CANTATE Wo Gott der Herr nicht bei uns hält (BWV 178)

1. KOOR
Wo Gott der Herr nicht bei uns hält,
wenn unsre Feinde toben,
und er unser Sach nicht zufällt
im Himmel hoch dort oben,
wo er Israel Schutz nicht ist
und selber bricht der Feinde List,
so ists mit uns verloren.


Als God de Heer niet met ons is,
als onze vijanden razen
en Hij onze zaak niet ter harte neemt
in zijn hemel daarboven,
als hij niet Israëls bescherming is
en zelf korte metten maakt
met de sluwheid van de vijanden,
dan zijn wij verloren.

2. RECITATIEF  & KORAAL (A)
Was Menschenkraft und -witz anfäht,
soll uns billig nicht schrecken;
denn Gott der Höchste steht uns bei
und machet uns von ihren Stricken frei.
Er sitzet an der höchsten Stätt,
er wird ihrn Rat aufdecken.
Die Gott im Glauben fest umfassen,
will er niemals versäumen noch verlassen;
er stürzet der Verkehrten Rat
und hindert ihre böse Tat.
Wenn sie’s aufs klügste greifen an,
auf Schlangenlist und falsche Ränke sinnen,
der Bosheit Endzweck zu gewinnen;
so geht doch Gott ein ander Bahn:
er führt die Seinigen mit starker Hand
durchs Kreuzesmeer in das gelobte Land,
da wird er alles Unglück wenden.
Es steht in seinen Händen.


Wat menselijke kracht en verstand uitvoeren
moet ons werkelijk geen angst aanjagen;
want God de Hoogste staat ons bij
en bevrijdt ons van hun strikken.
Hij zit op de hoogste plaats,
hij zal hun plannen onthullen.
Hen die God in het geloof stevig omhelzen
zal hij nooit negeren of verlaten;
hij verijdelt de plannen van de boosdoeners
en verhindert hun boze daden.
Als zij hun sluwste aanvallen uitvoeren,
Zij beramen slangenlisten en valse streken
om het toppunt van slechtheid te bereiken;
dan gaat God toch een andere weg:
hij leidt de zijnen met sterke hand
door de zee van lijden naar het beloofde land,
daar zal hij alle ongeluk afwenden.
Het is in zijn hand.

3. ARIA (B)
Gleichwie die wilden Meereswellen
mit Ungestüm ein Schiff zerschellen,
so raset auch der Feinde Wut
und raubt das beste Seelengut.
Sie wollen Satans Reich erweitern,
und Christi Schifflein soll zerscheitern.


Zoals de wilde golven van de zee
onstuimig een schip verpletteren,
zo raast ook de woede van de vijanden
en rooft hij het grootste goed van de ziel.
Ze willen Satans rijk uitbreiden
en het scheepje van Christus moet te pletter slaan.

4. KORAAL (T)
Sie stellen uns wie Ketzern nach,
nach unserm Blut sie trachten;
noch rühmen sie sich Christen auch,
die Gott allein groß achten.
Ach Gott, der teure Name dein
muß ihrer Schalkheit Deckel sein,
du wirst einmal aufwachen.


Zij achtervolgen ons als ketters,
ze zijn op ons bloed uit;
en zij noemen zich ook nog christenen
die uitsluitend God vereren.
Ach God, uw dierbare naam
moet de dekmantel voor hun sluwheid zijn,
eens zult u ontwaken.

5. RECITATIEF & KORAAL (B, T, A)
Auf sperren sie den Rachen weit,
nach Löwenart mit brüllendem Getöne;
sie fletschen ihre Mörderzähne
und wollen uns verschlingen.
Jedoch,
Lob und Dank sei Gott allezeit;
der Held aus Juda schützt uns noch,
es wird ihn’ nicht gelingen.
Sie werden wie die Spreu vergehn,
wenn seine Gläubigen wie grüne Bäume stehn.
Er wird ihrn Strick zerreißen gar
und stürzen ihre falsche Lahr.
Gott wird die törichten Propheten
mit Feuer seines Zornes töten,
und ihre Ketzerei verstören.
Sie werdens Gott nicht wehren.


Ze sperren hun muil wijd open,
zoals leeuwen, met gebrul;
ze laten hun moordzuchtige tanden zien
en willen ons verslinden.
Maar,
Lof en dank zij God altijd;
de held uit Juda beschermt ons nog,
het zal ze niet lukken.
ze zullen als kaf vergaan,
terwijl zijn gelovigen zullen staan als groene bomen.
Hij zal hun strikken verscheuren
en hun valse leer ten val brengen.
God zal de dwaze profeten
doden met het vuur van zijn toorn
en hun ketterij vernietigen.
Daar kunnen ze God niet van afhouden.

6. ARIA (T)
Schweig, schweig nur, taumelnde Vernunft!
Sprich nicht: Die Frommen sind verlorn,
das Kreuz hat sie nur neu geborn.
Denn denen, die auf Jesum hoffen,
steht stets die Tür der Gnaden offen;
und wenn sie Kreuz und Trübsal drückt,
so werden sie mit Trost erquickt.


Zwijg, zwijg toch, wankelend verstand!
Zeg niet: De vromen zijn verloren,
door het kruis zijn zij slechts opnieuw geboren.
Want voor hen die op Jezus hopen
staat de deur van de genade altijd open;
en als kruis en ellende hen benauwen,
dan worden ze met troost verkwikt.

7. KORAAL
1. Die Feind sind all in deiner Hand,
darzu all ihr Gedanken;
ihr Anschläg sind dir, Herr, bekannt,
hilf nur, daß wir nicht wanken.
Vernunft wider den Glauben ficht,
aufs Künftge will sie trauen nicht,
da du wirst selber trösten.

2. Den Himmel und auch die Erden
hast du, Herr Gott, gegründet;
dein Licht laß uns helle werden,
das Herz uns werd entzündet
in rechter Lieb des Glaubens dein,
bis an das End beständig sein.
Die Welt laß immer murren.



De vijanden zijn allemaal in uw hand,
en ook al hun gedachten;
hun aanslagen, Heer, zijn u bekend,
help ons toch niet te wankelen.
Het verstand vecht tegen het geloof,
het wil er niet op vertrouwen
dat u zelf in de toekomst zult troosten.

De hemel en ook de aarde
hebt u, Heer God, gegrondvest,
laat uw licht voor ons helder worden,
moge ons hart ontbranden,
moge het in ware liefde van het geloof in u
tot aan het einde bestendig zijn.
Laat de wereld maar altijd morren.

(Nederlandse vertaling: Ria van Hengel