Cantate Gleichwie der Regen und Schnee vom Himmel fällt (BWV 18) 

1. SINFONIA


2. RECITATIEF (B)
Gleichwie der Regen und Schnee vom Himmel fällt
und nicht wieder dahin kommet,
sondern feuchtet die Erde
und macht sie fruchtbar und wachsend,
daß sie gibt Samen zu säen
und Brot zu essen:
Also soll das Wort,
so aus meinem Munde gehet, auch sein;
es soll nicht wieder zu mir leer kommen,
sondern tun, das mir gefället,
und soll ihm gelingen, dazu ichs sende.


Want zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen
en daarheen niet terugkeren
maar de aarde doordrenken
en haar vruchtbaar maken en laten gedijen
zodat er zaad is om te zaaien
en brood om te eten;
zo zal ook het woord zijn
dat uit mijn mond komt;
het zal niet leeg naar mij terugkeren
maar doen wat mij behaagt
en dat volbrengen waarvoor ik het zend.
3. RECITATIEF (T, B)
(T) Mein Gott, hier wird mein Herze sein:
Ich öffne dirs in meines Jesu Namen;
So streue deinen Samen
Als in ein gutes Land hinein.
Mein Gott, hier wird mein Herze sein:
Laß solches Frucht, und hundertfältig bringen!
O Herr, Herr, hilf!
O Herr, laß wohlgelingen!
(KOOR)
Du wollest deinen Geist
und Kraft zum Worte geben;

Erhör uns, lieber Herre Gott!
(B)
Nun wehre, treuer Vater, wehre,
Daß mich und keinen Christen nicht
Des Teufels Trug verkehre.
Sein Sinn ist ganz dahin gericht',
Uns deines Wortes zu berauben
Mit aller Seligkeit,
(KOOR)
Den Satan unter unsre Füße treten;
Erhör uns, lieber Herre Gott!
(T)
Ach! Viel' verleugnen Wort und Glauben
Und fallen ab wie faules Obst,
Wenn sie Verfolgung sollen leiden;
So stürzen sie in ewig Herzeleid,
Da sie ein zeitlich Weh vermeiden.
(KOOR)
Und uns vor des Türken
und des Papsts grausamen Mord
und Lästerungen, Wüten und Toben
väterlich behüten;
Erhör uns, lieber Herre Gott!

(B)
Ein andrer sorgt nur für den Bauch;
Inzwischen wird der Seele ganz vergessen.
Der Mammon auch
hat vieler Herz besessen.
So kann das Wort zu keiner Kraft gelangen.
Und wieviel Seelen hält die Wollust nicht gefangen?
So sehr verführet sie die Welt!
Die Welt, die ihnen muß anstatt des Himmels stehen,
Darüber sie vom Himmel irregehen!
(KOOR)
Alle Irrige und Verführte wiederbringen;
Erhör uns, lieber Herre Gott!


Mijn God, hier is mijn hart,
ik open het voor u in Jezus' naam,
strooi uw zaad er maar in
als in goede aarde.
Mijn God, hier is mijn hart:
laat het vrucht dragen, honderdvoudig.
O Heer, Heer, help!
O Heer, laat het lukken.

Wil uw geest en kracht
bij het woord voegen;
verhoor ons, lieve God!

Voorkom, trouwe vader, voorkom
dat het bedrog van de duivel mij
of welke christen dan ook misleidt.
Hij is er helemaal op gericht
ons van uw woord te beroven
en daarmee ook van alle zaligheid.

Wil de Satan onder onze voeten vertrappen;
verhoor ons, lieve God!

Ach, velen verloochenen het woord en het geloof
en vallen af als rot fruit
wanneer ze vervolging moeten ondergaan.
Dan storten ze in eeuwig harteleed
door een tijdelijke pijn te vermijden.

En wil ons voor de gruwelijke moord
van de Turk en de paus, en voor hun
godslasteringen, hun geraas en getier
vaderlijk behoeden;
verhoor ons, lieve God!

Een ander zorgt alleen voor zijn buik;
intussen wordt de ziel geheel vergeten.
Ook de Mammon
heeft het hart van velen in bezit genomen.
Zo kan het woord geen kracht krijgen.
En hoeveel zielen houdt de wellust niet gevangen ?
Zozeer verleidt die de wereld!
De wereld, die voor hen in de plaats van de hemel komt,
waardoor ze van de hemel afdwalen!

Wil alle dwalenden en misleiden terugbrengen;
verhoor ons, lieve God!

4. ARIA (S)
Mein Seelenschatz ist Gottes Wort.
Außer dem sind alle Schätze solche Netze,
Welche Welt und Satan stricken,
Schnöde Seelen zu berücken.
Fort mit allen, fort, nur fort!
Mein Seelenschatz ist Gottes Wort.

De schat van mijn ziel is het woord van God,
daarbuiten zijn alle schatten als netten
die de wereld en de Satan boosaardig spannen
om zielen te betoveren.
Weg met al die schatten, weg, weg!
De schat van mijn ziel is het woord van God.
5. KORAAL
Ich bitt, o Herr, aus Herzensgrund,
Du wollst nicht von mir nehmen
Dein heilges Wort aus meinem Mund;
So wird mich nicht beschämen
Mein Sünd und Schuld,
denn in dein Huld
Setz ich all mein Vertrauen.
Wer sich nur fest darauf verläßt,
Der wird den Tod nicht schauen.

Ik bid u Heer, uit de grond van mijn hart,
neem uw heilige woord
niet weg van mijn mond;
dan zullen mijn zonden en mijn schuld
mij niet beschamen,
want op uw genade
stel ik al mijn vertrouwen.
Wie zich daarop maar verlaat,
zal de dood niet zien.



(Nederlandse vertaling: Ria van Hengel