Cantate Ach Gott, vom Himmel sieh darein (BWV 2)

1. KOOR
Ach Gott, vom Himmel sieh darein
und laß dichs doch erbarmen,
wie wenig sind der Heilgen dein,
verlassen sind wir Armen.
Dein Wort man nicht läßt haben wahr,
der Glaub ist auch verloschen gar
bei allen Menschenkindern.

Ach God, zie uit de hemel neer
en schenk ons uw erbarmen !
Er zijn bijna geen heil'gen meer
verlaten zijn wij armen.
Men bestrijdt de waarheid van uw woord,
ook het geloof is bijna uitgedoofd
bij alle mensenkinderen.

2  RECITATIEF (T).
Sie lehren eitel falsche List,

was wider Gott und seine Wahrheit ist;
und was der eigen Witz erdenket,
– o Jammer!
der die Kirche schmerzlich kränket –
das muß anstatt der Bibel stehn.
Der eine wählet dies, der andre das,
die törichte Vernunft ist ihr Kompaß;
sie gleichen denen Totengräbern,
die, ob sie zwar von außen schön,
nur Stank und Moder in sich fassen
und lauter Unflat sehen lassen.


Zij onderwijzen enkel valse leugens,
die tegen God en zijn waarheid zijn gericht;
en de bedenksels van hun eigen geest
- O ellendige zaak,
waar de kerk kapot aan gaat -
nemen de plaats in van de bijbel.
De een kiest dit, de ander dat,
het dwaas verstand is hun kompas;
Ze lijken op graven
die van buiten wel mooi zijn,
maar van binnen stinken en rotten
en louter vuiligheid ten toon spreiden.
3. ARIA (A)
Tilg, o Gott, die Lehren,
so dein Wort verkehren!
   Wehre doch der Ketzerei
   und allen Rottengeistern;
   denn sie sprechen ohne Scheu:
   Trotz dem, der uns will meistern!


Verdelg, o God, de leerstelligen
die uw woord te verdraaien.
Weer toch de ketterij,
en alle sectarische geesten
want zij spreken onbeschroomd:
trotseer hem, die ons de baas wil zijn !
4. RECITATIEF (B)
Die Armen sind verstört,

ihr seufzend Ach! ihr ängstlich Klagen
bei soviel Kreuz und Not,
wodurch die Feinde fromme Seelen plagen,
dringt in das Gnadenohr des Allerhöchsten ein.
Darum spricht Gott: Ich muß ihr Helfer sein!
Ich hab ihr Flehn erhört,
der Hilfe Morgenrot,
der reinen Wahrheit
heller Sonnenschein
soll sie mit neuer Kraft,
die Trost und Leben schafft,
erquicken und erfreun.
Ich will mich ihrer Not erbarmen,
mein heilsam Wort
soll sein die Kraft der Armen.


De armen zijn overstuur;
hun zuchtend 'Ach', hun angstig klagen
bij zoveel kruis en nood,
waarmee vijanden de vrome zielen plagen,
dringt door tot in het genadig luisterende oor van de Allerhoogste.
Daarom spreekt God; Ik zal hun helper zijn !
Ik heb hun smeken verhoord.
het ochtendgloren van de hulp,
de heldere zonneschijn van de pure waarheid
zal hen met nieuwe kracht,
die troost en leven verschaft,
verkwikken en verheugen.
Ik zal me ontfermen over hun nood,
mijn heilzaam woord
zal de kracht der armen zijn.
5. ARIA (T)
Durchs Feuer wird das Silber rein,
durchs Kreuz das Wort bewährt erfunden.
   Drum soll ein Christ zu allen Stunden
   in Kreuz und Not geduldig sein.


Door het vuur wordt zilver gezuiverd,
door het kruis bewijst zich het woord
Daarom moet een christen te allen tijde
in kruis en nood geduldig zijn.
6. KORAAL
Das wollst du, Gott, bewahren rein
für diesem arg’n Gschlechte,
und laß uns dir befohlen sein,
daß sichs in uns nicht flechte.
Der gottlos Hauf sich umher findt,
wo solche lose Leute sind
in deinem Volk erhaben.

Wil dit woord, o God, in alle zuiverheid beschermen tegen dat boze geslacht;
En laat ons bij u geborgen zijn
dat het zich in ons midden niet nestele.

De goddeloze bende is rondom aanwezig
waar zulke lichtzinnige lieden
verheven zijn temidden van uw volk.



(Nederlandse vertaling: Dick Wursten