G.H.Stölzel: Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir
(1744)
Gottfried Heinrich Stölzel (1690-1749) was een
tijdgenoot van
J.S.Bach en gedurende dertig jaar werkzaam als kapelmeester aan het
hertogelijk hof te Gotha; hij werd door deskundige tijdgenoten als een
groter componist beschouwd dan Bach. Hij componeerde zeker twaalf
jaargangen cantates. Zijn cantate Aus
der Tiefeni was bestemd voor zondag Rogate, 3 mei 1744, de zondag
voor Hemelvaartsdag. De kerk leest die zondag Johannes 16: 23-30,
waarin Jezus zijn vertrek aankondigt en zijn volgelingen aanmoedigt in
zijn naam tot God te bidden, "en u zal gegeven worden." De cantate is
geschreven voor vierstemmig koor, twee hobo's, continuo en strijkers,
waarvan de altviolen echter slechts spelen in het begin- en (daaraan
vrijwel identieke) slotkoor. De struktuur is symmetrisch opgebouwd rond
de twee coupletten (1 en 5) van het koraal Aus der Tiefen (4). Het koraal wordt geflankeerd
door twee da-capo duetten, (3)
en (5) voor resp. de twee
hoge en de twee lage stemmen, en beide begeleid door twee hobo's en
twee violen. Daaromheen horen we twee recitatieven, die allebei
één van Stölzels compositorische eigenaardigheden
vertonen, te weten dat ze, ter verhoging van de zeggingskracht, voor
meerdere stemmen zijn geschreven: als achtereenvolgende soli voor
sopraan en alt (6), en voor
alle vier zangers (2) maar
daar zelfs voor twee stemmen (S & A) tegelijk. Het openingskoor (1) verwerkt, na een homofone
inleiding de tekst Laß deine
Ohren merken etc imitatief;
dat gedeelte wordt herhaald als
slotkoor (7). (De Swaen 29/5/2011)
G.H.Stölzel: Cantate Wir
haben
ein
festes prophetisches
Wort (1737)
Gottfried Heinrich Stölzel
(1690-1749) was een tijdgenoot van
J.S.Bach en gedurende dertig jaar werkzaam als kapelmeester aan het
hertogelijk hof te Gotha, tussen Eisenach en Erfurt, in het
Thüringen van Bachs adolescentie. De verschillen met Bach zijn
echter instructief. Anders dan Bach genoot Stölzel een klassieke
opleiding; hij doorliep het gymnasium, studeerde theologie aan de
universiteit van Leipzig en ontwikkelde zich als componist gedurende
enkele jaren in Italië. Dankzij zijn filologische scholing kon
Stölzel in veel van zijn opera's en cantates als zijn eigen
tekstdichter optreden. Hij schreef ook enkele muziek-theoretische
verhandelingen, o.m. over het recitatief en was daarom sinds 1739 een
gerenommeerd lid van Lorenz Mizlers befaamde Korrespondierende Soziëtät der
Musikalische Wissenschaften, een aan de opkomende Verlichting
ontsproten exclusief gezelschap waarvan o.m. Handel lid was en waarvan
Bach pas na lang aandringen van zijn voormalige leerling Mizler in 1747
het veertiende lid was geworden, niet door inzending van een tractaat
maar van een compositie, zijn Canonische
Veränderungen. Mizler achtte Stölzel een groter
componist dan Bach.
Stölzel produceerde in Gotha niet minder dan twaalf
cantatejaargangen: verzamelingen cantates voor elk van de ongeveer 65
zon- en feestdagen van het kerkelijk jaar. Evenals Telemann (met zijn
naar schatting 1200 cantates) overtrof hij daarmee Bach die volstond
met waarschijnlijk vijf jaargangen en er vervolgens de voorkeur aan gaf
zijn bestaande composities te perfectioneren en opnieuw uit te voeren.
Van Stölzels twaalf jaargangen (waarvan nog de helft resteert)
zijn er vier zogenoemde 'dubbel-jaargangen', bestaande uit twee
(kortere) cantates voor elke zondag, uit te voeren resp. na de
evangelie- en de epistellezing; Bach schreef een beperkt aantal
twee-delige cantates, waarvan de delen voor en na de preek werden
uitgevoerd.
Vanmiddag hoort u van Stölzel twee cantates voor Epiphanie, het
feest van de verschijning van Christus, ons Driekoningen op 6 januari:
de epistel-cantate Dancksaget dem
Vater en de evangelie-cantate Wir
haben
ein
festes
prophetisches
Wort, uit 1737. Geen van beide
cantates behandelt expliciet de gebeurtenissen (Wijzen uit het Oosten)
waarvan het evangelie voor deze dag verhaalt; je zou kunnen
veronderstellen dat Stölzel dat al eens eerder had gedaan. Beide
cantates zijn, passend bij de feestdag, luxueus geïnstrumenteerd:
behalve strijkers, twee fluiten en twee hobo's horen we in de eerste
cantate ook nog twee hoorns.
