G.M.Hoffmann: Meine Seele rühmt
und preist (olim BWV 189)
Deze cantate is lang beschouwd als een werk van J.S.Bach en kreeg in
diens WerkeVerzeichnis het nummer 189. Sinds 1956 (Dürr, Bach
Jahrbuch p.155) geldt hij als het werk van Georg Melchior Hoffmann
(1679 - 1715). Deze studeerde vanaf 1702 in Leipzig
waar hij eerst lid was van het door Telemann opgerichte Collegium
Musicum en na diens vertrek in 1705 leider. Hij componeerde o.m.
instrumentaal werk, missen, cantates en opera's voor de toen nog
bestaande Leipziger opera. In 1714 was hij met J.S.Bach sollicitant
voor de organistenpost te Halle waarvoor uiteindelijk beiden bedankten.
Bij zijn overlijden op 36-jarige leeftijd was hij een beroemd componist.
In zijn solocantate Meine Seele
rühmt und preist wordt de tenor
begeleid door blokfluit, hobo, viool en continuo. De tekst is een
gedeeltelijke parafrase van de lofzang van Maria, het Magnificat, zoals
opgetekend in het evangelie van Lucas (1:46-55). Deze tekst werd
gelezen
op het feest van Maria Visitatie (2 juli) wat dus waarschijnlijk de
liturgische bestemming van de cantate is geweest. De vijf delen zijn
symmetrisch geordend: drie aria's worden afgewisseld met twee secco
recitatieven. De middelste aria heeft slechts continuo-begeleiding, in
de twee hoekdelen musiceert de voltallige bezetting. (De Swaen, 28/29
juni
2008)
G.M.Hoffmann: Schlage
doch, gewünschte Stunde (olim BWV 53)
Melchior Hoffmann (1679 - 1715)
studeerde vanaf 1702 in Leipzig waar
hij eerst lid was van het door Telemann opgerichte Collegium Musicum
en na diens vertrek in 1705 leider. Hij componeerde o.m. instrumentaal
werk, missen, cantates en opera's voor de toen nog bestaande Leipziger
opera. In 1714 was hij met J.S.Bach sollicitant voor de organistenpost
te Halle waarvoor uiteindelijk beiden bedankten. Bij zijn overlijden op
36-jarige leeftijd was hij een beroemd componist.
Zijn ééndelige Trauermusik
Schlage doch, gewünschte Stunde
is een solo-cantate voor alt, bestaande uit een da-capoaria. Hij werd
lange tijd aan J.S.Bach toegeschreven. De alt wordt er begeleid door
strijkers, continuo en twee klokken (campanella),
de symbolen van het tijdelijke wier geluid in zoveel Trauermusiken
wordt geïmiteerd
of aangeduid maar die nu eens de
facto aanwezig zijn.
De gedachte dat de sterfdag iets is om verlangend naar uit te zien
omdat zij ons dichter bij Jezus brengt, behoort tot het toenmalige
Lutherse gedachtengoed dat we ook in Bachs werk tegenkomen. (De Swaen,
27-28/10/2007)
G.M.Hoffmann: Meine
Seel
erhebt den Herren (1708)
Georg Melchior Hoffmann (1679 - 1715) studeerde vanaf 1702 in Leipzig
waar hij eerst lid was van het door Telemann opgerichte Collegium
Musicum en na diens
vertrek in 1705 leider. Hij was muzikaal leider van Leipzigs Neue
Kirche
en componeerde o.m. instrumentaal werk, missen, cantates en opera's
voor de toen nog bestaande Leipziger opera. In 1714 was hij met
J.S.Bach sollicitant voor de organistenpost te Halle waarvoor
uiteindelijk beiden bedankten. Bij zijn overlijden op 36-jarige
leeftijd was hij een beroemd componist.
Zijn solocantate voor sopraan Meine
Seele erhebt den Herren wordt gezien zijn kamermuzikale
bezetting wel als Kleines Magnificat
aangeduid. De oude Bachgesellschaft beschouwde het als een jeugdwerk
van Bach maar het raakte zoek voor ‘t gepubliceerd kon worden en kreeg
dus - anders dan de eveneens aan Hoffmann toegeschreven BWV 53 en 189 -
nooit een BWV-nummer. Sinds 1982 staat Hoffmanns auteurschap vast en is
het stuk verbannen naar de BWV-aanhang, Anh.I/21, de verzameling ooit
ten onrechte aan Bach toegeschreven werken.
De solosopraan, die afwisselend wordt begeleid door continuo, strijkers
en traverso, kan, technisch gezien. nooit een jongenssopraan zijn
geweest en dus zal Meine Seel erhebt
den Herren dus ook nooit in een kerk zijn uitgevoerd.
Anders dan Bachs BWV 10 en Hoffmanns BWV 189 volgt dit stuk zonder
parafraseringen de letterlijke tekst van het Lucas-evangelie en Luthers
Deutsche Magnificat. Lucas'
negen versregels plus de twee regels doxologie zijn verdeeld over tien
aria's en recitatieven: alleen recitatief 2 behandelt twee versregels.
De gregoriaanse koraalmelodie klinkt alleen in het voorlaatste deel,
een koraalbewerking waarin de sopraan gesecondeerd wordt door een
drukke begeleiding van unisono strijkers. (De Swaen, 28 juni 2009) |