CANTATE Erwünschtes Freudenlicht (BWV 184)

1. RECITATIEF (T)
Erwünschtes Freudenlicht,
das mit dem neuen Bund anbricht
durch Jesum, unsern Hirten!
Wir, die wir sonst in Todes Tälern irrten,
empfinden reichlich nun,
wie Gott zu uns den längst erwünschten Hirten sendet,
der unsre Seele speist
und unsern Gang durch Wort und Geist
zum rechten Wege wendet.
Wir, sein erwähltes Volk, empfinden seine Kraft;
in seiner Hand allein ist, was uns Labsal schafft,
was unser Herze kräftig stärket.
Er liebt uns, seine Herde,
die seinen Trost und Beistand merket.
Er ziehet sie vom Eitlen, von der Erde,
auf ihn zu schauen
und jederzeit auf seine Huld zu trauen.
O Hirte, so sich vor die Herde gibt,
der bis ins Grab und bis in Tod sie liebt!
Sein Arm kann denen Feinden wehren,
sein Sorgen kann uns Schafe geistlich nähren,
ja, kömmt die Zeit,
durchs finstre Tal zu gehen,
so hilft und tröstet uns sein sanfter Stab.
Drum folgen wir mit Freuden bis ins Grab.
Auf! Eilt zu ihm,
verklärt vor ihm zu stehen.

O welkom vreugdelicht,
dat aanbreekt met het nieuwe verbond
door Jezus, onze herder!
Wij, die tot nu toe dwaalden in dalen des doods,
ervaren nu rijkelijk
hoe God ons de lang verwachte herder zendt,
die onze ziel voedt
en door woord en geest
onze voeten de juiste weg op stuurt.
Wij, zijn uitverkoren volk, ervaren zijn kracht.
alleen in zijn hand is dat wat ons verkwikking geeft,
wat ons hart zeer versterkt.
Hij heeft ons lief, zijn kudde,
die zijn troost en bijstand ondervindt.
Hij haalt haar weg bij het ijdele, de aarde,
om hem in het oog te houden
en altijd op zijn genade te vertrouwen.
O herder, die zichzelf geeft voor de kudde,
die haar tot in het graf en tot in de dood liefheeft!
Zijn arm kan de vijanden weren,
zijn zorg kan ons, schapen, geestelijk voeden.
Ja, als de tijd komt
dat wij door het donkere dal moeten gaan,
dan helpt en troost zijn zachte staf ons.
Daarom volgen wij met vreugde tot in het graf.
Kom, haast u naar hem toe,
om verheerlijkt voor hem te staan!

2. ARIA / DUET (S, A)
Gesegnete Christen, glückselige Herde,
kommt, stellt euch bei Jesu mit Dankbarkeit ein!
Verachtet das Locken der schmeichlenden Erde,
daß euer Vergnügen vollkommen kann sein!
 
Gezegende christenen, gelukzalige kudde,
kom, voegt u dankbaar bij Jezus!
Veracht toch de lokroep der vleiende aarde,
opdat uw genoegen volmaakt moge worden!

3. RECITATIEF (T)
So freuet euch, ihr auserwählten Seelen!
Die Freude gründet sich in Jesu Herz.
Dies Labsal kann kein Mensch erzählen.
Die Freude steigt auch unterwärts
zu denen, die in Sündenbanden lagen,
die hat der Held aus Juda schon zerschlagen.
Ein David steht uns bei.
Ein Heldenarm macht uns von Feinden frei.
Wenn Gott mit Kraft die Herde schützt,
wenn er im Zorn auf ihre Feinde blitzt,
wenn er den bittern Kreuzestod
vor sie nicht scheuet,
so trifft sie ferner keine Not,
so lebet sie in ihrem Gott erfreuet.
Hier schmecket sie die edle Weide
und hoffet dort vollkommne Himmelsfreude.


Weest daarom blij, o uitverkoren zielen!
De vreugde is gegrond in Jezus' hart.
Deze lafenis is niet in mensenwoorden weer te geven.
De vreugde daalt ook neer
op hen die in de boeien van de zonde lagen;
die heeft de Held uit Juda al verbroken.
Een David staat ons bij.
De arm van een Held bevrijdt ons van de vijanden.
Als God met kracht de kudde beschermt,
als Hij in toorn haar vijanden met bliksems treft,
als Hij voor haar de bittere dood
aan 't kruis niet schuwt,
dan raakt geen nood haar meer,
dan leeft zij verblijd in haar God.
Hier smaakt zij de edele weide,
daar hoopt zij volmaakte hemelse vreugde te vinden.

4. ARIA (T)
Glück und Segen sind bereit,
die geweihte Schar zu krönen.
Jesus bringt die güldne Zeit,
welche sich zu ihm gewöhnen.


Geluk en zegen staan gereed,
de gewijde schare te kronen.
Jezus doet een gouden tijd aanbreken
voor wie aan Hem wennen. 
5. KORAAL
Herr, ich hoffe, du werdest die
in keiner Not verlassen,
die dein Wort recht als treue Knecht
im Herzn und Glauben fassen;
gibst ihn’ bereit die Seligkeit
und läßt sie nicht verderben.
O Herr, durch dich bitt ich, laß mich
fröhlich und willig sterben.


O Heer, ik hoop erop dat Gij hen
in geen enkele nood alleen zult laten
die als trouwe knechten
van harte en gelovig naar Uw woord luisteren,
dat Gij hun de zaligheid schenkt
en hen niet verloren laat gaan.
O Heer, ik bid U,
doe mij vrolijk en gewillig sterven.
6. KOOR
Guter Hirte, Trost der Deinen,
laß uns nur dein heilig Wort!
Laß dein gnädig Antlitz scheinen,
bleibe unser Gott und Hort,
der durch allmachtsvolle Hände
unsern Gang zum Leben wende! 

Goede Herder, Troost der Uwen,
laat ons slechts Uw heilig Woord!
Laat uw genadig aangezicht schijnen,
blijf onze God en Behoeder,
die met almachtige hand
onze gang ten leven wendt.



(Nederlandse vertaling: Henk Beindorff