Cantate Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben (BWV 248 VI)

54. (1) KOOR
Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben,
so gib, daß wir im festen Glauben
nach deiner Macht und Hülfe sehn!
Wir wollen dir allein vertrauen,
so können wir den scharfen Klauen
des Feindes unversehrt entgehn.


Heer, als de trotse vijanden briesen,
geef dan dat wij in een vast geloof
uitzien naar uw macht en hulp!
Wij willen alleen op u vertrouwen,
dan kunnen wij aan de scherpe klauwen
van de vijand ongedeerd ontkomen.
55. (2) RECITATIEF (Evangelist)
»Da berief Herodes die Weisen heimlich
und erlernet mit Fleiß von ihnen,
wenn der Stern erschienen wäre?
Und weiset sie gen Bethlehem und sprach:
(Herodes, bas)
Ziehet hin und forschet fleißig nach dem Kindlein,
und wenn ihrs findet, sagt mirs wieder,
daß ich auch komme und es anbete.«


Daarop riep Herodes de wijzen in het geheim bij zich
en vroeg hen nauwkeurig
wanneer de ster was verschenen.
En hij stuurde hen naar Bethlehem en sprak:

Ga en doe nauwkeurig onderzoek naar het kindje,
en als u het vindt, kom het mij dan vertellen,
opdat ook ik erheen kan gaan om het te aanbidden.
56. (3) RECITATIEF (S)
Du Falscher, suche nur den Herrn zu fällen,
nimm alle falsche List,
dem Heiland nachzustellen;
der, dessen Kraft kein Mensch ermißt,
bleibt doch in sichrer Hand.
Dein Herz, dein falsches Herz ist schon,
nebst aller seiner List, des Höchsten Sohn,
den du zu stürzen suchst, sehr wohl bekannt.


O valserik, probeer jij maar de Heer te vernietigen,
gebruik maar alle valse listen
om de Heiland te vervolgen;
hij wiens kracht geen mens kan meten
blijft toch in veilige handen.
Jouw hart, jouw valse hart met al zijn listen
is al heel goed bekend bij de Zoon van de Allerhoogste,
die jij ten val probeert te brengen.
57. (4) ARIA (S)
Nur ein Wink von seinen Händen
stürzt ohnmächtger Menschen Macht.
Hier wird alle Kraft verlacht!
Spricht der Höchste nur ein Wort,
seiner Feinde Stolz zu enden,
o, so müssen sich sofort
Sterblicher Gedanken wenden.


Slechts een wenk van zijn handen
brengt de macht van machteloze mensen ten val.
Hier wordt alle kracht uitgelachen!
De Allerhoogste hoeft maar één woord te spreken
om een eind te maken aan de trots van zijn vijanden,
en o, onmiddellijk zullen
de gedachten van stervelingen veranderen.
58. (5) RECITATIEF (Evangelist)
»Als sie nun den König gehöret hatten,
zogen sie hin. Und siehe,
der Stern, den sie im Morgenlande gesehen hatten,
ging für ihnen hin, bis daß er kam und stund
oben über, da das Kindlein war.
Da sie den Stern sahen,
wurden sie hoch erfreuet
und gingen in das Haus
und funden das Kindlein mit Maria, seiner Mutter,
und fielen nieder und beteten es an
und täten ihre Schätze auf
und schenkten ihm Gold, Weihrauch und Myrrhen.«


Toen ze naar de koning hadden geluisterd,
gingen zij op weg.
En zie, de ster die ze in het oosten hadden gezien,
ging voor hen uit totdat hij stil bleef staan
boven de plaats waar het kindje was.
Toen ze de ster zagen,
verheugden zij zich zeer
en ze gingen naar binnen
en vonden het kindje met Maria, zijn moeder,
en ze vielen neer en aanbaden het
en ze haalden hun kostbaarheden tevoorschijn
en schonken het goud, wierook en mirre.
59. (6) KORAAL
Ich steh an deiner Krippen hier,
o Jesulein, mein Leben;
ich komme, bring und schenke dir,
was du mir hast gegeben.
Nimm hin! es ist mein Geist und Sinn,
Herz, Seel und Mut, nimm alles hin,
und laß dirs wohlgefallen!


