| EERSTE DEEL |
|
1 Koor |
|
| Lass, Fürstin, lass noch
einen Strahl aus Salems Sterngewölben schiessen, und sieh, mit wieviel Tränengüssen umringen wir dein Ehrenmal. |
Laat, vorstin, laat nog
één straal uit Salems (1) stergewelven schieten, en zie, hoeveel tranen wij vergieten nu wij uw gedenkteken omringen. |
2 Recitatief (sopraan) |
|
| Dein Sachsen, dein
bestürztes Meissen erstarrt bei deiner Königsgruft; Das Auge tränt, die Zunge ruft: Mein Schmerz kann unbeschreiblich heissen! Hier klagt August und Prinz und Land, der Adel ächzt, der Bürger trauert, wie hat dich nicht das Volk bedauert, sobald es deinen Fall empfand! |
Uw Saksen, uw ontdane Meissen, (2) verstommen aan uw koningsgraf; Met betraande ogen roept mijn mond: Mijn verdriet kan onbeschrijfelijk worden genoemd! Hier klagen August (3), de prins en het land, de adel steunt, de burger rouwt, hoezeer heeft het volk niet om u getreurd, zodra het uw dood vernam! |
3 Aria (sopraan) |
|
| Verstummt, verstummt, ihr holden
Saiten! Kein Ton vermag der Länder Not bei ihrer teuren Mutter Tod - O Schmerzenswort! - recht anzudeuten. |
Verstomt, wordt stil, gij
lieflijke snaren! Geen klank kan de nood van de landen bij de dood van hun dierbare moeder - o smartelijk woord! – juist weergeven. |
4 Recitatief (alt) |
|
| Der Glocken bebendes Getön soll unsrer trüben Seelen Schrecken durch ihr geschwungnes Erze wecken und uns durch Mark und Adern gehn. O, könnte nur dies bange Klingen, davon das Ohr uns täglich gellt, der ganzen Europäerwelt ein Zeugnis unsres Jammers bringen! |
Het bevend luiden van de klokken moet door hun vibrerend brons de ontsteltenis van onze sombere harten oproepen en ons door merg en been gaan. O, kon toch dit angstige luiden, dat dagelijks in onze oren weerklinkt, aan de gehele Europese wereld een getuigenis van ons verdriet brengen! |
5 Aria (alt) |
|
| Wie starb die Heldin so
vergnügt! wie mutig hat ihr Geist gerungen, da sie des Todes Arm bezwungen, noch eh er ihre Brust besiegt. |
Hoe opgewekt stierf de heldin! hoe moedig heeft haar geest geworsteld, toen de dood haar in zijn armen nam, nog voordat hij haar aardse lichaam had overwonnen. |
6 Recitatief (tenor) |
|
| Ihr Leben liess die Kunst zu
sterben in unverrückter Übung sehn; unmöglich konnt es denn geschehn, sich vor dem Tode zu entfärben. Ach selig! wessen grosser Geist sich über die Natur erhebet, vor Gruft und Särgen nicht erbebet, wenn ihn sein Schöpfer scheiden heisst. |
Onwrikbaar en standvastig liet haar leven ons de kunst van het sterven zien; onmogelijk kon het dan gebeuren, dat zij angstig zou worden voor de dood. Ach, zalig! wiens grote geest zich boven de natuur weet te verheffen, die niet siddert voor het graf en voor de dood, wanneer zijn Schepper hem beveelt om afscheid te nemen. |
7 Koor |
|
| An dir, du Fürbild grosser
Frauen, an dir, erhabne Königin, an dir, du Glaubenspflegerin, war dieser Grossmut Bild zu schauen. |
Aan u, gij voorbeeld voor grote
vrouwen, aan u, verheven koningin, aan u, beschermster van het geloof, was dit voorbeeld van grootmoedigheid zichtbaar.. |
TWEEDE DEEL |
|
8 Aria (tenor) |
|
| Der Ewigkwir saphirnes Haus zieht, Fürstin, deine heitern Blicke vor unsrer Niedrigkeit zurücke und tilgt der Erden Dreckbild aus. Ein starker Glanz von hundert Sonnen, der unsern Tag zu Mitternacht und unsre Sonne finster macht, hat dein verklärtes Haupt umsponnen. |
In het saffieren huis der
eeuwigheid wendt gij, vorstin, uw opgewekte ogen van onze nederigheid af. en het miserabele beeld van de aarde wordt door u uitgewist. Een sterke glans van honderd zonnen, die onze dag tot middernacht maakt en onze zon verduistert, heeft uw verheerlijkt gelaat omsponnen. |
9 Recitatief - Arioso - Recitatief (bas) |
|
| Was Wunder ists? Du bist es wert, du Fürbild aller Königinnen! Du musstest allen Schmuck gewinnen, der deine Scheitel itzt verklärt. Nun trägst du vor des Lammes Throne anstatt des Purpurs Eitelkeit ein perlenreines Unschuldskleid und spottest der verlassnen Krone. Soweit der volle Weichselstrand, der Niester und die Warthe fliesset, soweit sich Elb’ und Muld’ ergiesset, erhebt dich beides, Stadt un Land. Dein Torgau geht im Trauerkleide, dein Pretzsch wird kraftlos, starr und matt; denn da es dich verloren hat, verliert es seiner Augen Weide. |
Hett is geen wonder! U bent het
waard, gij voorbeeld voor alle koninginnen! Alle sierraden moest u verwerven, die nu uw hoofd met bovenaardse glans omgeven. Nu draagt u voor de troon van het Lam in plaats van de ijdelheid van het purper een onschuldskleed van zuivere paarlen en gij spot met de verlaten kroon. Zover als de oevers van de Weichsel reiken en de Niester en de Warthe stromen, zover als waar de Elbe en de Mulde uitmonden, loven u zowel stad als land. Uw Torgau gaat in rouw gekleed, uw Pretzsch (4) wordt krachteloos, star en dof, want omdat het u verloren heeft, verliest het zijn ogenlust. |
10 Koor |
|
| Doch, Königin! du stirbest
nicht, man weiss, was man an dir besessen; die Nachwelt wird dich nicht vergessen, bis dieser Weltbau einst zerbricht. Ihr Dichter, schreibt! wir wollen’s lesen: Sie ist der Tugend Eigentum, der Untertanen Lust und Ruhm, der Königinnen Preis gewesen. |
Maar, koningin, gij sterft niet, men weet, wat men aan u heeft bezeten; de komende geslachten zullen u niet vergeten, totdat deze wereld eens vergaat. Gij dichters, schrijft! Wij zullen het lezen: Zij was het eigendom der deugd, de lust en roem der onderdanen, de lof der koninginnen |