Cantate Höchsterwünschtes Freudenfest (BWV 194)

EERSTE DEEL


1    Koor

Höchsterwünschtes Freudenfest,
das der Herr zu seinem Ruhme
im erbauten Heiligtume
uns vergnügt begehen lässt.
Höchsterwünschtes Freudenfest!
O uiterst welkom vreugdefeest,
dat de Heer ons tot Zijn glorie
in Zijn opgerichte heiligdom
met blijdschap laat vieren.
Wees welkom, vreugdefeest!

2    Recitatief (bas)

Unendlich grosser Gott, ach wende dich
zu uns, zu dem erwählten Geschlechte,
und zum Gebete deiner Knechte!
Ach, lass vor dich
durch ein inbrünstig Singen
der Lippen Opfer bringen!
Wir weihen unsre Brust dir offenbar zum Dankaltar.
Du, den kein Haus, kein Tempel fasst,
da du kein Ziel noch Grenzen hast,
lass dir dies Haus gefällig sein, es sei dein Angesicht
ein wahrer Gnadenstuhl, ein Freudenlicht.
Oneindig grote God, ach keer U
tot ons, Uw uitverkoren geslacht,
en hoor het gebed van Uw knechten aan!
Ach, laat onze lippen
U met een vurig gezang
offeranden brengen!
Wij wijden openlijk ons hart tot dankaltaar voor u, Gij, die door geen huis, geen tempel omvat kan worden,
omdat U geen einde of grenzen kent, 
laat dit huis U welgevallig zijn, laat Uw aangezicht een ware zetel van genade, een licht van vreugde zijn.

3    Aria (bas)

Was des Höchsten Glanz erfüllt,
wird in keine Nacht verhüllt,
was des Höchsten heilges Wesen
sich zur Wohnung auserlesen,
wird in keine Nacht verhüllt,
was des Höchsten Glanz erfüllt.
Wat de glans van de Allerhoogste vervult,
wordt niet in nachtelijk duister verborgen
wat het heilig wezen van de Allerhoogste
zich als woning heeft uitgekozen,
wordt niet in nachtelijk duister verborgen
wat de glans van de Allerhoogste vervult.

4    Recitatief (sopraan)

Wie könnte dir, du höchstes Angesicht
da dein unendlich helles Licht
bis in verborgne Gründe siehet,
ein Haus gefällig sein?
Es schleicht sich Eitelkeit allhie an allen Enden ein.

Wo deine Herrlichkeit einziehet
da muss die Wohnung rein
und dieses Gastes würdig sein
Hier wirkt die Menschenkraft,
drum lass dein Auge offenstehen
und gnädig auf uns gehen;
so legen wir in heilger Freude dir
die Farren und die Opfer unsrer Lieder
vor deinem Throne nieder
und tragen dir den Wunsch in Andacht für.
Hoe zou, o verheven aangezicht,
daar Uw oneindig helder licht
tot in verborgen diepten schijnt,
een huis u welgevallig kunnen zijn?
Hier komt van alle kanten ijdelheid binnengeslopen.

Waar Uw heerlijkheid binnen gaat,
daar moet de woning rein
en deze gast waardig zijn.
Het is hier mensenwerk,
heb daarom een open oog voor ons
en zie ons genadig aan;
dan leggen wij in heilige vreugde
de offerstieren en de offeranden van onze liederen
voor Uw troon neer
en leggen u onze wens eerbiedig voor.

5    Aria (sopraan)

Hilf Gott, dass es uns gelingt,
und dein Feuer in uns dringt.
    Dass es auch in dieser Stunde
    wie in Esaiae Munde
    seiner Wirkung Kraft erhält
    und uns heilig vor dich stellt.
Help ons, o God, dat het ons mag gelukken,
en dat Uw vuur in ons mag dringen.
    Dat ook op dit uur,
    zoals in de mond van Jesaja,
    de kracht daarvan uitwerking heeft
    en ons geheiligd voor U plaatst.

6    Koraal

Heilger Geist ins Himmels Throne,
gleicher Gott von Ewigkeit
mit dem Vater und dem Sohne,
der Betrübten Trost und Freud!
Allen Glauben, den ich find,
hast du in mir angezündt,
über  mir in Gnaden walte,
ferner deine Gab erhalte.

Deine Hilfe zu mir sende,
o du edler Herzensgast!
Und das gute Werk vollende,
das du angefangen hast.
Blas in mir das Fünklein auf,
bis dass nach vollbrachtem Lauf
ich den Auserwählten gleiche
und des Glaubens Ziel erreiche.
Heilige Geest op ´s hemels troon,
eeuwig dezelfde God
met de Vader en de Zoon,
troost en vreugde voor de bedroefden!
Al het geloof dat ik in mij vind,
hebt U in mij aangestoken;
heers over mij in genade
en bewaar uw gaven.

Zend Uw hulp tot mij,
o, edele gast van mijn hart!
En voleindig het goede werk,
waarmee U bent begonnen.
Wakker in mij het vonkje aan,
totdat ik na volbrachte levensloop
gelijk ben aan de uitverkorenen
en het doel van mijn geloof bereik.

