Cantate Es ist dir gesagt, Mensch, was gut ist (BWV 45)


1    Koor

»Es ist dir gesagt, Mensch,
was gut ist und was der Herr von dir fordert,
nämlich: Gottes Wort halten und Liebe üben
und demütig sein vor deinem Gott.«
"Er is U gezegd, mens,
wat goed is en wat de Heer van U verlangt,
 namelijk: U aan Gods woord houden
en liefde betonen
en ootmoedig zijn voor Uw God." (Micha 6:8)

2     Recitatief (tenor)

Der Höchste läßt mich seinen Willen wissen
und was ihm wohlgefällt;
er hat sein Wort zur Richtschnur dargestellt,
wornach mein Fuß soll sein geflissen
allzeit einherzugehn
mit Furcht, mit Demut und mit Liebe
als Proben des Gehorsams, den ich übe,
um als ein treuer Knecht dereinsten zu bestehn.
De Allerhoogste laat mij weten wat Zijn Wil is
en wat Hem welgevallig is;
Hij heeft Zijn woord tot richtsnoer gemaakt,
waarlangs mijn voet altijd ijverig moet gaan
met ontzag,
met ootmoedigheid en met liefde
als proeve van de gehoorzaamheid, die ik be­toon,
om mij eens als een getrouwe knecht te bewij­zen.

3    Aria (tenor)

Weiß ich Gottes Rechte,
was ists, das mir helfen kann,
wenn er mir als seinem Knechte
fordert scharfe Rechnung an?
Seele! denke dich zu retten,
auf Gehorsam folget Lohn;
Qual und Hohn
drohet deinem Übertreten!
Wanneer ik weet wat Gods rechten zijn,
wat kan mij dan helpen,
wanneer Hij mij als Zijn knecht
streng ter verantwoording roept.
Ziel, wees erop bedacht je in veiligheid te bren­gen;
op gehoorzaamheid volgt beloning;
smart en smaad
dreigen wanneer je Zijn geboden overtreedt.

4    Arioso (bas)

»Es werden viele zu mir sagen an jenem Tage:
Herr, haben wir nicht in deinem Namen geweissaget,
haben wir nicht in deinem Namen Teufel ausgetrieben?
haben wir nicht in deinem Namen viel Taten getan?
Denn werde ich ihnen bekennen:
Ich habe euch noch nie erkannt,
weichet alle von mir, ihr Übeltäter!«
"Velen zullen op die dag tot Mij zeggen:
Heer, hebben wij niet in Uw naam geprofe­teerd,
hebben wij niet in Uw naam duivels uitgedreven,
hebben wij niet in Uw naam veel daden verricht?
Dan zal Ik hun openlijk zeggen:
Ik heb U nooit gekend,
gaat allen weg van Mij, gij boosdoe­ners!"

5    Aria (alt)

Wer Gott bekennt
aus wahrem Herzensgrund,
den will er auch bekennen.
   Denn der muß ewig brennen,
   der einzig mit dem Mund
   ihn Herren nennt.
Wie zich tot God erkent
uit de grond van zijn hart,
die wil Hij ook erkennen.
Want hij moet eeuwig branden,
die alleen met zijn mond
Hem Heer noemt.

6    Recitatief (alt)

So wird denn Herz und Mund
selbst von mir Richter sein,
und Gott will mir den Lohn
nach meinem Sinn erteilen:
Trifft nun mein Wandel
nicht nach seinen Worten ein,
wer will hernach der Seelen Schaden heilen?
Was mach ich mir denn selber Hindernis?
Des Herren Wille muß geschehen,
doch ist sein Beistand auch gewiß,
daß er sein Werk durch mich
mög wohl vollendet sehen.
Zo zullen dan mijn eigen hart en mond
rechter over mij zijn
en God zal mij het loon geven
dat bij mijn instelling past.
Wanneer nu mijn levenswandel
niet overeen­komstig Zijn woord is,
wie zal hierna de schade aan mijn ziel herstel­len?
Waarom zal ik dan een hindernis voor mijzelf opwerpen?
Des Heren wil moet geschieden,
maar Zijn hulp is ook gewis,
opdat Hij Zijn werk door mij voltooid mag zien.

7    Koraal

Gib, daß ich tu mit Fleiß,
was mir zu tun gebühret,
worzu mich dein Befehl
in meinem Stande führet!
Gib, daß ichs tue bald,
zu der Zeit, da ich soll;
und wenn ichs tu, so gib,
daß es gerate wohl!
Geef, dat ik met ijver volbreng
wat ik behoor te doen,
waartoe Uw bevel mij
- voor zover ik daartoe in staat ben - opdracht geeft!
Geef, dat ik het spoedig volbreng,
op het moment, dat ik het moet doen;
en wanneer ik het doe, geef dan,
dat het mij moge lukken!

(Nederlandse vertaling: Henk Pijlman)