoileerde hobo d'amore. Het blijft gissen wie de
tekstdichter beoogde met zijn verwijzingen naar David, de
oud-testamentische koning die als dichter van vele psalmen wordt
beschouwd, en zijn zoon en opvolger Salomo. De vijftigjarige
Ernst-Ludwig had twee dochters en, na het overlijden van zijn tweede
zoon in 1716, nog één zoon, de toen 27-jarige Ludwig die
hem in 1739 als Ludwig VIII zou opvolgen. (De Swaen, 26-27/12/09)
Chr. Graupner: Das Ende kommt,
der Tod (GWV 1165/32)
Christoph Graupner (1683-1760),
vijftig
jaar hofkapelmeester voor de
landgraven van Hessen-Darmstadt componeerde de meeste van zijn 1400
cantates op tekst van zijn zwager, de theoloog Johann Conrad
Lichtenberg.
De cantate Das Ende kommt, der Tod
schreef hij in 1732 voor de 24e
zondag na Trinitatis; aan het eind van het kerkelijk jaar derhalve,
waarin de kerk vooruitziet naar de wederkomst van Christus aan het
einde der tijden, voor de gelovigen een gebeurtenis waarnaar
verwachtingsvol mag worden uitgezien, en die door de eigen dood slechts
naderbij gebracht wordt.
De instrumentale bezetting illustreert over hoeveel spelers Graupner
aan het Darmstadter hof kon beschikken, op een willekeurige zondag als
deze: naast continuo en strijkers twee hoorns, een trompet en een
paukenist die over vier pauken dient te beschikken en dus veel meer te
doen heeft dan we bij Bach gewend zijn waar hij moet zwijgen zodra de
tonica en de dominant uit de harmonieën verdwenen zijn.
Friedrich
Noack, één van de eersten die zich in het begin van de
vorige eeuw
inzetten voor een herwaardering van Graupners werk, karakteriseert deze
cantate met een düstere
Todesstimmung in weihevollen Ernst und Kraftvoller Hoheit.
Graupner springt hier nogal ongedwongen om met de verschillende vormen.
Het openingskoor (1) wordt
tweemaal onderbroken door accompagnato
recitativische
passages van bas en alt die het grootste deel van de tekst behandelen.
Vervolgens bestaat de cantate uit twee, resp. vóór en na
de preek uit
te voeren delen aria-recitatief-koraal, maar op de eerste ariatekst (2) componeert Graupner een
uitvoerig da-capo koor als plechtige treurmars (Leget euch, 4/4 maat) rond een
vlotter middendeel (Scheut nur nicht,
3/4
maat),
een
koor
met de statuur van een openingskoor. In
basrecitatief (3)
worden de Jezuswoorden instrumentaal ondersteund. Ter afsluiting van de
beide cantatedelen klinkt dezelfde bewerking van resp. het zevende (4) en het vierde (7) vers van Johann
Rosenmüllers koraal Alle
Menschen müssen sterben uit 1652.
Sopraanaria (5) heeft eveneens
een driedelige (A-B-A) da-capostruktuur met opgewekt middendeel.
Strijkers en twee traverso's verzorgen de begeleiding. (28-29/11/2009)
Chr. GRAUPNER: Ouverture in e, met
twee
oboi da selva (GWV 442)
Christoph Graupner (1683-1760),
alumnus
van de Thomasschule en vijftig
jaar werkzaam als hofkapelmeester voor de landgraven van
Hessen-Darmstadt is één van de produktiefste componisten
in de muziekgeschiedenis.
Zijn Ouverture in e-klein is geschreven voor strijkers, continuo, fagot
en twee "oboi da selva".
Bos-hobo's? Kunt u die al eens eerder hebben gehoord? Ja en nee.