TWEEDE DEEL


7    Recitatief (tenor)

Ihr heiligen, erfreuet euch,
eilt, eilet, euren Gott zu loben:
das Herze sei erhoben
zu Gottes Ehrenreich,
von dannen er auf dich,
du heilge Wohnung, siehet
und ein gereinigt Herz zu sich
von dieser eitlen Erde ziehet.
Ein Stand, so billig selig heisst,
man schaut hier Vater, Sohn und Geist.
Wohlan, ihr gotterfüllte Seelen!
Ihr werdet nun das beste Teil erwählen;
die Welt kann euch kein Labsal geben,
ihr könnt in Gott allein vergnügt und selig leben.
Gij heiligen, verheugt u,
haast u, haast u, om uw God te loven:
laat uw hart zich verheffen
naar Gods eervolle rijk,
vanwaar Hij op u,
o heilige woning, neerziet
en een gereinigd hart tot zich trekt
vanuit deze ijdele wereld.
Op een plaats, die met recht zalig genoemd wordt,
ziet men Vader, Zoon en Heilige Geest.
Komaan, o zielen, die van God vervuld zijt!
Jullie zullen nu het beste deel verkiezen;
de wereld kan jullie geen verkwikking geven,
alleen in God kunnen jullie verheugd en zalig leven.

8    Aria  (tenor)

Des Höchsten Gegenwart allein
kann unsrer Freuden Ursprung sein.
    Vergehe, Welt, mit deiner Pracht,
    in Gott ist, was uns glücklich macht!
Alleen de tegenwoordigheid van de Allerhoogste
kan de oorsprong van onze vreugde zijn.
    Verga, o wereld, met je pracht,
    in God vinden wij wat ons gelukkig maakt!

9    Recitatief (sopraan en bas)

B: Kann wohl ein Mensch zu Gott im Himmel steigen?
S: Der Glaube kann den Schöpfer zu ihm neigen.

B: Er ist oft ein zu schwaches Band.
S: Gott führet selbst und stärkt des Glaubens Hand,
    den Fürsatz zu erreichen.
B: Wie aber, wenn des Fleisches Schwachheit
     wollte weichen?
S: Des Höchsten Kraft wird mächtig in den Schwachen.

B: Die Welt wird sie verlachen.
S: Wer Gottes Huld besizt, verachtet solchen Spott.
B: Was wird ihr ausser diesem fehlen?
S: Ihr einzger Wunsch, ihr alles ist in Gott.
B: Gott ist unsichtbar und entfernet:
S: Wohl uns, dass unser Glaube lernet,
    im Geiste seinen Gott zu schauen
B: Ihr Leib hält sie gefangen.
S: Des Höchsten Huld befördert ihr Verlangen,
    denn er erbaut den Ort,
    da man ihn herrlich schaut.
beide:
Da er den Glauben nun belohnt
und bei uns wohnt,
bei uns als seinen Kindern,
so kann die Welt und Sterblichkeit
die Freude nicht vermindern.
B: Kan een mens wel tot God in de hemel opstijgen?
S: Zijn geloof kan de Schepper hem welgezind doen zijn.
B: Dat is vaak een te zwakke band.
S: God zelf leidt en sterkt de hand van het geloof
     om dit doel te bereiken.
B: Maar hoe, wanneer de zwakheid van het vlees zou zwichten?
S: De kracht van de Allerhoogste werkt door in de zwakken.
B: De wereld zal hen uitlachen.
S: Wie Gods gunst bezit veracht dergelijk gespot.
B: wat zal hun ontbreken als ze dit bezitten?
S: Hun enige wens, hun alles is in God.
B: God is onzichtbaar en ver verwijderd.
S: Gelukkig zijn wij dat ons geloof leert om in de geest onze God te aanschouwen.
B: Hun lichaam houdt hen gevangen.
S: De genade van de Allerhoogste sterkt hun
     verlangen, want Hij bouwt de plaats,
    waar men Hem in Zijn heerlijkheid aanschouwt.
Beiden:
Omdat Hij het geloof nu beloont
en bij ons woont,
bij ons die zijn kinderen zijn,
kunnen wereld en sterfelijkheid
de vreugde niet verminderen.

10    Aria (duet sopraan en bas)

O wie wohl ist uns geschehn,
dass sich Gott ein Haus ersehn!
    Schmeckt und sehet doch zugleich,
    Gott sei freundlich gegen euch.
    Schüttet eure Herzen aus
    hier vor Gottes Thron und Haus!
O, wat een weldaad is ons geschied,
dat God voor zich een woning heeft gekozen!
    Proef en zie toch tegelijkertijd,
    dat God u welgezind is.   
    Stort uw harten uit
    hier voor Gods troon en Zijn huis!

11    Recitatief (bas)

Wohlan demnach, du heilige Gemeine,
bereite dich zur heilgen Lust!
Gott wohnet nich nur in einer jeden Brust,
er baut sich hier ein Haus.
Wohlan, so rüstet euch mit Geist und Gaben aus,
daß ihm sowohl dein Herz als auch dies Haus gefalle!
Komaan dan, heilige sterveling,
bereid u voor op de heilige vreugde!
God woont niet alleen in ieders hart,
maar Hij bouwt hier voor zich een huis.
Komaan, rust u dan toe met uw geest en offeranden,
opdat zowel uw hart als ook dit huis Hem moge bevallen.

12    Koraal

Sprich Ja zu meinen Taten,
hilf selbst das Beste raten;
den Anfang, Mittl und Ende,
ach, Herr, zum Besten wende!

Mit Segen mich beschütte,
mein Herz sei deine Hütte,
dein Wort sei meine Speise,
bis ich gen Himmel reise.
Keur mijn daden goed,
geef mij zelf de beste raad;
Ach Heer, laat voor mij het begin, midden en einde
ten goede keren!

Stort Uw zegen uit op mij,
laat mijn hart Uw nederige woning zijn,
laat Uw woord mijn spijs zijn,
totdat ik naar de hemel reis.

(Nederlandse vertaling: Henk Pijlman)