Violoncello piccolo


Van de violoncello piccolo is wel gedacht dat hij door Bach zelf was ontwikkeld. Allengs wordt duidelijk dat het instrument waarschijnlijk identiek is aan wat elders een viola pomposa werd genoemd. Zeker is dat het om een vijfsnarig instrument gaat dat behalve over de gebruikelijke vier snaren van de cello beschikt over een hoge e-snaar; Bach schrijft het voor in een tiental cantates en in de zesde cellosuite. Het houdt dus het midden c.q. vult het gat tussen de violoncello en de altviool, is kleiner dan de eerste en groter dan de tweede en daarmee doemt de vraag op of het tussen de benen (da gamba) of op de schouder (da spalla) wordt bespeeld. Waarschijnlijk kon dat allebei en hing het af van de techniek waaraan de bespeler gewend was.
Door zijn korter corpus klinkt de piccolo doordringender en minder sonoor dan de gewone cello, maar gezien zijn bereik (ambitus) kun je er ook gewone continuopartijen op spelen..