|
|
|
|
|
|
Het Luthers kerkelijk jaarIn de Lutherse liturgische kalender (die daarin niet afwijkt van de voormalige Rooms-Katholieke3)) dragen de zondagen voor en na Pasen Latijnse namen die zijn afgeleid van de eerste woorden van de voorgeschreven introïtustekst van de dag. |
|||||
| zondag voor
Pasen |
genaamd |
ook wel |
Introïtustekst |
||
| 9e (2e-7e na Epifanie) |
Circumdederunt | Septuagesima1) | (Ps 18:5)
Circumdederunt me
gemitus mortis / Banden des doods omvingen mij.
|
||
| 8e | Exsurge | Sexagesima1) | (Ps 44:24) Exsurge,
quare
obdormis, Domine / Wordt wakker, waarom slaapt gij,
Heer.
|
||
| 7e |
Estomihi |
Quinquagesima1) `carnavalszondag` |
(Ps 31:3) Esto
mihi in Deum
protectorem / Wees mijn beschermer.
|
||
| 6e |
Invocabit2) | Quadragesima1) 1e vastenzondag |
(Ps
91:15) Invocabit
me / Als hij mij roept
|
||
| 5e |
Reminiscere2) | 2e vastenzondag | (Ps 25:6) Reminiscere miserationum tuarum /
Gedenk uw barmhartigheid
|
||
| 4e |
Oculi |
3e vastenzondag | (Ps 25:15) Oculi mei semper ad Dominum / Mijn
ogen zijn gericht op de Heer
|
||
| 3e |
Laetare2) | 4e vastenzondag | (Jes 66:10) Laetare, Jerusalem / Verheugt u,
Jeruzalem
|
||
| 2e |
Judica2) | 5e vastenzondag | (Ps 43:1) Judica me, Deus / Doe mij recht, God
|
||
| 1e |
Palmarum | 6e vastenzondag | |||
| PASEN <22/3 - 25/4> |
|||||
| 1e |
Quasimodogeniti | Witte Zondag | (1. Petr 2:2) Quasi modo geniti infantes / Als
pasgeboren kinderen...
|
||
| 2e |
Misericordias Domini | (Ps. 89:2) Misericordias Domini in aeternum
cantabo /
Van de genade van de Heer zal ik steeds zingen
|
|||
| 3e |
Jubilate | (Ps. 66:1) Jubilate Deo
omnes terra / Looft God, ganse aarde.
|
|||
| 4e |
Cantate | (Ps 98:1) Cantate Domino canticum novum /
Zingt de Heer een nieuw lied
|
|||
| 5e |
Rogate | Bidt! (Ps
66:20) Benedictus Deus qui non
abstulit orationem
meam / Geprezen zij God die mijn gebed heeft verhoord. |
|||
| Hemelvaart |
|||||
| 6e |
Exaudi |
(Ps. 27:7) Exaudi,
Domine, vocem meam / Hoor, Heer, mijn stem
|
|||
| PINKSTEREN <10/5 - 13/6> |
|||||
| TRINITATIS |
|||||
| 1) De
zesde tot
negende zondag voor
Pasen luisteren ook naar de namen Quadragesima,
Quinquagesima, Sexagesima
en Septuagesima wat
achtereenvolgens
betekent de 40ste, 50ste, 60ste en 70ste. Hoezo: tien dagen per week?
De verklaring ligt in het begrip ‘veertigdagentijd' als synoniem voor
de vastentijd. De periode tussen Aswoensdag en Pasen beslaat weliswaar
46 dagen, maar na aftrek van de zes tussenliggende zondagen waarop niet
wordt gevast resten er precies veertig werk- c.q. vastendagen. Zondag Quadragesima, ‘de veertigste' is
dus de eerste zondag in die veertig-dagenperiode; de aan Quadragesima voorafgaande drie
zondagen kregen ooit in de geschiedenis gemakshalve de namen van de
opvolgende tientallen. (Het Tweede Vaticaans Concilie van de
Rooms-Katholieke kerk, 1962 - 1965, schafte deze drie
voor-vastenzondagen af.) 2) Vier vastenzondagen komen in Bachs cantatelijst niet voor omdat de vastentijd in Leipzig ook muzikale tempus clausum was; alleen voor Oculi en Palmzondag componeerde hij in Weimar cantates. 3) Met een kalenderhervorming verving Paus Gregorius XIII in 1582 de tot dan toe geldende, op Julius Caesar teruggaande Juliaanse kalender; om de cumulatieve effekten daarvan ongedaan te maken gingen tien dagen verloren (4 oktober 1582 werd gevolgd door 15 oktober). Deze kalenderhervorming werd met name in de protestantse gebieden slechts met grote vertraging gevolgd. In Bachs Thüringen en Sachsen pas in 1700, maar ook toen werd de nieuwe berekeningswijze van de Paasdatum nog niet overgenomen. Dat leidde ertoe dat nog in 1724 Pasen in Leipzig - astronomisch correct - werd gevierd op 9 april terwijl dat elders overwegend op 16 april gebeurde. Ook alle aan de Paasdatum geliëerde zondagen in 1724 (tot en met de laatste na Trinitatis!) vallen dus één week vroeger dan de huidige, moderne "eeuwige kalenders" aangeven. Ook in 1744 verschilden de astronomisch en de kerkelijk-gregoriaans berekende Pasen nog eens een week. Om een dreigende herhaling van dit regelmatig terugkerend ongemak in 1778 en '98 te voorkomen besloot de Duitse Rijksdag in 1775 de gregoriaanse berekeningswijze algemeen geldend te verklaren. Deze regel volgt sindsdien de gehele christenheid buiten de Oosterse-Orthodoxie. (artikel Joseph Bach, 1907) |
|||||