Enerzijds is oboe da selva
één van de vele, van plaats tot plaats verschillende
benamingen voor de alt-hobo: een kwint lager reikend dan de gewone
hobo, dus met de f als laagste toon en f-groot als natuurlijke
toonsoort. Bij Bach
heet hij meestal oboe da caccia
(jachthobo) maar ook wel - naar zijn bereik - taille. Omdat de alt-hobo lager
reikt dan de gewone hobo is hij langer, en omdat het dan moeilijker
wordt de onderste gaten met je vingers te bedekken zijn er kromme
versies ontwikkeld die Bach meestal gebruikte. De klankbeker onderaan
loopt wijd uit en is meestal van metaal. Zo'n kromme hobo zag u vorige
maand al in aktie want als er drie hobo's optreden is de laagste
meestal een caccia. Tot zover
niets nieuws.
Nieuw zijn wel de exemplaren waarop Piet en Lucas vandaag spelen: zelf
gebouwd, na grondig onderzoek in dokumenten en musea, vers uit de
werkplaats ondergaan ze dit weekend hun vuurdoop. (24-25/2/2007)
Chr. GRAUPNER: Also hat
Gott die
Welt geliebet (GWV 1139/30)
Christoph Graupner (1683-1760)
was een
alumnus van de Thomasschule, die
in 1723 (vóór Bach) het Thomascantoraat kreeg aangeboden
maar weigerde.
Hij bleef vijftig jaar werkzaam als hofkapelmeester in Darmstadt en
werd één van de productiefste componisten in de
muziekgeschiedenis.
Enkele van zijn meer dan 1400 cantates hoorde u dit jaar al. Muzikaal
volgde hij - meer dan Bach - de galante stroming die naar het
classicisme zou leiden, maar evenals Bach hield hij nog vast aan het
aloude koraal in zijn kerkmuziek.
Voor Tweede Pinksterdag 1730 schreef hij de cantate met de
openingstekst Also hat Gott die Welt
geliebet,
de bekende tekst uit het Johannes-evangelie (3:16), die de
voorgeschreven evangelielezing van Tweede Pinksterdag inleidt, en
daarom dus ook door J.S.Bach werd gebruikt in 1725. Graupners
onovertroffen tekstdichter was zoals gewoonlijk zijn zwager, de
predikant Lichtenberg. Deze gebruikt in de delen 4 en 7 twee coupletten
van Paul Gerhardts koraal O Jesu
Christ, mein schönstes Licht (1653),
die door Graupner op identieke muziek worden gezet ter omlijsting van
het tweede recitatief/aria-paar. Deze koraaltekst komt bij Bach niet
voor, de melodie wel, op de tekst Ich
ruf
zu
dir,
Herr
Jesu Christ (cantates 177 en 185)
Met twee betekenisvolle tekstwijzigingen in de eerste koraalregels
lijkt Lichtenberg zich hier ook theologisch te willen manifesteren:
door in de eerste regel, de aan alle toehoorders bekende koraaltitel,
het woord schönstes door
höchstes te
vervangen
laat hij hen de oren spitsen, zodat het niemand kan ontgaan dat in de
tweede regel de poëtische stoplap
in deiner Seelen (nl die van Christus) is veranderd in in meiner Seelen: ik word wel in
mijn ziel bemind maar niet bijv. in al mijn handelen. (26-27/5/2007)
Chr. GRAUPNER: Cantate Machet
die
Tore
weit (GWV 1101/27)
Christoph Graupner (1683-1760)
componeerde gedurende zijn vijftigjarig
dienstverband als kapelmeester aan het hof van Hessen-Darmstadt zeker
1400 cantates, veelal op tekst van zijn zwager, de theoloog Johann
Conrad Lichtenberg. In zijn cantate voor de eerste Advent 1727 citeert
hij, minder prominent dan Bach, het koraal Nun komm, der Heiden Heiland,
maar anders dan Bach refereert hij met de titeltekst expliciet aan het
evangelie van de eerste Adventszondag, Mattheus 21: 1-9, het verhaal
van Jezus' glorieuze intocht in Jeruzalem dat narratief weliswaar bij
Palmpasen behoort maar hier opduikt omdat het verwijst naar de
oud-testamentische profetie van een Messias die op een ezel zijn entree
maakt, Psalm 24: Machet die Tore weit.
