Cantate Warum betrübst du dich, mein Herz? (BWV 138)


1    Koraal en recitatief (alt)


Warum betrübst du dich, mein Herz,
bekümmerst dich und trägest Schmerz
nur um das zeitliche Gut?

   alt:
   Ach! ich bin arm,
   mich drücken schwere Sorgen.
   Vom Abend bis zum Morgen
   währt meine liebe Not.
   Dass Gott erbarm!
   Wer wird mich noch erlösen
   vom Leibe dieser bösen
   und argen Welt?
   wie elend ists um mich bestellt!
   Ach! wär ich doch nur tot!

Vertrau du deinem Herren Gott,
der alle Ding erschaffen hat.
Waarom treur je, mijn hart,
maak je je zorgen en heb je alleen maar verdriet
over je aardse bezit?



   Ach, ik ben arm,
   zware zorgen kwellen mij.
   Van de avond tot aan de morgen
   duurt mijn alles beheersende nood.
   Moge God erbarmen hebben!
   Wie zal mij nog verlossen
   van het leven in deze boze
   en verdorven wereld?
   Hoe miserabel is het met mij gesteld!
   Ach! was ik maar dood!

Vertrouw maar op je God de Heer,
die alle dingen geschapen heeft.


2    Recitatief (bas)

Ich bin veracht’,
der Herr hat mich zum Leiden
am Tage seines Zorns gemacht;
der Vorrat, Haus zu halten, ist ziemlich klein;
man schenkt mir vor den Wein der Freuden
den bittern Kelch der Tränen ein.
Wie kann ich nun mein Amt mit Ruh verwalten,
wenn Seufzer meine Speise und Tränen
das Getränke sein?
Ik ben veracht,
de Heer heeft mij op de dag van Zijn toorn
geschapen om te lijden;
de voorraad in mijn provisiekast is tamelijk klein;
men schenkt mij in plaats van de wijn der vreugde
een bittere kelk met tranen in.
Hoe kan ik nu mijn taak in rust uitvoeren,
wanneer zuchten mijn spijs en tranen
mijn drank zijn?
3.   Koor

Er kann und will dich lassen nicht,
er weiss gar wohl, was dir gebricht,
Himmel und Erd ist sein!


   sopraan:
   Ach, wie?
   Gott sorget freilich vor das Vieh,
   er gibt den Vögeln seine Speise,
   er sättiget die jungen Raben,
   nur ich, ich weiss nicht auf was Weise
   ich armes Kind
   mein bisschen Brot soll haben;
   wo ist jemand, der sich zu meiner Rettung findt?
Dein Vater und dein Herre Gott,
der dir beisteht in aller Not.


   alt:
   Ich bin verlassen, es scheint,
   als wollte mich auch Gott bei meiner Armut hassen,
   da er’s doch immer gut mit mir gemeint.
   Ach Sorgen,
   ach werdet ihr denn alle Morgen
   und alle Tage wieder neu?
   So klag ich immerfort:
   Ach! Armut! hartes Wort,
   wer steht mir denn in meinem Kummer bei?

Dein Vater und dein Herre Gott,
der steht dir bei in aller Not.
Hij kan en wil je niet laten gaan,
Hij weet heel goed, wat je ontbreekt,
hemel en aarde zijn van Hem!



   Ach, hoe dan?
   God zorgt weliswaar voor het vee,
   Hij geeft de vogels Zijn spijs,
   Hij verzadigt de jonge raven,
   maar ik, ik weet niet, op welke manier
   ik, arm kind
   mijn karig stukje brood moet krijgen;
   waar vind ik iemand die mij kan redden?
Je vader en je God de Heer,
die je bijstaat in al je nood.



   Ik ben verlaten, het schijnt
   alsof ook God mij wil haten terwijl ik al zo arm ben,
   terwijl Hij toch altijd het goede met mij voorhad.
   Ach zorgen,
   ach, zullen jullie dan elke morgen
   en alle dagen weer opnieuw komen?
   Zo klaag ik onafgebroken:
   Ach! Armoede! een hard woord,
   wie staat mij dan bij in mijn verdriet?
 
Je vader en je God de Heer,
die staat je bij in al je nood.

4    Recitatief (tenor)

Ach! süsser Trost!
Wenn Gott mich nicht verlassen
und nicht versäumen will,
so kann ich in der Still
und in Geduld mich fassen.
Die Welt mag immerhin mich hassen,
so werf ich meine Sorgen
mit Freuden auf den Herrn,
und hilft er heute nicht,
so hilft er mir doch morgen.
Nun leg ich herzlich gern
die Sorgen unters Kissen
und mag nichts mehr als dies zu meinem Troste wissen:
Ach, zoete troost!
Als God mij niet wil verlaten
en mij niet wil negeren,
dan kan ik in stilte
en geduldig kalm worden.
Laat de wereld mij maar haten,
ik werp mijn zorgen
met vreugde op de Heer,
en helpt Hij vandaag niet,
dan helpt Hij mij morgen wel.
Nu leg ik van harte
mijn zorgen onder mijn kussen
en tot mijn troost wil ik niets anders meer weten dan dit:

5    Aria (bas)

Auf Gott steht meine Zuversicht,
mein Glaube lässt ihn walten.
Nun kann mich keine Sorge nagen,
nun kann mich auch kein Armut plagen.
Auch mitten in dem grössten Leide
bleibt er mein Vater, meine Freude,
er will mich wunderlich erhalten.
In God heb ik vast vertrouwen,
mijn geloof laat Hem regeren.
Nu kan geen zorg meer aan mij knagen,
nu kan ook geen armoede mij plagen.
Ook midden in het grootste verdriet
blijft Hij mijn vader, mijn vreugde,
Hij wil mij wonderbaarlijk behouden.

6    Recitatief (alt)

Ei nun!
So will ich auch recht sanfte ruhn.
Euch, Sorgen, sei der Scheidebrief gegeben!
Nun kann ich wie im Himmel leben.
Welnu!
Dan wil ik ook vredig rusten.
Adieu, jullie zorgen!
Nu kan ik leven als in de hemel.

7    Koraal

Weil du mein Gott und Vater bist,
dein Kind wirst du verlassen nicht,
du väterliches Herz!
Ich bin ein armer Erdenkloss,
auf Erden weiss ich keinen Trost.

Omdat U mijn God en vader bent,
zult U Uw kind niet verlaten,
U, vaderlijk hart!
Ik ben een armzalig brokje aarde,
op aarde kan ik geen troost vinden.

(Nederlandse vertaling: Henk Pijlman)