G. Ph. Telemann: Du aber, Daniel, gehe hin (TWV 4:17)

Beluister alvast de uitvoering van Cantus Cölln (Schlick)
of bekijk die van  Christophe Gautier
of het Bach Consort Moscow  /1  /2  /3  /4

1. Sonata

2. KOOR
Du aber, Daniel, gehe hin,
bis das Ende komme und ruhe,
auf dass du aufstehest
zu deinem Teil am Ende der Tage.

3. Recitativo:
Mit Freuden folgt die Seele
so einem lieblichen Befehle,
zumal, da auf der ganzen Welt nichts ist,
das ein rechtschaffner Christ
für seine Ruh und Glücke hält.
Mit Freuden greift sie zu,
wenn ihr der Tod die kalten Hände beut,
sie weiß, er bringt den müden Leib zur Ruh;
drum ist sie schon bereit,
der Welt aus diesem Leben
den Abschied ganz vergnügt zu geben.

4. Aria:
Du Aufenthalt der blassen Sorgen,
verhasste Welt zu guter Nacht.
Du bist ein ungestümes Meer,
das an keinem Hafen stellt,
ein Kerker, der uns hart gefangen hält,
ein Labyrinth,
wo man in seiner Not kein Ende findt,
ein Lazareth, wo man nur siech und krank,
ein wüster Ort, wo stets ein kläglicher Gesang
in die erschocknen Ohren fällt.

5. Arioso
Komm, sanfter Tod, du Schlafes Bruder,
komm, löse meines Schiffleins Ruder
und führe meines Lebens Kahn
ans Land der guten Hoffnung an,
wo stete Ruh und Freude lacht.

Georg Philipp Telemann (1681 – 1767), van 1721 tot zijn dood werkzaam als muziekdirecteur in Hamburg, was in zijn tijd de grootste Duitse componist. Zijn Trauer-kantate Du aber, Daniel, gehe hin is een verhoudingsgewijs jeugdwerk, ontstaan omstreeks 1710, na zijn ‘succesvolle' studietijd in Leipzig (1701 - 1705) waarbij hij als organist en operadirecteur fungeerde, en voordat hij vertrok naar Frankfurt (1712) en later Hamburg (1721). De cantate is ongetwijfeld geschreven voor een rouwdienst.
Ze wordt wel vergeleken met Bachs ACTUS TRAGICUS Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit (BWV 106) van 1707 (en dus niet met zijn veel later (1727) ontstane TRAUERODE Laß, Fürstin, laß noch einen Strahl, BWV 198). Gezien Telemanns openingskoor op een oudtestamentische bijbeltekst  (Daniël 12:13), zijn ‘moderne' recitatieven en da-capoaria's (die in BWV 106 nog ontbreken) is zijn compositie op stilistische gronden van iets later datum.
Vanwege hun gemeenschappelijke bestemming, een rouwplechtigheid, spelen in alle drie voornoemde composities twee viole da gamba, naar gewoonten van de tijd. Telemann cantate heeft daarnaast vier - ongetwijfeld enkelvoudig bezette - vocale partijen benevens een blokfluit, een viool en een hobo en een zwaar bezette continuogroep (orgel, cello, violone, fagot).
Aansluitend bij de bijbeltekst die de profeet Daniel verzekert dat hij gerustgesteld kan sterven omdat hem dat dichterbij de eeuwigheid brengt, behandelt de cantate de toenmaals karakteristieke wereld-afwijzende Todessehnsucht: de gedachte dat de dood alle aardse lijden beëindigt en daarom als een onschuldige slaap kan worden verwelkomd.
En wanneer het over de dood gaat zijn strijkerspizzicati en korte blazersakkoorden nooit veraf, als uitbeelding van het schelle geklepel van doodsklokken (Leichenglocken) en symbolen voor het wegtikken van de tijd en een stagnerend levensritme; u hoort ze in de sopraanaria en het slotkoor.
De onbekende tekstdichter liet zich voor het bas-arioso inspireren door een lied uit 1653 van Johann Franck (O Tod, du Schlafes Bruder) dat men zich uit de Kreuzstabcantate (BWV 56) kan herinneren. Het slotkoor, een wiegelied op de tekst Schlaft wohl, doet natuurlijk denken aan het slotkoor van Bachs JOHANNES-PASSION, Ruht wohl, van een jaar of vijftien later.
6. Recitativo
Im Himmel ist der Sitz vollkommner Freuden,
wo Jesus selber will auf Rosen weiden,
und darauf geht mein Sinn,
drum fahre Welt und alles hin.

