(De Swaen, 25-26/3/2006)

J.D.Zelenka: Lamentationes pro hebdomada sancta (ZWV 53, 1722)

Beluister de eerste vier minuten:
In de Rooms-Katholieke liturgie van voor het Vaticaans Concilie (1962-1965) werden teksten uit het bijbelboek Klaagliederen van Jeremia gezongen, oorspronkelijk uiteraard alleen op gregoriaanse wijzen, tijdens de vroegste ochtendgebeden (‘metten') in de Stille Week voor Pasen (Hebdomada Sancta). Om nachtbraken te vermijden werden deze ‘donkere metten' (tenebrae), die wel te vroeg maar nooit te laat mochten worden gebeden, wel gehouden aansluitend op de laatste getijden (‘completen') van de vorige dag. In de zeventiende eeuwse, door Boheemse jesuïeten gerunde hofkapel van August der Starke te Dresden plachten zij zelfs reeds te worden uitgevoerd om half vier ‘s middags. Dit verklaart waarom Zelenka's Lamentaties, die op 1-3 april 1722 in première gingen in aanwezigheid van de hele koninklijke familie, de naam dragen (woensdag, donderdag, vrijdag) van de dagen voorafgaand aan die waarvoor ze zijn bestemd: Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Tijdens elk van deze drie ‘metten' werden drie passages uit de Klaagliederen gelezen of gezongen; telkens de eerste twee daarvan geeft Zelenka de muzikale vorm van een solocantate, waarbij de donkerheid van het kerkelijke jaargetijde verklaart waarom daarin slechts de drie laagste stemmen en geen sopraan wordt ingezet.

De vijf aan de profeet Jeremia toegeschreven klaagzangen bewenen de verwoesting van de tempel van Jeruzalem en de gevankelijke wegvoering van het volk Israel (578 v. Chr.). Ze zijn opgezet als acrostichons: de 22 verzen van elke klaagzang beginnen achtereenvolgens met de letters van het Hebreeuwse alfabet (aleph, beth, ghimel etc). Omdat deze eigenschap in de volks-latijnse vertaling (Vulgaat) verdween, plaatste de vertaler, Hieronymus, de betreffende letters boven ieder vers waar ze allengs als onderdeel van de tekst zijn beschouwd en ook op muziek gezet; de derde en middelste klaagzang omvat 3x22 verzen zodat daar elke letter driemaal voorkomt. In de katholieke liturgie wordt elke klaagzang besloten met de niet rechtstreeks aan de bijbel ontleende samenvatting van Jeremia's boeteprediking  Jerusalem, Jerusalem, convertere ad Dominum tuum, bekeert u tot de Heer uw God. De christelijke kerk memoreert deze boeteoproep juist in de lijdensweek omdat zij de afwijzing van Jezus door Jeruzalem/Israel vergelijkbaar acht met Israels afwijzing van God die destijds met de tempelverwoesting werd bestraft.

Jan Dismas Zelenka (1679-1745), in het gevolg van de Boheemse jesuïten naar Dresden getogen, werkte zijn hele leven als contrabassist en componist bij de Hofkapel. Hij kan als Bachs katholieke evenknie worden beschouwd. Beiden kenden elkaar niet alleen goed, maar deelden als componisten een ouderwetse voorliefde voor de oude meesters waardoor met name hun religieuze composities gekenmerkt worden door een royaal gebruik van contrapunt, imitatorische en fugatische technieken, komplexe harmonieën en chromatische wendingen. Zelfs wanneer Zelenka - zoals in de onderhavige solocantates - slechts voor één zangstem schrijft betrekt hij deze regelmatig in polyfone verwikkelingen met de instrumentalisten.
De droge lamentatieteksten, met hun vrijwel identieke, klaaglijke basisaffekt geven geen aanleiding voor de in cantates gebruikelijke afwisseling van explicatieve recitatieven en expressieve aria's. Als alternatief daarvoor kiest Zelenka, zich aansluitend bij de traditie, voor losse, vloeiende overgangen tussen recitatieven en aria-achtige (arioso) passages. De hoofdtekst wordt daarbij meestentijds compact, in  secco (d.w.z. slechts door continuo begeleide) recitatieven behandeld, zonder dat centrale woorden of passages daarbij nadrukkelijk muzikaal worden geïllustreerd. Het muzikale accent ligt daardoor op de instrumentale in- en uitleidingen en tussenspelen, en voor de zangstem op de an sich betekenisloze Hebreeuwse beginletters die breed en bloemrijk, melismatisch worden uitgesponnen waardoor ze de dragers van muzikale expressie worden. Ook de vaste slotformule van elke lamentatie Jerusalem, Jerusalem, convertere ad Dominum tuum wordt altijd uitvoerig op muziek gezet: allerminst als een refrein maar iedere keer weer anders en wel steeds polyfoon, met fuga-achtige en imitatieve opeenvolgingen.

Gaandeweg de zes lamentaties klaart het instrumentale palet enigszins op, in overeenstemming met het wat hoopvoller en troostrijk karakter van de teksten voor Paaszaterdag, die na de kruisiging op Goede Vrijdag een voorschot lijken te nemen op het opstandingsevangelie van Pasen. In de eerste vier lamentaties treden, buiten de continuogroep en strijkers 2 hobo's op die vaak ook nog dezelfde noten spelen als de violen en daarmee slechts voor kleurverschillen zorgen. In de twee laatste lamentaties zijn de tutti-strijkers (violen en altviolen) en hobo's geheel verdwenen. In lamentatie 5 spelen - buiten het continuo - twee concertante celli en twee fluiten terwijl in de laatste een soloviool en een fagot aantreden, benevens de chalumeau, het destijds in midden-Duitsland hier en daar populaire blaasinstrument met een wat melancholiek en pastoraal timbre dat u hier al enkele malen hebt kunnen horen; een enkelriet instrument, dus geen familie van de schalmei maar voorloper van de klarinet.
omhoog