(Hieronder tussen haakjes geplaatste cijfers verwijzen naar de delen
der cantates.)
Als uitgangspunt voor de epistel-cantate Dancksaget dem Vater fungeert een
tekst uit Paulus' brief aan de Colossenzen, hoofdstuk 1, vers 12), een
niet door de liturgie voorgeschreven tekst. Ook in de verdere inhoud
verwijst niets naar de met Epifanie gebruikelijk behandelde
gebeurtenissen zoals de Wijzen uit het Oosten, de doop van Jezus of
zijn optreden op de bruiloft te Kana; het gaat hier heel in het
algemeen over 'verlichting'. Het openingskoor (1) bestaat in beide
cantates uit twee delen. Hier vindt de tweedeling zijn grond in het
woord versetzt: daar
verandert niet alleen de maat maar ook de stemmen verschuiven ten
opzichte van elkaar, een fugato. In het secco recitatief (2) ontmoeten
we één van Stölzels specialiteiten: het meerstemmige
recitatief. Verdeling van de tekst over verschillende zangers
verheldert de gedachtengang: de tenor lanceert een algemeen inzicht
(Christen...), de bas betrekt
dat op onszelf (wir) en hekelt
vervolgens (3) met traverso's
en violen het onechte christendom. (4)
Na
een secco-aanmoediging door de alt bidt de sopraan, als altijd de ware
gelovige, accompagnato om
verlichting door Gods woord, en als zij tenslotte arioso haar verlichte levensweg
bezingt gaat ook het continuo aan de wandel. De sopraan brengt God dank
in een vrolijke, dansante aria (5),
vol
Verklärung, Licht en Erleuchtung, waarin ook
de
hoorns uit deel 1 weer terugkeren. Het
slotkoraal (6) ontleent zijn
kleur aan een andere
Stölzel-specialiteit: de hoogste instrumenten, in dit geval de
twee hoorns, spelen hoger dan de sopranen.
De tekst van de evangelie-cantate Wir
haben
ein
festes
prophetisches
Wort (citaat uit de tweede brief
van Petrus, 1:19) heeft een alle delen overkoepelend thema: de
Morgenster, die hier niet alleen verwijst naar het Driekoningen-verhaal
maar ook naar het door Verlichtingsdenkers geliefkoosde mechanische
hemelgebeuren (das gestirnte Firmament).
Hier
reiken
tekstschrijver
en
componist Stölzel elkaar de hand. De
opkomst van de Morgenster (1b)
wordt getoonzet met een rationele fuga.
De observatie van de hemel, door de tenor verheerlijkt (2) wordt in het
alt-recitatief (3) sterk
gerelativeerd: die sterrehemel is maar nacht
vergeleken met de heerlijkheid des heren. In een opgewonden euforie des
geloofs gaat de alt (4) verder
met deze nieuwe metafoor aan de haal.
Het accompagnato recitatief (5) is weer meerstemmig:
de
betekenis van het licht voor de wijzen
(bas), als richtsnoer in het leven (tenor) en troost bij het sterven
(alt). Een eenvoudige vierstemmige harmonisering van vers 6 van het
koraal Freue dich, o meine Seele
besluit deze cantate. (De Swaen, 26/12/2004)
G. H. Stölzel: Alles was
ihr thut mit Worten oder Wercken (1736)
Gottfried Heinrich Stölzel
(1690-1749), akademisch en in
Italië
geschoolde tijdgenoot van Bach, was dertig jaar hofkapelmeester te
Gotha. Hij componeerde zeker twaalf jaargangen cantates. Alles was
ihr thut mit Worten oder Wercken
is geschreven voor Nieuwjaar 1736, volgens de kerkelijke kalender het
feest van de besnijdenis van Christus (festum
circumcisionis Christi),
de gelegenheid waarbij de boreling zijn naam ‘Jezus' krijgt. De
titeltekst is uit de brief van de apostel Paulus aan de christenen in
Colossus (3:17)
Stölzel fungeerde veelvuldig als zijn eigen tekstdichter. Zijn
compositorische specialiteit was het meerstemmige recitatief dat we ook
in deze cantate tegenkomen: in (2)
zingen de concertisten achtereenvolgens een volzin, wat het tekstbegrip
ten goede komt; in (4)
concluderen zij gezamenlijk vierstemmig en vervolgen met het beamen -
als in een litanie - van enkele gebeden. Het Amen van het slotkoraal
wordt als fuga verwerkt. (De Swaen, 29/30
december
2007) |