7. Recitativo:
Mit sehnendem Verlangen
erwartet man also den letzten Blick der Zeit,
dass Jesus in der Seligkeit
uns möge bald, so wie wir ihn, umfangen.

8. Aria:
Brecht, ihr müden Augenlieder,
sinket, ihr erstarrten Glieder,
denn so kommt mein Geist zur Ruh.
Kommt, ihr Engel, tragt die Seele
aus des Leibes Jammerhöhle
nach der Burg des Himmels zu.
9. Recitativo:
Dir ist, hochsel'ger Mann,
dies Glück geschehen:
du gottgeliebter Daniel,
bist nun der Sterblichkeit entrissen,
dich lacht itzt stetge Ruhe an.
Dein Geist kann seinen Heiland sehen,
der dich anjetzt wird in die Arme schließen.
Zwar schauen wir mit Seufzen und mit Sehnen
die schwarze Totenbahre an,
dieweil mit dir die Krone,
so uns hat bedeckt, geziert, beglückt,
ist in des Todes Staubgefallen.
Doch hemmet dieses unsre Tränen,
dass dich die Lebenskrone
vor Gottes hohem Throne
mit aller Pracht des Himmels schmückt,
drum rufen wir dir noch bei deiner Ruh,
die halb gebrochnen Worte zu:
10. KOOR
Schlaft wohl, ihr seligen Gebeine,
schlaft wohl,
bis euch der Heiland wieder weckt.

Müßt ihr gleich die Verwesung sehen,
bleibt dennoch euer Ruhm bestehen,
den weder Staub noch Moder deckt.

G.Ph.Telemann: Concert voor trompet, 2 violen en basso continuo (TWV 51:D7)

Georg Philipp Telemann (1681–1767) was de gedroomde opvolger van de overleden Thomaskantor Johann Kuhnau. Hij had een grote naam in Leipzig waar hij van 1701 - 1704 rechten studeerde, fungeerde als organist van de Nieuwe Kerk en artistiek directeur van de opera, en het Collegium Musicum oprichtte, de voorloper van onze symfonieorkesten. Hij was binnen 2 maanden na Kuhnau's overlijden benoemd, maar bedankte drie maanden later, lang voordat Bach überhaupt had gesolliciteerd. Hij was goed bevriend met Bach en de peetvader van Carl Philipp Emanuel, en was ongetwijfeld bij de Bachs langs geweest in het kader van zijn sollicitatiebezoeken.
Van Telemann hoort u geen cantate - een concertprogramma vraagt afwisseling - maar een trompetconcert uit de vroege jaren ‘20. Een kleinschalig concert, naar het model van een kerksonate (4-delig: snel - langzaam - snel - langzaam) en waarschijnlijk het eerste trompetconcert ooit geschreven. Het concert werd tien jaar (!) geleden al bij De Swaen uitgevoerd, maar toen dachten we nog dat een natuurtrompet alleen met hulp-gaatjes, een twintigste eeuwse vinding, bespeeld kon worden. (De Swaen 27/2/2011)

