Het programma van De Swaen voor het
seizoen 2006/2007 heeft, naast het
hoofdthema ‘Koraalcantates van J.S. Bach' een neventhema: ‘Ouvertures
en suites in Franse stijl', van centraal-duitse componisten als
Graupner, Telemann, Schiefferdecker en ... J.S. Bach. Ter inleiding
daarop het volgende.
Parijs gold in de 17e en 18e eeuw als het Europees centrum van goede
smaak, waardoor ook de cultuur aan de Duitse vorstenhoven sterk Frans
was geörienteerd. Er werd vaak Frans gesproken, het Franse theater
en ballet waren bekend en geliefd, de tuin van het hof te Köthen
waar Bach van 1717-1723 werkte was in Franse stijl, symmetrisch en
rechtlijnig aangelegd en Franse instrumentale muziek, de taalvrije
cultuuruiting die het gemakkelijkst grenzen overschrijdt stond er in
hoog aanzien. Menige Duitse hofkapel werd in de 18e eeuw
gereorganiseerd naar Frans model. Lully (1632-1687), vanaf 1661
muziekchef aan het hof van Lodewijk XIV in Versailles geldt als vader
van de ‘Franse stijl'die door zijn opvolgers en leerlingen over heel
Europa werd verspreid. Bach (die i.t.t. bijvoorbeeld Telemann nooit
Frankrijk bezocht) moet al in zijn schooljaren te Lüneburg met de
elegante Franse stijl hebben kennisgemaakt via het naburige hof te
Celle. Hij kopieerde eigenhandig orgelwerk van Grigny en bestudeerde de
muziek van clavecimbelvirtuozen als Couperin en Marchand. Veel zal hij
later hebben opgestoken in zijn intensieve kontakten met de leden van
de Dresdense Hofkapel waar Franse musici (als Volumier, viool, en
Buffardin, fluit) leidinggevende posities hadden, vooral in de
blazerssectie. Beroemd werd de door het Dresdense hof georganiseerde
‘topontmoeting' (1717) van Bach met Marchand, die door Bach werd
gewonnen, omdat Marchand uiteindelijk niet kwam opdagen.
De invloed van het Franse muziekleven op Duitsland beperkte zich
uiteraard niet tot het spelen van Franse muziek, de import van Franse
musici of instrumenten (de traverso), het gebruik van de Franse taal
(Bachs Brandenburgse "
concerts pour
plusieurs instruments") of incidentele Franse aanduidingen van
instrumenten (
taille).
Fundamenteler is de import van bepaalde compositorische vormen en
stijlen. Zoals de wieg van de
sonate,
de
sinfonia en het
concerto in Italië stond, zo
stammen de
suite en de
ouverture uit Frankrijk. De
suite, een reeks dansen (
allemande,
courante,
sarabande,
gigue, etc) stond bijvoorbeeld
model voor Bachs Franse en Engelse suites voor clavecimbel maar ook
voor zijn vier orkestsuites.
Aan de barokke Duitse hoven gold begin 18e eeuw de
vermischte Geschmack ("
les gouts réunies") als
muzikaal ideaal: van componisten werd verwacht dat ze de verworvenheden
van de toonaangevende Franse en Italiaanse stijlen gretig zouden
opnemen, en met traditionele Duitse elementen zouden verwerken tot een
eclectische, authentiek Duitse stijl, een stilistische synthese die
tegelijk (en niet zonder cultureel chauvinisme) als universele muzikale
taal kon worden beschouwd omdat Fransen en Italianen dergelijke
vermengingen niet ondernamen. Zo werd deze
vermischte Stil de voorloper van
het classicisme dat aan het eind van de eeuw in Wenen door Haydn,
Mozart en Beethoven zou worden gevestigd.
Telemann gold in Duitsland als de grootmeester van de
vermischte Stil; hij wist als geen
ander Franse en Italiaanse verworvenheden tot tevredenheid van het
publiek in zijn werk te verenigen. De gezaghebbende theoreticus,
fluitist en leraar van Frederik de Grote in Berlijn, Quantz waardeerde
Telemanns ouvertures hoger dan die van Lully: de Fransen overtroefd in
hun eigen genre. Bach blijft hier, in de ogen van tijdgenoten maar ook
wel begrijpelijk, bij achter: hij assimileert minstens zoveel Franse en
Italiaanse elementen in zijn composities als Telemann maar vult die met
zoveel karakteristieke eigen stijl dat het resultaat toch altijd
onmiskenbaar ‘Bach' blijft. Bij Handel kunnen we daarentegen, naar
gelang de omgeving waarin hij verkeerde een Duitse, Italiaanse en
Engelse Handel onderscheiden.
Het heeft lang geduurd voor de Bach-bewonderaars konden accepteren dat
in Bachs werk nadrukkelijk Franse invloeden aanwezig zijn. De
herontdekking van Bachs werk in de negentiende eeuw werd krachtig
begunstigd door het opkomend Duitse nationalisme, Bach werd primair als
een Duits (en niet als een Europees of universeel) componist gezien, en
daarin paste niet dat hij zou zijn beïnvloed door de erfvijand
Frankrijk die nog onlangs onder Napoleon Duitsland onder de voet had
gelopen. Zelter, de Berlijnse dirigent en Bachs grote pleitbezorger in
het begin van de negentiende eeuw laat zijn francofobie de vrije loop
wanneer hij Bach beschouwt als ten prooi gevallen aan de ‘mode
van de dag' wanneer deze nu en dan naar Frans voorbeeld met allerlei
versieringen ‘opgedirkte' notenkoppen (
Frisuren,
plaatje 1)

