Cantate Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben! (BWV 109)


1    Koor

“Ich glaube, lieber Herr, hilf meinem Unglauben!”
“Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp!” (Marcus 9:24)

2    Recitatief (tenor)

Des Herren Hand ist ja noch nicht verkürzt;
mir kann geholfen werden.
Ach nein! Ich sinke schon zu Erden
vor Sorge, dass sie mich zu Boden stürzt.
Der Höchste will, sein Vaterherze bricht.
Ach nein! Er hört die Sünder nicht.
Er wird, er muss dir bald zu helfen eilen,
um deine Not zu heilen.
Ach nein! Es bleibet mir um Trost sehr bange,
ach Herr, wie lange?
De hand des Heren is immers nog niet te kort;
er is nog redding voor mij.
Ach nee!  Ik val reeds neer
uit angst dat die hand mij ter aarde werpt.
De Allerhoogste wil het, Zijn vaderhart breekt.
Ach nee! Hij hoort de zondaren niet.
Hij zal, hij moet u spoedig te hulp snellen
om uw nood te lenigen.
Ach nee! Hoe lang zal ik op troost moeten wachten,
ach Heer, hoe lang?

3    Aria (tenor)

Wie zweifelhaftig ist mein Hoffen,
wie wanket mein geängstigt Herz!
Des Glaubens Docht glimmt kaum hervor,
es bricht dies fast zerstossne Rohr,
die Furcht macht stetig neuen Schmerz.
Hoe zeer is mijn hopen van twijfel vervuld,
hoe wankelt mijn benauwde hart!
Het kaarsje van mijn geloof brandt nauwelijks meer,
dit bijna al geknakte riet breekt,
de angst brengt onafgebroken nieuwe smart teweeg.

4    Recitatief (alt)

O fasse dich, du zweifelhafter Mut,
weil Jesus itzt noch Wunder tut!
Die Glaubensaugen werden schauen
das Heil des Herrn;
scheint die Erfüllung allzufern,
so kannst du doch auf die Verheissung bauen.
O, kom toch tot bedaren, twijfelend gemoed,
omdat Jezus ook nu nog wonderen doet!
De ogen van de gelovige zullen aanschouwen
het heil van de Heer;
ook al schijnt de vervulling te ver verwijderd,
toch kun je op de belofte vertrouwen.

5    Aria (alt)

Der Heiland kennet ja die Seinen
wenn ihre Hoffnung hülflos liegt.
Wenn Fleisch und Geist in ihnen streiten,
so steht er ihnen selbst zur Seiten,
damit zuletzt der Glaube siegt.
De Heiland kent immers de Zijnen
wanneer hun hoop de bodem ingeslagen is.
Wanneer vlees en geest in hen met elkaar strijden,
staat Hij hen zelf terzijde,
opdat tenslotte het geloof overwint.

6    Koraal

Wer hofft in Gott und dem vertraut,
der wird nimmer zu Schanden;
denn wer auf diesen Felsen baut,
ob ihm gleich geht zu Handen
viel Unfalls hie, hab ich doch nie
den Menschen sehen fallen,
der sich verlässt auf Gottes Trost;
er hilft sein’ Gläubgen allen.
Wie op God hoopt en op hem vertrouwt,
die gaat nooit te gronde;
want de mens die op deze rots bouwt,
hoewel hem hier
veel rampspoed overkomt,
heb ik toch nooit zien vallen,
wanneer hij zich op Gods troost verlaat;
Hij komt al Zijn gelovigen te hulp.

(Nederlandse vertaling: Henk Pijlman)