G. Ph. Telemann: Großmächtiger Monarch der Britten (TWV 12:11)

Cantate aufs Geburtstagsfest der Königl. Brittanischen Majestät

Dat Georg Philipp Telemann (1681 – 1767), van 1721 tot zijn dood werkzaam als muziekdirecteur in Hamburg, in 1760 een verjaardagscantate schrijft voor de Britse koning George II kan verklaard worden uit het feit dat het Duitse keurvorstelijk huis van Hannover sinds 1714 (en tot en met Queen Victoria) de Britse koningstroon bezette. George II was op dat ogenblik verwikkeld in de Zevenjarige Oorlog (1756 - 1763) die overigens al in 1754 (in Amerika en India) was begonnen, maar pas in 1756 Europa bereikte en het karakter van een wereldoorlog verkreeg doordat zich allianties vormden die alle toenmalige wereldmachten omvatten: Engeland verbonden met Pruisen, Hannover, Portugal en anderen tegen o.m Frankrijk, Spanje, Sachsen en Oostenrijk, waarbij Rusland halverwege van partij wisselde en Nederland neutraal was.
De verjaardagscantate van de vrije stad Hamburg zou evenwel nooit worden uitgevoerd want George II overleed in dat jaar (op zijn toilet) vóór zijn verjaardag en werd opgevolgd door zijn kleinzoon George III, na diens verjaardag. Telemann heeft zijn cantate daarop van een nieuwe tekst voorzien (ter ere van Frederik de Grote van Pruisen) die echter nog slechter leesbaar was dan de eerste; onze uitvoering van deze cantate - die nooit is uitgegeven en waarvan ook geen opnamen bestaan - is dus gebaseerd op Telemanns eigen handschrift en is daarom, in tegenstelling tot de zogenaamde premières van Graupner die wij vorig jaar uitvoerden en die allemaal wèl een eerdere uitvoering in de 18e eeuw hebben gehad, een onvervalste wereldpremière.
De cantate is geschreven voor twee vocale solisten, bas en sopraan, en een orkest bestaand uit strijkers, continuo, twee traverso's, 2 trompetten en pauken. (De ‘klinkende' i.p.v. getransponeerde notatie van de koperblazers in de partituur verraadt dat de beoogde uitvoerenden Britten waren.)
Geholpen door trompetten en pauken geeft de bas in openingsaria (1) de gezwollen tekst een passende, ietwat bombastische vertolking. De koning heeft, blijkens recitatief (2) zijn tegenstanders onlangs een vredesaanbod (Oelzweig = olijftak) gedaan. (Würgethal = moorddal, Jeremia 19:7), uiteraard op een moment dat hij enkele overwinningen heeft geboekt: Georges hoche positie wordt door de sopraan met enkele coloraturen breed uitgemeten, in een krijgslustige, door twee traversi en strijkers begeleide da-capo aria (3). Onderwerpt u, vervolgt de sopraan in het secco recitatief (4), zo niet, dan mept de koning er opnieuw op los, in het algemeen belang. Gezamenlijk doen beide solisten in hun duet (5), gesteund door trompetten en pauken, een laatste oproep tot de verslagenen. De componist voorzag dit deel van het opschrift "gebietend", maar Telemanns liefde voor de Franse muziek dwingt hem nog wel te erkennen dat bij de overwonnenen manch herrlich Licht is. (De Swaen, 26/9/2010)

G. Ph. Telemann: Wo soll ich fliehen hin (TWV1:1724)

Telemanns solocantate voor bas nr 1724 werd geschreven voor een 22e zondag na Trinitatis waartoe ook Bachs cantate BWV 115 van vorige maand diende. Zij refereert dus aan dezelfde evangelietekst, de gelijkenis van de ondankbare slaaf (Knecht) die meedogenloos verhaal haalt bij een kleine schuldenaar hoewel hemzelf zojuist grote schulden waren geschonken. Ingebed tussen twee koraalverzen belichten twee recitatief/aria-paren respectievelijk de aanvaarding van Gods genade (Huld) en het verrichten van goede diensten jegens de naaste. (De Swaen, 24-25/11/2007)