schrijft, versieringen die Zelter afdoet als wuft schuim
en Franse frutsels die geschrapt behoren te worden om de ware Bach te
ontdekken. En natuurlijk werd de oude Bach ingepast in het romantisch
beeld van de onafhankelijke kunstenaar waarmee ook maar moeilijk
verenigbaar was dat een boven zijn tijdgenoten uittorenend genie
invloeden van mindere goden zou hebben ondergaan.
Nog in de jaren zeventig van de vorige eeuw, in de beginperiode van de
oude-muziekrenaissance, woedde in specialistische kringen een
hoogoplaaiende strijd over de uitvoeringspraktijk van Franse elementen
in Bachs muziek, waarin diverse serieuze Duitse musicologen de
kenmerken van de
stile francese
nog weigerden te aanvaarden.
Voor wie dat interessant vind leg ik deze controverse nog even uit,
maar u zou hier ook kunnen stoppen met lezen.
Het twistpunt betreft een duidelijk hoorbare kwestie: de uitvoering van
het "dubbel-gepunkteerde" ritme in de hoekdelen van een Franse
ouverture. Franse ouvertures, oorspronkelijk dienend als inleiding tot
balletmuziek, bestaan uit drie delen: een plechtig, pathetisch eerste
deel met een langzaam tempo en een ‘gepunkteerd' ritme (
grave), waarop men zich kan
voorstellen dat de koning binnenschrijdt, gevolgd door een levendig en
sneller, fugatisch middendeel, waarna het plechtige begin wordt
herhaald (A-B-A).
‘Gepuncteerd' noemen wij het ritme van de eerste vier woorden van
klap eens in je handjes: lang-kort
/ lang-kort (hier gevolgd door lang lang). In de muziek wordt zo'n

lang-kort ritme genoteerd als twee achtste noten (of twee zestienden of
twee kwart noten, dat doet er niet toe, als ze maar gelijkwaardig zijn)
waarvan de eerste met de helft wordt verlengd (genoteerd: een puntje er
achter) en de tweede met de helft verkort (genoteerd: een vlaggetje aan
de stok van de noot), zie plaatje 2. Vandaar dus: een "gepunkteerd",
van een puntje voorzien
ritme, lang-kort. In de Franse zeventiende eeuw placht zo'n ritme vaak
‘overdreven' te worden uitgevoerd: de lange noot nóg langer, en
de korte zo kort mogelijk: klap eens-in je-hand jes. Wij noteren dat
tegenwoordig met een extra puntje en een vlaggetje erbij,
dubbel-gepunkteerd (plaatje 3), maar die notatie kende

men destijds nog
niet, het was een kwestie van weten-hoe-het hoort. En vandaar dus de
problemen. Je kunt nu alleen in sommige tractaten nog lezen dat de
tweede noot zo laat mogelijk, vlak voor de tel van de erop volgende
lange noot moet worden gespeeld maar er blijft natuurlijk altijd
discussie mogelijk over de vraag voor welke muziek en in welke streken
die aanwijzing geldigheid had. In die diskussie bleek de Duitse
francofobie dus nog onlangs een belangrijke rol te spelen. De
aanwijzing "zo laat en zo snel mogelijk" geldt trouwens ook de
‘vuurpijlen' (
tirata), een
reeks hele snelle nootjes die naar een volgende lange
noot leiden (plaatje 4): niet ritmisch maar zo snel en kort mogelijk.

Deze diskussie kreeg nog een welhaast tragi-komische wending toen
Frederick Neumann (Duitsland) Bach ook nog, in één
moeite, van een veronderstelde Italiaanse invloed meende te kunnen
ontdoen. In het D
OMINE D
EUS van zijn H
OHE
M
ESSE schrijft Bach een
fluitsolo met lange reeksen zestienden, twee aan twee gebonden (een
boogje erover); de kwestie komt
elders
op mijn
site aan
de orde. In de eerste maten van de fluitpartij geeft hij echter, met
een vlaggetje aan de eerste en een punt achter de tweede noot aan dat
hij deze ‘omgekeerd gepunkteerd', kort-lang wil hebben uitgevoerd, het
zogenoemde Lombardisch (= Italiaans) ritme dat destijds in Dresden erg
in de mode was

(plaatje 5). Neumann bestrijdt dat. Volgens
hem vreesde
Bach juist dat zijn allemaal-gelijke zestienden in Dresden (de
bestemming van deze compositie) door de aldaar werkzame Franse fluitist
Buffardin
a la manière
française zouden worden
uitgevoerd,
inégale
oftewel gepuncteerd en om dat te voorkomen
zou hij de omgekeerde punctering hebben aangegeven!