CANTATE Der Himmel lacht, die Erde jubilieret (BWV 31)

1. SONATA


2. KOOR
Der Himmel lacht! die Erde jubilieret
Und was sie trägt in ihrem Schoß;
Der Schöpfer lebt! Der Höchste triumphieret
Und ist von Todesbanden los.
Der sich das Grab zur Ruh erlesen,
Der Heiligste kann nicht verwesen.


De hemel lacht, de aarde juicht
en wat zij draagt in haar schoot;
de Schepper leeft, de Hoogste triomfeert
en is vrij van de boeien van de dood.
Hij die het graf als rustplaats heeft verkozen,
de Allerheiligste, kan niet vergaan.

3. RECITATIEF (B)
Erwünschter Tag! Sei, Seele, wieder froh!
Das A und O,
Der erst und auch der letzte,
Den unsre schwere Schuld
in Todeskerker setzte,
ist nun gerissen aus der Not!
Der Herr war tot,
Und sieh, er lebet wieder;
Lebt unser Haupt, so leben auch die Glieder.
Der Herr hat in der Hand
Des Todes und der Höllen Schlüssel!
Der sein Gewand
Blutrot bespritzt in seinem bittern Leiden,
Will heute sich mit Schmuck und Ehren kleiden.


Gewenste dag! Wees weer blij, o ziel!
De alfa en omega,
de eerste en ook de laatste,
die door onze zware schuld
in de doodskerker werd gezet,
is nu uit de nood bevrijd!
De Heer was dood,
en kijk, hij leeft weer;
als ons Hoofd leeft, dan leven ook de ledematen.
De Heer heeft de sleutels van de dood
en van de hel in zijn hand!
Hij wiens gewaad
bloedrood bespat is in zijn bittere lijden,
zal zich vandaag met sier en eer kleden.

4. ARIA (B)
Fürst des Lebens, starker Streiter,
Hochgelobter Gottessohn!
   Hebet dich des Kreuzes Leiter
   Auf den höchsten Ehrenthron?
   Wird, was dich zuvor gebunden,
   Nun dein Schmuck und Edelstein?
   Müssen deine Purpurwunden
   Deiner Klarheit Strahlen sein?


Vorst des levens, sterke Strijder,
Hooggeprezen Zoon van God!
Tilt de ladder van het kruis
u op naar de hoogste eretroon?
Wordt dat wat u eerst nog ketende
nu uw sier en edelsteen?
Moeten uw purperen wonden
de stralen van uw helderheid zijn?

5. RECITATIEF (T)
So stehe dann, du gottergebne Seele,
Mit Christo geistlich auf!
Tritt an den neuen Lebenslauf!
Auf! von den toten Werken!
Laß, daß dein Heiland in dir lebt,
An deinem Leben merken!
Der Weinstock, der jetzt blüht,
Trägt keine tote Reben!
Der Lebensbaum läßt seine Zweige leben!
Ein Christe flieht
Ganz eilend von dem Grabe!
Er läßt den Stein,
Er läßt das Tuch der Sünden
Dahinten
Und will mit Christo lebend sein!


Sta dan, o aan God toegewijde ziel,
met Christus geestelijk op!
Begin je nieuwe levensloop!
Verlaat de dode werken!
Laat aan je leven merken
dat de Heiland in je leeft!
De wijnstok die nu bloeit
draagt geen dode ranken!
De levensboom laat zijn takken leven!
Een christen ontvlucht
zijn graf razendsnel!
Hij laat de steen,
hij laat de doek van de zonden
achter
en wil met Christus levend zijn.

6. ARIA (T)
Adam muß in uns verwesen,
Soll der neue Mensch genesen,
Der nach Gott geschaffen ist.
Du mußt geistlich auferstehen
Und aus Sündengräbern gehen,
Wenn du Christi Gliedmaß bist.


Adam moet in ons vergaan
als we willen dat de nieuwe mens,
die naar Gods beeld is geschapen, leeft.
Je moet geestelijk opstaan
en de zondegraven verlaten
als je een lidmaat van Christus bent.

7. RECITATIEF (S)
Weil dann das Haupt sein Glied
Natürlich nach sich zieht,
So kann mich nichts von Jesu scheiden.
Muß ich mit Christo leiden,
So werd ich auch nach dieser Zeit
Mit Christo wieder auferstehen
Zur Ehr und Herrlichkeit
Und Gott in meinem Fleische sehen.


Omdat het Hoofd zijn ledematen
natuurlijk meeneemt,
kan niets mij van Jezus scheiden.
Als ik met Christus moet lijden,
dan zal ik na deze tijd
ook met Christus weer opstaan
tot eer en heerlijkheid
en God zien in mijn vlees.

8. ARIA (S)
Letzte Stunde, brich herein,
Mir die Augen zuzudrücken!
Laß mich Jesu Freudenschein
Und sein helles Licht erblicken,
Laß mich Engeln ähnlich sein!
Letzte Stunde, brich herein!


Laatste uur, kom
mij mijn ogen dichtdrukken!
Laat mij het vreugdeschijnsel van Jezus
en zijn heldere licht zien,
laat mij op engelen lijken!
Laatste uur, kom!

9. KORAAL
So fahr ich hin zu Jesu Christ,
Mein' Arm tu ich ausstrecken;
So schlaf ich ein und ruhe fein,
Kein Mensch kann mich aufwecken,
Denn Jesus Christus, Gottes Sohn,
Der wird die Himmelstür auftun,
Mich führn zum ewgen Leben.


Dan vaar ik heen naar Jezus Christus,
ik strek mijn armen uit;
dan slaap ik in en rust zacht,
geen mens kan mij wekken,
want Jezus Christus, Gods zoon,
die zal de hemelpoort openen,
mij naar het eeuwige leven leiden.

(Nederlandse vertaling: Ria van Hengel