swaentje Barokensemble De Swaen.




Het raadsel van BWV 107

(gepubliceerd in Nieuwsbrief De Swaen, juni 2008)

Traditiegetrouw bevat De Swaens Nieuwsbrief een puzzel die ik u ditmaal mag opdienen naar aanleiding van de cantate waarmee wij dit seizoen gaan besluiten: cantate 107.
Bach schrijft zijn BWV 107 voor en voert deze uit op 23 juli 1724, de zevende zondag na Trinitatis. Hij is dan dus ruim één jaar Thomaskantor in Leipzig en heeft zich gehouden aan zijn voornemen om de cantate die hij elke zondag geacht wordt uit te voeren ook zelf te componeren. Hij begon daarmee in de week dat hij aantrad, voor de eerste zondag na Trinitatis 1723 en met Trinitatis 1724 heeft hij dus een volledige zelf gecomponeerde jaargang cantates op de plank liggen. Hij stelt zich niet voor die terstond te gaan herhalen, het was in zijn beroepsomgeving niet ongebruikelijk om wekelijks een nieuwe cantate te componeren, maar hij besluit zijn tweede jaargang een grotere eenheid en samenhang te geven door uitsluitend koraalcantates te componeren. Het principe van een koraalcantate heb ik al vaker uitgelegd. Bach kiest een kerklied dat verbonden is met de betreffende zondag van het kerkelijk jaar. Zijn tekstdichter laat het eerste en laatste couplet daarvan intact en bewerkt de tussenliggende verzen tot teksten voor aria's en recitatieven. Bach componeert op het eerste couplet een koraalfantasie als openingskoor waarin meestal de sopranen in lange noten, als cantus firmus, de koraalmelodie zingen, en het laatste couplet wordt een eenvoudig vierstemmig geharmoniseerd slotkoraal voor alle uitvoerenden.
Zoals bekend komt dit projekt in het voorjaar 1725, waarschijnlijk door het plotseling overlijden van Bachs vermoedelijke tekstdichter Andreas Stübel tot een abrupt einde. Bach heeft dan koraalcantates gecomponeerd voor 44 van de 65 zon- en feestdagen en moet zich, globaal van Pasen tot Pinksteren, tevreden stellen met ‘gewone' cantates, o.m. die op teksten van Mariane von Ziegler. Het projekt laat hem evenwel niet los en in latere jaren componeert hij alsnog een aantal koraalcantates voor ontbrekende zondagen, zoals de BWV-nummers 177, 137, 112, 80, 140 etc. Deze voldoen echter niet - ook Bach zal dat hebben betreurd - aan de hierboven gegeven ‘strenge' en moderne omschrijving van het begrip koraalcantate: er komt überhaupt geen tekstschrijver aan te pas want Bach valt terug op een in zijn tijd al lang verouderd procédé waarbij de koraalstrofen ongewijzigd tot tekst dienen voor koren en solostukken, het zogeheten per-omnes-versus-type. Volgens dat procédé had Bach zelf bijvoorbeeld in 1707 zijn oudst bewaard gebleven cantate 4, de Paascantate Christ lag in Todesbanden gecomponeerd, een jeugdwerk dat hij van lieverlee met Pasen 1725 uit de kast haalt toen hem zijn tekstdichter was ontvallen.
Tot zover lijkt alles helder en begrijpelijk, maar er zijn toch enkele intrigerende anomalieën, waarvan  BWV 107 er één is. Terwijl Bachs koraalcantateproject inmiddels een week of zes draait en zijn librettist hem nog zeker 30 weken ononderbroken zal voorzien van teksten volgens de bovengeschetste formule is er op 23 juli ineens een cantate van het oude per-omnes-versus-type, dus op rechtstreeks aan de gezangenbundel ontleende tekst. En BWV 107 is (a) niet één van die later toegevoegde koraalcantates want aan het handschrift van de studenten die de partijen kopieerden waarover wij thans nog beschikken is onomstotelijk af te lezen dat de cantate in 1724 is uitgevoerd. Ook is het op stilistische gronden uitgesloten (b) dat we hier van doen hebben met een jeugdwerk zoals de genoemde BWV 4.
Waarom schrijft Bach hier, op dit moment een cantate van het achterhaalde per-omnes-versus-type? Daarover is druk gespeculeerd. (c) Was zijn tekstdichter - die later plotseling zal overlijden - misschien een keer ziek? Dat kan geen reden zijn; hij behoefde immers niet wekelijks een tekst aan te leveren maar deed dat in groepjes die tezamen een tijdje tevoren naar de drukker moesten om tijdig in tekstboekjes voor een week of zes tegelijk ter beschikking van de kerkgangers te kunnen komen.
Ik vind dat er goede redenen zijn om een verband te veronderstellen met een ander incident in de koraalcantatejaargang. Daarin ontbreekt aanvankelijk namelijk wel een cantate voor één week eerder, de zesde zondag na Trinitatis, 16 juli. Voor deze zondag componeert Bach ergens tussen 1732 en ‘35 alsnog een cantate, BWV 9 en het verbazingwekkende is dat hij daarbij blijkt te kunnen beschikken over een tekst van zijn eigen, zelfbedachte moderne koraalcantatetype, met tot recitatieven en aria's ge-herdichte binnencoupletten, precies zoals zijn librettist van 1724/25, laten we hem Andreas Stübel noemen, het bijna een jaar lang deed. Algemeen wordt aangenomen dat deze tekst inderdaad reeds in 1724 door Bachs tekstdichter is geschreven maar dat Bach geen gelegenheid had er een cantate op te componeren omdat hij rond 16 juli niet in Leipzig was wegens een concert met Anna Magdalena in Köthen, aan het hof van zijn zo hooggeschatte voormalige werkgever Leopold von Anhalt-Köthen, zoals blijkt uit een uitbetaling aan Bach op (dinsdag) 18 juli 1724 volgens het Köthense kasboek.
Ik vind dat argument niet geheel overtuigend. Als Bach op dinsdag-betaaldag uit Köthen vertrekt heeft hij waarschijnlijk in het weekend van de 16e geconcerteerd en is hij bijvoorbeeld vrijdag de 14e gearriveerd. Dat zou hem zeker hebben gehinderd om op de 16e de Thomaner te dirigeren maar dat konden ook anderen. Het zou hem met name niet hebben gehinderd om voor de 16e te componeren, dat had sowieso vóór zijn vertrekdatum 14/7 moeten gebeuren, maar het bezoek aan Köthen zou hem wel hebben gehinderd in het tijdig componeren voor de 23e.
Kort samengevat is de situatie dus: voor de 16e heeft Bach een geschikte tekst maar niets gecomponeerd, voor de 23e heeft hij geen tekst (van het geschikte type) maar wel iets gecomponeerd. Definitief uitsluitsel zouden we natuurlijk kunnen vinden in de aan de kerkgangers ter beschikking gestelde tekstboekjes. Wat stond daar in? Helaas beschikken we wel over sommige maar juist niet over déze tekstboekjes.
Je kunt je voorstellen dat Bach enige tijd tevoren, overwegende dat hij rond 16 juli in Köthen zal zijn aan zijn tekstdichter zegt `je kunt de ...de zondag na Trinitatis wel overslaan want daarvoor kan ik toch niet componeren` waarbij hij zich vergist (zegt "zevende", bedoelt "zesde") maar zo'n vergissing zou toch tijdig, uiterlijk bij het ter perse gaan van de tekstboekjes zijn ontdekt; Bach was trouwens, blijkens het tien jaar bewaren van de tekst voor BWV 9, zo vastbesloten een volledige koraalcantatejaargang te produceren dat hij zich niet willens en wetens door incidentele omstandigheden een tekst voor de zevende zondag na Trinitatis zal hebben laten ontgaan. Er zal dus waarschijnlijk een gewone, herdichte tekst voor BWV 107 hebben bestaan die ook is afgedrukt in de tekstboekjes, wellicht zelfs een bewerking van hetzelfde koraal Was willst du dich betrüben waarvan Bach uiteindelijk de ongewijzigde coupletten toonzet in BWV 107.
Op zichzelf kun je je ook voorstellen dat Bach van plan was zijn vrije tijd in Köthen te gebruiken om een cantate voor de 23e te componeren maar bij aankomst in Köthen de tekst blijkt te hebben vergeten mee te nemen. Het onbevredigende van zo´n verklaring (en daar zijn er veel van te bedenken) is dat er slechts één van de twee anomalieën mee wordt verklaard: niet - in dit geval - waarom hij niks op de beschikbare tekst voor de 16e heeft gecomponeerd. Mijn intuïtie zegt mij dat deze twee direct opeenvolgende anomalieën in een verder vlekkeloos uniforme reeks van 44 koraalcantates door één sluitend verhaal moeten worden verklaard.
Goede oplossers wacht eeuwige roem.