G. Ph. Telemann: Gelobet sei Gott, der Herr Israel (TWV 1:604)

Voor Johannistag, de vaste feestdag van Johannes de Doper op 24 juni schreef Telemann herhaaldelijk cantates, vaak op dezelfde tekst. Van de lange maar gebrekkig overgeleverde cantate TWV 1:604 hoort u vandaag het eerste deel. Het behandelt uit de evangelietekst voor deze dag (Lucas 1: 57-80) slechts het centrale vers 68, uitgebreid feestelijk geïnstrumenteerd met trompetten, hobo, traverso, strijkers en continuo. Het koor lijkt, gesecondeerd door instrumenten, het tweede halfvers Denn er hat..... fugatisch aan te pakken maar echt vierstemmig wordt het niet: veelal gaan twee stemmen met elkaar in terts- of sext-parallellen. (De Swaen, 17-24/6/2007)

G. Ph. Telemann: Weiche, Lust und Fröhlichkeit (TWV 1:1536)

Telemanns passiecantate Weiche, Lust und Fröhlichkeit voor solo-sopraan heeft een opmerkelijke instrumentale bezetting: behalve continuo een concerterende en veeleisende altvioolpartij (wellicht ook voor gamba bedoeld) en unisono spelende violen, versterkt en dus gekleurd door een houtblazer, in onze uitvoering de traverso. De moderniteit van het stuk in de cantatetraditie blijkt uit het feit dat er slechts één tekstbron is: vrome 18e eeuwse madrigale poëzie, geen koralen of bijbelteksten. (De Swaen, 24-25/3/2007)

G. Ph. Telemann: Sollt ein christliches gemüthe (TWV 1:1373)

Georg Philipp Telemann (1681 – 1767) schreef de solocantate voor bas Sollt ein christliches gemüthe (TWV 1:1373) waarschijnlijk begin jaren ´20 in Hamburg ter gelegenheid van een Michaelisfeest (29 september). De tekst verwijst niet naar de evangelielezing voor deze dag dus is de cantate waarschijnlijk bedoeld voor ná de preek, of zelfs als communiemuziek gezien de verwijzingen naar Brot und Wein (1), teures Gnadenmahl (2) en dein Abendmahl (4). De cantate bestaat uit drie da-capo aria´s (snel - langzaam - snel), verbonden door twee secco recitatieven. De instrumentale begeleiding van de drie aria´s heeft obligate partijen voor achtereenvolgens een violetta (altviool) met in het octaaf verdubbelende traverso (1), hobo en unisono violen (3) en traverso, hobo en unisono strijkers (5). (De Swaen, 26-27/1/2008)

G. Ph. Telemann: Siehe, es hat überwunden der Löwe (TWV 1:1328, olim BWV 219)

G.Ph.Telemann (1681–1767) schreef zijn cantate Siehe, es hat überwunden der Löwe (TVWV 1:1328) waarschijnlijk in 1723 te Hamburg, voor het Michaëlisfeest van 29 september, een feest dat tegenwoordig nog wel - geseculariseerd - als oogstfeest wordt gevierd. Volgens de epistellezing van deze dag (Openbaringen 12:7-12) versloegen de engelen in de hemel, onder aanvoering van aartsengel Michael de draak van het kwaad, die met zijn kornuiten naar de aarde werd verdreven waar hij vervolgens, lang voor St. Joris, werd verslagen door Christus, de leeuw uit Juda (Openb. 5:5) waarvan het openingskoor, een koorfuga, spreekt. Ter viering van deze triomf zet Telemann uiteraard trompetten in. De Hochmuth in de delen 2 en 3 verwijst naar de evangelietekst (Mattheus 18:1-11, ‘wordt als de kinderen').
Als slotkoraal, met zelfstandige trompetpartijen, dienen de verzen 9 en 10 van het koraal O Gott, der du aus Herzensgrund, een koraal dat - opmerkelijk genoeg - op dezelfde melodie wordt gezongen als het koraal dat de basis vormt voor Bachs cantate van vandaag.
In de oude, negentiende eeuwse Bachausgabe figureerde dit stuk, met omstreden status, als BWV 219, een apocriefe Bachcantate. Oordeelt u zelf: kunt u zich moeiteloos voorstellen dat men hierin ooit Bach heeft gehoord? Of toch niet? (De Swaen,23-24/9/2006)

