Cantate Schauet doch und sehet, ob irgendein Schmerz sei (BWV 46)

1. KOOR
»Schauet doch und sehet,
ob irgendein Schmerz sei wie mein Schmerz,
der mich troffen hat.
Denn der Herr hat mich voll Jammers gemacht
am Tage seines grimmigen Zorns.«


Kijk toch en zie
of er een smart is zoals de smart
die mij is aangedaan.
Want de Heer heeft mij in ellende gedompeld
op de dag van zijn grimmige toorn.
(Klaagliederen 1:12)
2. RECITATIEF (T)
So klage, du zustörte Gottesstadt,
du armer Stein- und Aschenhaufen!
Laß ganze Bäche Tränen laufen,
weil dich betroffen hat ein unersetzlicher Verlust
der allerhöchsten Huld,
so du entbehren mußt durch deine Schuld.
Du wurdest wie Gomorra zugerichtet,
wiewohl nicht gar vernichtet.
O besser wärest du in Grund verstört,
als daß man Christi Feind
jetzt in dir lästern hört.
Du achtest Jesu Tränen nicht,
so achte nun des Eifers Wasserwogen,
die du selbst über dich gezogen,
da Gott, nach viel Geduld,
den Stab zum Urteil bricht.


Klaag dan, verwoeste stad van God,
jij arme hoop stenen en as!
Laat hele beken tranen stromen,
omdat je voorgoed verloren hebt
de hoogste genade,
die je moet ontberen door jouw schuld.
Zoals Gomorra werd je toegetakeld,
hoewel niet geheel vernietigd.
O, je had beter met de grond gelijkgemaakt kunnen worden dan dat men nu in jou
het gelaster van Christus' vijand hoort.
Je bekommert je niet om de tranen van Jezus,
bekommer je nu dan om de vurige watervloed,
die je zelf over je hebt afgeroepen,
omdat God, na veel geduld,
de staf ten oordeel breekt!
3. ARIA (B)
Dein Wetter zog sich auf von weiten,
doch dessen Strahl bricht endlich ein
   und muß dir unerträglich sein,
   da überhäufte Sünden
   der Rache Blitz entzünden
   und dir den Untergang bereiten.


Je onweer kwam opzetten vanuit de verte
maar zijn bliksemflits slaat uiteindelijk in
en moet onverdraaglijk voor je zijn,
omdat hoog opgehoopte zonden
de bliksem van de vergelding ontsteken
en ervoor zorgen dat je tenonder gaat.
4. RECITATIEF (A)
Doch bildet euch, o Sünder, ja nicht ein,
es sei Jerusalem allein
vor andern Sünden voll gewesen!
Man kann bereits von euch dies Urteil lesen:
Weil ihr euch nicht bessert
und täglich die Sünden vergrößert,
so müsset ihr alle so schrecklich umkommen.


Maar verbeeldt je, o zondaren, niet
dat alleen Jeruzalem
vol zonden was!
Men kan reeds aan jullie dit oordeel aflezen:
Omdat jullie je niet beteren,
en dagelijks meer zondigen,
zullen jullie allen op verschrikkelijke wijze omkomen.
5. ARIA (A)
Doch Jesus will auch bei der Strafe
der Frommen Schild und Beistand sein,
er sammlet sie als seine Schafe,
als seine Küchlein liebreich ein.
Wenn Wetter der Rache die Sünder belohnen,
hilft er, daß Fromme sicher wohnen.


Maar Jezus wil ook bij de straf
de bescherming en hulp van de vromen zijn.
Hij brengt hen als zijn schapen,
als zijn kuikentjes liefderijk bijeen.
Wanneer stormen van vergelding de zondaren belonen,
zorgt hij dat vromen veilig wonen.
6. KORAAL
O großer Gott von Treu,
weil vor dir niemand gilt
als dein Sohn Jesus Christ,
der deinen Zorn gestillt,
so sieh doch an die Wunden sein,
sein Marter, Angst und schwere Pein;
um seinetwillen schone,
uns nicht nach Sünden lohne.

O grote God van trouw,
omdat niemand voor u zoveel betekent
als uw zoon Jezus Christus
die uw toorn heeft gestild:
zie toch zijn wonden,
zijn marteling, angst en hevige pijn.
Laat u omwille van hem vermurwen
en vergeld ons niet naar de zonden.




(Nederlandse vertaling: Alice Bij de Vaate)