Stilistisch
is
Graupner
‘moderner'
dan Bach, polyfonie en contrapunt
treffen we bij hem nauwelijks meer aan; wel toont hij zich, evenals
Bach, verknocht aan het koraal. (25-26/11/2006)
Chr. GRAUPNER: koraal uit Von
Gott
will
ich
nicht lassen
Van Christoph Graupner
(1683-1760),
vijftig jaar hofkapelmeester te
Darmstadt, hoort u uit zijn cantate Von
Gott
will
ich
nicht
lassen slechts het eerste en tweede couplet
van het koraal Helft mir Gotts
Güte preisen
waaraan Neumeister het slotkoraal van Telemanns en Bachs cantate
ontleende, maar nu in een gefigureerde versie. Oplettende luisteraars
zouden kleine verschillen kunnen ontdekken in de door de drie
componisten gevolgde koraalmelodie: voer voor hymnologen.
(30-31/12/2006)
Chr. GRAUPNER: Vergnügte
Ruh,
beliebte
Seelenlust (GWV 1147/11)
Christoph Graupner (1683-1760),
alumnus
van de Leipziger Thomasschule
en vijftig jaar werkzaam als hofkapelmeester voor de landgraven van
Hessen-Darmstadt is (met o.m. ruim 1400 cantates) één van
de
produktiefste componisten in de muziekgeschiedenis.
De tekst van zijn solocantate voor sopraan, Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust
(1712) schreef de Darmstadter hofdichter en -bibliothecaris Georg
Christian Lehms (1684-1717) in het zelfde jaar als Neumeister zijn
tekst voor de Bachcantate van vandaag. Ook Bach schreef een (derhalve
gelijknamige) cantate op deze tekst in 1726, BWV 170. De tekst, vol
barokke plastiek en overdrijving, reflecteert op een passage in de
bergrede van Christus (Matth. 5:20-26) waarin deze zijn volgelingen
maant tot een hogere gerechtigheid dan die van farizeïsche
letterknechten.
De instrumentatie past in De Swaens "seizoen van exotische
bezettingen": behalve continuo en een fluit vier altviolen, de
strijkersgroep die ook in de Bachcantate zal optreden. (Strikt genomen
vraagt Graupner als hoogste twee strijkers twee violetta's, hoger gestemde leden
van de gamba-familie.)
De cantate is vijfdelig symmetrisch: aria - recitatief - aria -
recitatief - aria. In de centrale aria vervult de fluit een
solorol;
in de hoekdelen octaveert hij overwegend de hoogste strijkers.
(23-34/2/2008)
Chr. GRAUPNER: Cantate Es
begab sich
(GWV 1157/37)
Christoph Graupner (1683-1760)
ontving
zijn muziekopleiding aan de
Thomasschule te Leipzig, tijdens zijn rechtenstudie en tesamen met o.m.
Telemann, van Bachs voorgangers als Thomaskantor, Johann Schelle en
Johann Kuhnau. Als clavecinist aan de befaamde Hamburger opera zag hij
zijn eerste opera's uitgevoerd. Vanaf 1709 werkte hij ruim vijftig jaar
als hofkapelmeester voor de landgraven van Hessen-Darmstadt, een andere
muzikale toplocatie, althans totdat de opera - wegens te hoge kosten -
gesloten werd in 1722. Toen Graupner daarop met succes solliciteerde
als Thomaskantor in Leipzig kreeg hij in Darmstadt geen ontslag (maar
salarisverhoging), waarop Leipzig J.S.Bach benoemde.
