Cantate Ich freue mich in dir (BWV 133)

1. KOOR
Ich freue mich in dir
Und heiße dich willkommen,
Mein liebes Jesulein!
Du hast dir vorgenommen,
Mein Brüderlein zu sein.
Ach, wie ein süßer Ton!
Wie freundlich sieht er aus,
Der große Gottessohn!

Ik ben blij met u
en heet u welkom,
mijn dierbare kleine Jezus!
U hebt zich voorgenomen
mijn broertje te zijn.
Ach, wat een zoete klank!
Wat ziet hij er vriendelijk uit,
die grote zoon van God!

2. ARIA (A)
Getrost! es faßt ein heilger Leib
Des Höchsten unbegreiflichs Wesen.
    Ich habe Gott - wie wohl ist mir geschehen!
    Von Angesicht zu Angesicht gesehen.
    Ach! meine Seele muß genesen.

Wees welgemoed! Een heilig lichaam
neemt het onbegrijpelijke wezen van de Hoogste aan.
Ik heb God  - wat een weldaad is mij bewezen! -
van aangezicht tot aangezicht gezien.
Ach, mijn ziel moet genezen.

3. RECITATIEF (T)
Ein Adam mag sich voller Schrecken
Vor Gottes Angesicht
Im Paradies verstecken!
Der allerhöchste Gott
kehrt selber bei uns ein:

Und so entsetzet sich mein Herze nicht;
Es kennet sein erbarmendes Gemüte.
Aus unermeßner Güte
Wird er ein kleines Kind
Und heißt mein Jesulein.

Een Adam kan zich wel vol angst
voor Gods aangezicht
in het paradijs verstoppen.
De allerhoogste God
neemt zelf zijn intrek bij ons:
en daarom is mijn hart niet ontsteld;
het kent zijn ontfermende gemoed.
Vanuit een onmetelijke goedheid
wordt hij een klein kind
en dat heet mijn kleine Jezus.

4. ARIA (S)
Wie lieblich klingt es in den Ohren,
Dies Wort: mein Jesus ist geboren,
Wie dringt es in das Herz hinein!
   Wer Jesu Namen nicht versteht
   Und wem es nicht durchs Herze geht,
   Der muß ein harter Felsen sein.

Hoe liefelijk klinkt dit woord in onze oren:
mijn Jezus is geboren.
Hoe dringt dat ons hart binnen!
Degene die de naam van Jezus niet verstaat
en wiens hart onberoerd blijft,
die moet wel een harde rots zijn.

5. RECITATIEF (B)
Wohlan, des Todes Furcht und Schmerz
Erwägt nicht mein getröstet Herz.
Will er vom Himmel sich
Bis zu der Erde lenken,
So wird er auch an mich
In meiner Gruft gedenken.
Wer Jesum recht erkennt,
Der stirbt nicht, wenn er stirbt,
Sobald er Jesum nennt.

Komaan, mijn kalme hart piekert niet over
de angst en de pijn van de dood.
Als hij vanuit de hemel
naar de aarde wil afdalen,
dan zal hij ook denken
aan mij in mijn graf.
Wie zich werkelijk van Jezus bewust is,
die sterft niet als hij sterft
zodra hij Jezus noemt.
6. KORAAL
Wohlan, so will ich mich
An dich, o Jesu, halten,
Und sollte gleich die Welt
In tausend Stücken spalten.
O Jesu, dir, nur dir,
Dir leb ich ganz allein;
Auf dich, allein auf dich,
Mein Jesu, schlaf ich ein.

Komaan, ik wil mij
aan u, o Jezus, vasthouden,
ook al zou de wereld
in duizend stukken uiteenvallen.
O Jezus, voor u, alleen voor u,
uitsluitend voor u leef ik;
op u, uitsluitend op u,
mijn Jezus, slaap ik in.



(Nederlandse vertaling: Ria van Hengel