Ik sta hier bij uw kribbe
o Jezuskind, mijn leven;
ik kom u brengen en schenken
wat u mij hebt gegeven.
Neem het aan, het zijn mijn geest en mijn denken,
mijn hart, mijn ziel en mijn gemoed,
neem het allemaal aan en laat het u behagen!
60. (7) RECITATIEF (Evangelist)
»Und Gott befahl ihnen im Traum,
 daß sie sich nicht sollten wieder zu Herodes lenken,
und zogen durch einen andern Weg
wieder in ihr Land.«


En God droeg hun in hun droom op
niet naar Herodes terug te gaan,
en zij reisden via een andere route
weer naar hun land terug.
61. (8) RECITATIEF (T)
So geht! Genug,
mein Schatz geht nicht von hier,
er bleibet da bei mir,
ich will ihn auch nicht von mir lassen.
Sein Arm wird mich aus Lieb
mit sanftmutsvollem Trieb
und größter Zärtlichkeit umfassen;
er soll mein Bräutigam verbleiben,
ich will ihm Brust und Herz verschreiben.
Ich weiß gewiß, er liebet mich,
mein Herz liebt ihn auch inniglich
und wird ihn ewig ehren.
Was könnte mich nun für ein Feind
bei solchem Glück versehren!
Du, Jesu, bist und bleibst mein Freund;
und werd ich ängstlich zu dir flehn:
Herr, hilf!, so laß mich Hülfe sehn!


Ga dan maar! Het is genoeg,
mijn schat vertrekt hier niet,
hij blijft bij mij
en ik zal hem ook niet verlaten.
Zijn armen zullen mij uit liefde
en met zachtmoedigheid
en grote tederheid omsluiten;
hij zal mijn bruidegom blijven,
aan hem wil ik mijn ziel en mijn hart wijden.
Ik ben er zeker van dat hij mij liefheeft,
mijn hart heeft hem ook innig lief
en zal hem altijd eren.
Welke vijand zou mij
in dit grote geluk kwaad kunnen doen!
U, Jezus, bent en blijft mijn vriend,
en als ik angstig smeek:
Heer, help mij!, toon mij dan uw hulp!
62. (9) ARIA (T)
Nun mögt ihr stolzen Feinde schrecken;
was könnt ihr mir für Furcht erwecken?
Mein Schatz, mein Hort ist hier bei mir.
Ihr mögt euch noch so grimmig stellen,
droht nur, mich ganz und gar zu fällen,
doch seht! mein Heiland wohnet hier.


Probeer mij maar bang te maken, o trotse vijanden,
hoe zouden jullie angst in mij kunnen wekken?
Mijn schat, mijn toeverlaat is hier bij mij.
Hoe woedend jullie ook tekeer gaan,
en dreigen mij volkomen te vernietigen,
kijk toch: mijn Heiland woont hier.
63. (10) RECITATIEF à 4 (S, A, T, B)
Was will der Höllen Schrecken nun?
Was will uns Welt und Sünde tun,
da wir in Jesu Händen ruhn?


Wat kan de verschrikking van de hel nu uitrichten,
wat kunnen wereld en zonde ons aandoen
nu wij in Jezus' handen rusten?
64. (11) KORAAL
Nun seid ihr wohl gerochen
an eurer Feinde Schar,
denn Christus hat zerbrochen,
was euch zuwider war.
Tod, Teufel, Sünd und Hölle
sind ganz und gar geschwächt;
bei Gott hat seine Stelle
das menschliche Geschlecht.


Nu hebt u zich gewroken
op de schare van uw vijanden,
want Christus heeft verpletterd
wat tegen u was.
Dood, duivel, zonde en hel
zijn volkomen verzwakt;
het menselijk geslacht
heeft zijn plaats bij God.

(Nederlandse vertaling: Ria van Hengel