Graupner werd één van de produktiefste componisten in de
muziekgeschiedenis. Behalve bundels clavecimbelstukken, kamermuziek,
tientallen concerti en orkestsuites schreef hij 113 symfonieën en
niet
minder dan 1418 cantates. Uit theoretische nieuwsgierigheid schreef hij
5000 canons op eenzelfde thema. Hij componeerde in een overgangsstijl
die restanten 'ouderwetse' polyfonie verbond met de moderne,
vooruitstrevende en veel eenvoudiger galante stijl waar Bach maar zo
moeilijk aan kon toegeven. Het hof te Darmstadt was daarbij sterk op
Frankrijk geörienteerd.
De cantate Es begab sich, das Jesus
in eine Stadt mit Namen Nain ging schreef Graupner in oktober
1737, zoals
gebruikelijk op tekst van zijn zwager, de theoloog Johann Conrad
Lichtenberg. De evangelietekst voor deze zestiende Zondag na Trinitatis
(Lucas 7:11-17) bespreekt de opwekking door Jezus van een overleden
jongeling te Naïn. De cantate moest in Darmstadt niet slechts
aansluiten op dit dictum van de dag, maar deze tekst ook zelf bevatten;
de tenor reciteert hem in het openings-arioso (1), op de - zeer
toepasselijke - muziek van een tombeau,
een
franse
treurmars,
maar
beëindigt
het citaat vóór van een opwekking sprake
is, waarna de
cantate met de voorbereiding op de dood vervolgt. Na het bas-recitatief
(2) treden de chalumeaux (zie onder) op, in beurtzang met de
strijkers,
in de
drie-delige (da-capo) aria
voor de bas (3), met opnieuw
het opschrift tombeau.
Terwijl het nu
volgende sopraan-recitatief (4)
nog in g-mineur
eindigt, staat da-capo-aria (5) in een triomfantelijk
Es-groot: de dood
is de poort waar achter Christus wacht. Het is een buitengewoon
virtuoze aria: na sluiting van de opera kon Graupner blijkbaar zo nu en
dan nog beschikken over voormalige opera-sterren. Strijkers versieren
het slotkoraal (6) met
vrolijke krullen en strikken: de dood is een
aanlokkelijk perspectief geworden.
Chr. GRAUPNER: Rühme
dich
nicht des morgenden Tages (GWV 1157/33)
Christoph Graupner (1683-1760) studeerde te Leipzig waar hij
muziekonderricht kreeg van Bachs voorgangers. Van 1709 tot zijn dood
was hij meer dan vijftig jaar hofkapelmeester voor de landgraven van
Hessen-Darmstadt. In ruil voor een salarisverhoging bedankte hij in
1723 voor het Thomaskantoraat te Leipzig dat daarop aan J.S.Bach werd
aangeboden.
Naast kamermuziek en orkeststukken componeerde hij ruim 1400 cantates.,
zowel in ‘ouderwetse' polyfone als in modern-galante stijl.
Zijn uit 1733 daterende cantate Rühme
dich
nicht
des
morgenden
Tages
werd geschreven voor de zestiende zondag na Trinitatis, een zondag die
in het teken staat van de voorbereiding op de dood. Graupners
cantateteksten zijn meestal afkomstig van zijn zwager, de theoloog
Johann Conrad Lichtenberg; zij steken gunstig af tegen de teksten
waarop Bach zich meestal moest baseren. Volgens plaatselijk voorschrift
beginnen ze meestal met een bijbelcitaat, in dit geval Spreuken 27:1,
de tekst van het openingskoor (1).
Met
een
secco
recitatief
(2)
leidt de sopraan haar da-capo aria (3)
in, waar strijkers en een traverso haar begeleiden. Na een kort, alweer
secco tenorrecitatief (4)
volgt een instrumentaal gefigureerd koraal (5)
dat waarschijnlijk het einde betekende van het eerste deel van deze
cantate, "voor de preek"; het tweede deel van de cantate wordt besloten
met dezelfde koraalbewerking (8).
De
teksten
vormen
resp.
de coupletten 7 en 17 van het destijds
populaire koraal Ich hab mein Sach
Gott heimgestellt. Cantatedeel 2 omvat verder een lange da-capo
aria voor de bas (6) en
opnieuw een kort tenorrecitatief (7).
|