Cantate Ach Gott, wie manches Herzeleid (BWV 3)

1. KOOR
Ach Gott, wie manches Herzeleid
begegnet mir zu dieser Zeit!
Der schmale Weg ist trübsalvoll,
den ich zum Himmel wandern soll.


Ach God, hoeveel harteleed
overkomt mij in deze tijd!
De smalle weg die ik moet afleggen naar de hemel
is vol met beproevingen.
2. RECITATIEF & KORAAL (T, A, S, B)
Wie schwerlich läßt sich Fleisch und Blut

(T) So nur nach Irdischem und Eitlem trachtet
und weder Gott noch Himmel achtet,
zwingen zu dem ewigen Gut.
(A) Da du, o Jesu, nun mein alles bist,
und doch mein Fleisch so widerspenstig ist,
Wo soll ich mich denn wenden hin?
(S) Das Fleisch ist schwach,
doch will der Geist;
so hilf du mir, der du mein Herze weißt.
Zu dir, o Jesu, steht mein Sinn.
(B) Wer deinem Rat und deiner Hülfe traut,
der hat wohl nie auf falschen Grund gebaut.
Da du der ganzen Welt zum Trost gekommen
und unser Fleisch an dich genommen,
so rettet uns dein Sterben
vom endlichen Verderben.
Drum schmecke doch ein gläubiges Gemüte
des Heilands Freundlichkeit und Güte.


Wat is het moeilijk om vlees en bloed
  die slechts naar het aardse en het ijdele streven
  en noch aan God noch aan de hemel denken,
op het eeuwige goed te richten.
  U, Jezus, bent mijn alles
  en toch is mijn vlees zo weerspannig,
dus waarheen moet ik me dan wenden?
  Het vlees is zwak, 
  maar de geest is gewillig;
  dus help mij, want u kent mijn hart.
Naar u, o Jezus, gaat mijn geest uit.
  Wie op uw raad en op uw hulp vertrouwt,
  bouwt niet op valse grond.
  U bent gekomen om de hele wereld te troosten
  en hebt ons vlees aangenomen,
  daarom redt uw sterven ons
  van de ondergang aan het eind.
  Moge daarom een gelovig hart
  de vriendelijkheid en de goedheid van de Heiland smaken.
3. ARIA (B)
Empfind ich Höllenangst und Pein,
doch muß beständig in dem Herzen
ein rechter Freudenhimmel sein.
Ich darf nur Jesu Namen nennen,
der kann auch unermeßne Schmerzen
als einen leichten Nebel trenne


Al ervaar ik helse angsten en pijn,
in mijn hart moet het voortdurend
een ware vreugdehemel zijn.
Ik hoef alleen maar de naam van Jezus te noemen,
hij kan ook onmetelijke pijn
als een lichte nevel wegnemen.
4. RECITATIEF (T)
Es mag mir Leib und Geist verschmachten,
bist du, o Jesu, mein
und ich bin dein,
will ichs nicht achten.
Dein treuer Mund
und dein unendlich Lieben,
das unverändert stets geblieben,
erhält mir noch dein’ ersten Bund,
der meine Brust mit Freudigkeit erfüllet
und auch des Todes Furcht,
des Grabes Schrecken stillet.
Fällt Not und Mangel gleich von allen Seiten ein,
mein Jesus wird mein Schatz und Reichtum sein.


Al versmachten mijn lichaam en mijn geest,
als u, o Jezus, de mijne bent
en ik ben de uwe,
dan sla ik daar geen acht op.
Uw trouwe mond
en uw eindeloze liefde
die altijd onveranderd is gebleven,
houdt uw eerste verbond voor mij in stand,
het verbond dat mijn hart met vreugde vervult
en ook de angst voor de dood,
de verschrikking van het graf stilt.
Al treffen mij van alle kanten nood en gebrek,
mijn Jezus zal mijn schat en mijn rijkdom zijn.
5. ARIA / DUET (S, A)
Wenn Sorgen auf mich dringen,
will ich in Freudigkeit
zu meinem Jesu singen.
Mein Kreuz hilft Jesus tragen,
drum will ich gläubig sagen:
Es dient zum besten allezeit.


Als zorgen mij benauwen
zal ik vol vreugde
tot mijn Jezus zingen.
Jezus helpt mij mijn kruis dragen,
daarom wil ik gelovig zeggen:
Het is altijd voor mijn bestwil.
6. KORAAL
Erhalt mein Herz im Glauben rein,
so leb und sterb ich dir allein.
Jesu, mein Trost, hör mein Begier,
o mein Heiland, wär ich bei dir.

Houd mijn hart zuiver in het geloof,
dan leef en sterf ik voor u alleen.
Jezus, mijn troost, luister naar mijn verlangen,
o, mijn Heiland, was ik maar bij u.

(Nederlandse vertaling: Ria van Hengel