Eduard van Hengel
Terug naar homepage van De Swaen
 of van Eduard van Hengel

Kees van Houten: de Köthense afspraak werd plotseling een week vervroegd, van 23 naar 16 juli
1. Bach was aanvankelijk in Köthen uitgenodigd voor het weekend van 23 juli.
Dus geeft hij aan Stübel door dat deze voor die zondag geen tekst  hoeft te maken.
Maar Stübel schrijft wel gewoon een tekst voor 16 juli. Deze wordt afgedrukt.
2. Plotseling krijgt Bach te horen dat zijn bezoek aan Köthen een week eerder moet/zal
plaatsvinden. De tekst van Stübel is reeds klaar, maar Bach laat deze tekst voor wat die is en geeft aan
zijn vervanger de opdracht iets anders uit te voeren. De tekst is er echter wel en deze kan Bach later
nog een keer benutten in een koraal-cantate.
3. Maar.... er was nu geen tekst voor 23 juli! Dus 'behelpt' Bach zich met een cantate 'per omnes versus'.... BWV 107!!

E. Deze 'verklaring' is onbevredigend. Niet alleen omdat hij de ene toevalligheid verklaart met een nieuwe toevalligheid. Behoud van ellende.
Maar vooral omdat hij niet verklaart. Als Bach verwachtte 23/8 in Köthen te zijn was dat geen reden geweest om Stübel vrijaf te geven, Bach had voor die datum immers best kunnen componeren, alleen niet dirigeren. En als Bach - naar gewoonte reeds weken tevoren - over een tekst voor 16/9 beschikt: wat zou hem verhinderd hebben daarvoor te componeren?
Het enige argument ten gunste van een onverwachte 'vervroeging' zou je kunnen vinden in de veronderstelling dat Bach was uitgenodigd niet voor een specifieke datum maar voor de "zesde Zondag na Trinitatis". Door gehannes over de paasdatum was Pasen (en Trinitatis en alles wat daarop volgde) in het Lutherse Sachsen in 1724 nog een week eerder (9 ipv 16 april) dan in de rest van Europa.


niet gepublicerd:

NB 4nT viel samen met Maria Bezoek, St"bel heeft daarvoor (zo blijkt bij BWV 177 in 1732) geen tekst gemaakt, er waren dus gedetailleerde afspraken, meer gericht op praktijk dan op de volledige cyclus