Cantate Herr, gehe nicht ins Gericht (BWV 105)

1. KOOR
"Herr, gehe nicht ins Gericht mit deinem Knecht. Denn vor dir wird kein Lebendiger gerecht."

Heer, daag uw knecht niet voor het gerecht,
want voor u is geen levende rechtvaardig.
(Psalm 143:2)
2. RECITATIEF (A)
Mein Gott, verwirf mich nicht,
Indem ich mich in Demut vor dir beuge,
Von deinem Angesicht.
Ich weiß, wie groß dein Zorn und mein Verbrechen ist,
Daß du zugleich ein schneller Zeuge
Und ein gerechter Richter bist.
Ich lege dir ein frei Bekenntnis dar
Und stürze mich nicht in Gefahr,
Die Fehler meiner Seelen
Zu leugnen, zu verhehlen!


Mijn God, verwerp mij niet,
terwijl ik mij in ootmoed voor u buig,
van uw aangezicht.
Ik weet hoe groot uw toorn is en mijn schuld,
dat u zowel snel aanklaagt
als een rechtvaardige rechter bent.
Ik leg voor u een eerlijke bekentenis af
en stort mij niet in het gevaar
de gebreken van mijn ziel
te loochenen, te verhelen.
3. ARIA (S)
Wie zittern und wanken
Der Sünder Gedanken,
Indem sie sich untereinander verklagen
Und wiederum sich zu entschuldigen wagen.
So wird ein geängstigt Gewissen
Durch eigene Folter zerrissen.


Hoe sidderen en wankelen
de gedachten van de zondaar,
terwijl ze elkaar onderling aanklagen
en opnieuw het wagen zichzelf te rechtvaardigen.
Zo wordt een angstig geweten
door eigen foltering verscheurd.
4. RECITATIEF (B)
Wohl aber dem, der seinen Bürgen weiß,
Der alle Schuld ersetzet,
So wird die Handschrift ausgetan,
Wenn Jesus sie mit Blute netzet.
Er heftet sie ans Kreuze selber an,
Er wird von deinen Gütern, Leib und Leben,
Wenn deine Sterbestunde schlägt,
Dem Vater selbst die Rechnung übergeben.
So mag man deinen Leib,
den man zum Grabe trägt,
Mit Sand und Staub beschütten,
Dein Heiland öffnet dir die ewgen Hütten.


Maar gelukkig is degene die weet wie de borg is
die al zijn schuld betaalt.
De schuldbekentenis wordt uitgewist
als Jezus haar met bloed besprenkelt.
Hij nagelt haar zelf aan het kruis,
hij zal zelf van je bezit, je lichaam en je leven,
als je stervensuur slaat,
voor de Vader verantwoording afleggen.
Men mag dan je lichaam, dat men ten grave draagt,
met zand en stof bedekken,
je Heiland stelt de eeuwige woning voor je open
5. ARIA (T)
Kann ich nur Jesum mir zum Freunde machen,
So gilt der Mammon nichts bei mir.
   Ich finde kein Vergnügen hier
   Bei dieser eitlen Welt und irdschen Sachen.


Als ik maar Jezus tot mijn vriend kan maken,
dan betekent Mammon niets voor mij.
Ik vind geen vreugde hier,
bij deze onbeduidende wereld en aardse zaken.
6. KORAAL
Nun, ich weiß, du wirst mir stillen
Mein Gewissen, das mich plagt.
Es wird deine Treu erfüllen,
Was du selber hast gesagt:
Daß auf dieser weiten Erden
Keiner soll verloren werden,
Sondern ewig leben soll,
Wenn er nur ist Glaubens voll.

Nu, weet ik, zult u rust geven
aan mijn geweten, dat mij plaagt.
Uw trouw zal verwezenlijken
wat u zelf hebt gezegd:
dat op deze wijde wereld
niemand verloren zal gaan,
maar eeuwig zal leven
als hij maar vol geloof is.



(Nederlandse vertaling: Alice Bij de Vaate)