G. Ph. Telemann: Gott sei mir gnädig (TWV 1:681)

Georg Philipp Telemann (1681-1767), sinds 1721 cantor in Hamburg componeerde, verdeeld over vele jaargangen, bijna 2000 cantates. In 1756, inmiddels 75 jaar oud,  schreef hij voor de elfde zondag na Trinitatis de cantate Gott sei mir gnädig, beginnend met een tekst uit Psalm 51 en eindigend met vers 6 van Was Gott tut, das ist wohlgetan; het koraal wordt trouwens al in recitatief 5 geciteerd. Telemanns cantate ademt de luchtige en toegankelijke sfeer van het midden-achttiende eeuwse Rococo, dat de Bachse complexiteit ver achter zich heeft gelaten. (De Swaen 24-25/2/2007)

G. Ph. Telemann: Gottlob! Nun geht das Jahr zu Ende (TWV 1 : 671)

Georg Philipp Telemann (1681-1767) begon als rechtenstudent in Leipzig enkele cantates te schrijven, richtte er het Collegium Musicum op en besloot componist te worden. Hij leert J.S.Bach kennen, treedt in 1714 op als pleegvader van Bachs zoon Carl Philipp Emanuel maar werkt dan al sinds 1712 in Frankfurt. In 1721 wordt hij tenslotte muziekdirecteur in Hamburg. Telemann schrijft ongeveer 20 (twintig!) jaargangen cantates. De theoloog Erdmann Neumeister (1671-1756) dicht in 1714 voor Telemann een complete jaargang cantateteksten Geistliche Poesien mit untermischten Biblischen Sprüchen und Choralen auf alle Sonn- und Fest-Tage durchs gantze Jahr. Daaraan ontleent Telemann in 1721 (en Bach vier jaar later) de tekst van Gottlob! Nun geht das Jahr zu Ende, gepubliceerd onder zijn Frankfurter anagrammatische pseudonym MELANTE. Neumeister geldt wel als de uitvinder van de ‘gemengde cantate' waarin ook recitatieven en aria's voorkomen maar in feite propageerde de piëtistische Neumeister met zijn Geistliche Cantaten statt einer Kirchen-Music (1702) slechts deze gevoelsgeladen opera-genres in de plaats van de leerstellige bijbelteksten en koralen in de gebruikelijke kerkmuziek; pas later en schoorvoetend accepteerde hij de vermenging van al deze vormen. Vandaar dat vandaag beide cantates op zijn tekst met een aria beginnen.
Het valt op dat Telemann de twee koraalteksten in het libretto op identieke, sobere wijze slechts vierstemmig harmoniseert, met colla parte begeleidende instrumenten. Bach echter blaast het eerste koraal op tot muzikale hoofdschotel.(De Swaen, 30-31/12/2006)

G. Ph. Telemann: Grillen-Symphonie (TWV 50:1)

Telemanns concert in G-dur (TWV 50:1) past uitstekend in het jaarthema "exotische bezettingen". Wat dacht u van twee concerterende contrabassen, een traverso piccolo, een hobo en een diskant chalumeau? (Dit laatste instrument, voorloper van de klarinet, hoorde u vorig jaar al eens). Telemann zelf doopte dit concerto-grossoachtige stuk Grillen-Symphonie. De produktie van vreemde klanken (vogelgekwetter?) lijkt wel te prevaleren. Het tweede deel draagt het opschrift tändelnd, schelms; de blazers intervenieren slechts met plaagstootjes in het tedere muziekje van de strijkers. De inspiratie voor deel 3, een soort boerendans, deed Telemann op gedurende enkele leerjaren in het - thans Poolse - Silezië waar hij de "barbaarse schoonheid" van de volksmuziek ontdekte. (De Swaen 29-30/9/2007
omhoog